Posts tonen met het label kat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kat. Alle posts tonen

woensdag 16 augustus 2017

Dierenliefde

Eigenlijk ben ik er ingeluisd, door mijn vrouw, maar doe het graag en met veel liefde. Een keer per maand ben ik vrijwilliger voor Animal Aid Fethiye. Dan rijd ik voer naar tal van adressen. Zo'n 45 zakken kattenvoer en een kleine 20 zakken hondenvoer. Wat ik daar goed vind is dat de honden en katten over het algemeen in hun eigen habitat blijven. Ze behouden hun vrijheid, maar worden voorzien van voer door dier liefhebbende mensen. Het kost mij vrijwel een dag. In principe ben ik de chauffeur en de ander verstouwt het voer. Op een adres moeten doorgaans vijf zakken naar de derde etage getild worden.

Afgelopen week kwam mijn "maat" niet opdagen. Een stukje miscommunicatie. Een vervanger was niet direct voor de hand. Sowieso lastig vrijwiligers voor het sjouwen te vinden. Diverse telefoontjes gepleegd, vooralsnog zonder succes. Mij werd wel aangeraden de distributie niet in mijn eentje te doen.



Niemand werd gevonden en er lagen al 22 zakken (15 kg ieder) in de auto. Dus ik besloot het dan maar in mijn eentje te doen. Niet voor al die Engelsen en andere dierenliefhebbers, maar voor de dieren! En zo ging ik. Qua tijd heeft het niet eens veel extra gekost. Wel merkte ik dat de combinatie rijden, administratie en sjouwen vies tegen viel. Maar ja, je zit in een flow...

Eenmaal thuis merkte ik wel hoe waanzinnig ik eigenlijk bezig was. Maar, ik deed het voor de dieren.



In landen als Turkije en Spanje worden ook veel dieren "gefosterd". Er wordt dan een goed huis gezocht in landen als Engeland, Nederland, of Duitsland. In theorie ben ik hier geen voorstander van. In praktijk kan ik ook geen foster parent zijn. Vrienden van mij hebben een hondje om te socialiseren voor transport naar een goed adres in Engeland. Een werkelijk heel leuk en lief hondje. Ik zei al tegen mijn vrienden dat ze het diertje moesten houden. Gelukkig hebben ze dat gedaan. Een heel leuk, levendig, lief en gelukkig hondje. Nee, ik zou zo'n dier dan ook niet kunnen afstaan. Natuurlijk hebbende dieren het in West Europa best goed. Maar ja, op een flat, of een kleine tuin, drie keer per dag uitlaten... Nee, dan gun je zo'n hond een goed huis hier met een hoop vrijheid.



Afgelopen week stond er bij ons een hondje aan de andere kant van het hek. Die kwam op onze roedel af natuurlijk. Geen halsband. Wel goed in de vacht en zeker niet te mager. Maar toch zielig. We hadden thuis de discussie het hondje binnen het hek te halen en voer te geven. Maar, we moesten het gewoon niet doen. Sterker, we moesten vooral geen band opbouwen, maar we hebben het diertje dan toch maar water en eten gegeven. En het hondje bleef rond het huis hangen. Soms een blaf, dan weer zielig gepiep. Toch was ie opeens weg..., waarschijnlijk weg gejaagd door een lynx, die ook regelmatig rond het huis vertoeft.

Vorig jaar kwam een kat aangelopen. Een schat. Een echte knuffel kat en schoot zitter. Tot ie de boel begon te terroriseren. Vooral onze bejaarde poes werd aangevallen. Met pijn in het hart hebben we de vreemde kat met water weg gekregen.

Dat wij destijds dit huis betrokken was de kat van de vorige eigenaar er nog. Die was al die tijd gevoerd en aan ons de vraag dit voort te zetten en de kat op te nemen. Omdat het met onze dieren goed samen ging, geen probleem.

Nu gaan we binnenkort verhuizen... Die kat gaat dus mooi met ons mee. Dat is nu echt "onze" kat geworden.

Ja en straks, hoe ga ik de kikkers en salamanders uit het zwembad redden, voordat we die weer zwemklaar maken?



Zelfs een gestorven jonge kip hebben we vorig jaar begraven,in plaats van deze in de soep te verwerken. Onze dierenliefde gaat ver, alhoewel beiden geen vegetariër zijn. Desondanks proberen wij wel degelijk zo bewust mogelijk vlees te eten. En groot zijn onze porties vlees absoluut niet.



Mijn lichaam begint zich te herstellen van de bijna 900 kg voer, en 120 km rijden. Ik heb het over voor de dieren. Wat dat betreft is dierenliefde een vreemd iets. Ik ben dan ook een halve Hindoeïst. Veel mensen zullen je dan een zwakkeling vinden, maar naar mijn idee ben je dan juist sterk. Mits je dierenliefde binnen enige paal en perk blijft. Die grens bewaken is misschien wel het moeilijkste....

maandag 16 mei 2016

Dierenleed

Ben ik een schijtebak, of valt het wel mee... Het gaat over dieren. Huisdieren, wel te verstaan. Om het terrein staan diverse (veelal wat gammele) hekken, zodat onze honden geacht worden op het terrein te blijven. Vooralsnog mislukt dit de laatste tijd. Voordien was het eveneens hopeloos, toen Ventje de ster was zwakke plekken te ontdekken. Gaandeweg werden alle ontsnappingsmogelijkheden teniet gedaan. Inmiddels is onze Loulou groter geworden. Met gemak springt zij over de lage hekjes, bedoelt voor de kleine witte hondjes. Her en der verstevigd en verhoogd. Uiteindelijk heeft Loulou een vaste ontsnappingsplek, en weet ook via dat zelfde stukje weer terug te komen. Loulou doet dat braaf en laat zichzelf van tijd tot tijd uit. Het enige nadeel is dat er langzaam een verzameling bouwmaterialen en gereedschappen over ons terrein verspreid ligt. Met name werkhandschoenen blijken erg populair.

Bij Ventje is het toch wat anders. Laatst waren beiden aan de loop. Lang en ver waren zij weg. Natuurlijk kwam het span op een gegeven moment weer aangelopen. Toch ben ik er niet gerust op. Mijn partner ziet dat anders. Nergens is een betere plaats de honden vrij te laten lopen. Verkeer is er nauwelijks. Kans op vergif is hier beperkt en ze komen altijd terug. Nu is Ventje over het algemeen vrij eigenwijs en luistert slecht. Loulou blijft bij Ventje. Maar, tijdens de nachtelijke uren lopen hier wilde zwijnen. Geen partij voor ons kleine witte mormel. Ook zijn er andere gevaren, vooral voor zo'n klein beestje, die ook veel minder goed zelf weet terug te komen. Loulou rent wel, en is snel genoeg de gevaren voor te zijn.
Overdag is het misschien anders. E zou zeggen, laat ze maar gaan. Probleem is wel dat de werklui soms erg bang zijn, vooral voor de kleinste, en de honden begrijpen niet dat ze niet door groentetuinen mogen rennen, laat staan het sappige groen tot zich nemen.
Noah ging destijds achter kippen en kuikens aan. Eigenlijk heb ik geen idee hoe dat met Loulou en Ventje werkt. Naar onze eigen kippen staan ze glazig te kijken, zonder er echt op te reageren. Maar dat geldt ook voor de katten. Onze katten horen bij de roedel, iedere andere kat wordt stevig achter de vodden gezeten. Vrije kippen en katten lopen er in de buurt genoeg rond. En voor een dooie kip moet je hier betalen, al doet je hond het. Ik wil dat gesodemieter dus eigenlijk niet. Mijn partner haalt haar schouders op en zegt dat het zich allemaal wel regelt. Vast wel, maar ik zie toch wat beperkingen, die je als eigenaar van het dier als verantwoordelijkheid dient te nemen. Zoals dat ook in Nederland geldt. Trouwens, in Nederland mag je hond überhaupt alleen op hiertoe aangewezen plaatsen los lopen. Daar buiten loop je het risico op een boete, afhankelijk van de gemeente kan deze boete aardig op lopen. Van het ene uiterste naar het andere. Zo lijkt het althans. Dan ben ik maar een schijtebak...

Katten zijn anders. Die kan je niet vast binden, maar zijn ook veel bescheidener wat gedrag betreft. Die rennen niet op iedereen af, knuffelen niet en er is nog nooit een kat met een onbekende werkhandschoen aan komen dragen. Soms, misschien wel vrij regelmatig, worden we opgeschrikt door enorm katten gekrijs. De vechtpartijen kunnen hevig zijn. Telkens zoeken we direct onze twee poesjes. Tot nu toe lagen zij altijd heerlijk rustig. Dus om te vechten hebben wij bepaald niet de goede exemplaren. Een hele geruststelling.

Kippen verblijven op een ruim terrein, achter een vrij hoog hek. Toch hebben er al enkele ontsnappingen plaats gevonden. Als redder in nood heb ik ze steeds terug gegooid, over het hek. De kippen bij de buren lopen geheel los, net als elders in het dorp. Toch willen wij dat hier niet. Met de honden, en katten, zal het vast wel gaan. Maar, ik wil geen schijtende kippen pal voor de deur. Lesje van mijn schoonzus.

Heel wat werk hoor, al dat huisvee. Net kinderen, en alsof het echt over kinderen gaat vullen we elkaar soms aan en soms staan we tegenover elkaar (tot op heden overigens nog niet lijnrecht). Dieren, wat kunnen ze je bezig houden. En wat lijken ze soms op kinderen, en wij als echte ouders. En wat ben ik blij met ze. Die honden hier, ze hebben behoorlijk de ruimte, maar willen altijd meer. Waar leggen wij onze grenzen? Het blijven wel huisdieren...

zondag 13 maart 2016

Noah

De lucht is licht bewolkt, de temperatuur zacht. Ik sta voor het raam en staar gedachteloos naar het bed van stenen. Ik kijk naar het graf van ons hondje. Kort geleden hebben we hem in laten slapen. De eerste dagen worstelde ik met verdriet en schuld. Noah, het hondje, was niet zelf overleden. Nee, ik heb de dierenarts gevraagd langs te komen. Toen hij arriveerde wandelde Noah over het gras voor de deur. Hij zag er bijna tevreden uit. Hij werd op schoot genomen. Een slaapmiddel ingespoten. Heel rustig, bijna gerustgesteld viel hij in een diepe slaap, waarna de tweede injectie het leven definitief beëindigde... Vredig trok het leven uit Noah. We hebben het overschot op een tafeltje gelegd. De andere honden roken er even aan en vervolgden hun spel. Vervolgens hebben we Noah op bed gelegd. Tot het eind van de avond. Daarna is hij tot de volgende dageraad op het logeerbed neergelegd.

Verdriet en schuld. Verscheurd door twee tegenstrijdige gevoelens. Je, ik heb mee gewerkt aan de dood van het dier. Hij liep nog rond. Wat een schoft ben ik. Maar hij was ziek. De laatste, bijna, drie maanden was het onze Noah niet meer. Zijn buik dik en toenemend gespannen. De eetlust daalde tot een dieptepunt. Drinken ging matig en meneer weigerde steeds meer zijn medicatie. Soms kon hij tijden apathisch staan. Dan weer zag je heel kort het oude beessie. Kort, maar verder lag hij veel. Trappen waren een obstakel geworden. Zwaar ademend lag hij te slapen. Nee, ik ben geen moordenaar. Noah leed en er zou geen eind aan komen. We hebben hem geholpen, zijn rust te vinden

Ons twee hondje, in iets meer dan een jaar. Peppa die plotseling verlamd raakte. Nee, ik moet accepteren dat hij leed. Peppa was ouder. Waarschijnlijk een attaque gehad, of zo iets. Bij haar hebben we het besluit veel sneller genomen. Het was ook duidelijker, want Peppa kon echt niets meer. In drie dagen kon zij niet meer lopen tot niet eens meer zichzelf voort slepen. Zij overleed op 10 november, 09:05 uur, de dag en tijd dat Atatürk destijds overleed. Peppa hebben wij in de tuin van mijn schoonzus begraven. Toen kon het ook nog niet bij ons in de tuin. Gelukkig ligt Noah wel dicht bij ons.



Vroeger heb ik katten gehad. Drie stuks: Bolle, Dikke en later ook Roodje. Als eerste was Roodje weg. Later hoorden wij dat hij op de Leidsevaart was aangereden. Het lijkje hebben we nooit gezien. Dikke verdween als tweede. De laatste keer dat ik hem zag renden er twee Dobermann Pinchers achter hem aan. En Bolle..., die kon niet meer aarden. Mijn meest trouwe kat kwam niet meer binnen, behalve wanneer ik alleen was. Uiteindelijk heb ik hem drie maanden op mijn werk gehad. Gelukkig vond hij een tehuis bij de vader van een collega. De laatste keer dat ik Bolle zag reed hij weg met mijn collega. Ik heb nog wel gehoord dat hij een goed keven had op de boerderij en goede maatjes is geworden met de herdershond aldaar. God, wat heb ik Bolle vreselijk gemist. Ik heb nooit afstand van hem willen doen, ware het dat de situatie echt niet meer toestond dat ik hem hield. Nee, dat zou heel dieronvriendelijk zijn geweest. Ondanks dat Bolle niet dood was heb ik zo veel verdriet gehad. Het was mijn eerste kat. Een geweldige lobbes. Gelegen op mijn schouders, gewrongen om mijn nek, deed ik boodschappen bij Albert Heijn, in Overveen. Bolle bleef zitten. Het was nauwelijks een kat, maar leek soms veel meer op een hond. Ik nam Bolle regelmatig mee.



Ondanks de pijn van Bolle heb ik nooit echt de dood van een huisdier mee gemaakt. En ergens in mijn achterhoofd had ik ook het gevoel dat zo iets ook niet zo erg was. Dieren leven immers korter. Dieren zijn geen mensen. Tot de dood van Peppa, ruim een jaar geleden. Zonder schaamte durf ik te zeggen, dat ik gehuild heb. Vol verdriet heb ik een kistje gemaakt en waardig hebben wij afscheid genomen. Daarna werd Kato, onze kat ziek. Ik voelde dat mijn rouw toch minder zou zijn, gelukkig leeft Kato nog steeds. Oud, maar rustig en tevreden. Dat er alweer een dierenleven zou eindigen had ik niet verwacht. Althans, niet zo snel. Noah was een stronteigenwijs dier, luisterde slecht, stal al het eten wat ie kon stelen en lange tijd piste ie binnen. Maar het was een geweldige hond. Een knuffel, een teddybeer in hondenuitvoering. Een vrijdoos en je kon echt alles met Noah doen.

We wisten dat Noah een hartruis had, maar het besef van de consequentie was nauwelijks aanwezig. Het was een levendig beest en niets wees er op dat ie iets onder de leden had.

Tot half december vorig jaar. Hij begon enorm te hoesten, werd opeens een stuk passiever en zijn buik leek licht opgezwollen. De eerste diagnose was Kennelkuf. Na twee weken bleek duidelijk dat het iets anders was. Een röntgenfoto gaf uiteindelijk de duidelijkheid. Het duurde even voordat de juiste medicatie gevonden was. De dierenarts overlegde met de huisarts en later met een gepensioneerde hartspecialist. Na een periode dagelijks een injectie kwam er een pil. Verstopt in gehakt nam Noah dat tot zich, tot hij door had wat er in dat bolletje gehakt zat. Ondertussen werd het nauwelijks beter. De buik leek wel een strak opgepompte voetbal. Verder werd hij magerder en magerder. Ook de haren op zijn neus vielen uit. Op het laatst leek hij wel een neusaap in een hondenjasje. En lange tijd kon hij stil staan. Als een levend beeld. De oude Noah was weg. Er was een rustig hondje, wat apathisch. Ondanks alle zorg en medicatie werd het niet beter. Uiteindelijk heeft Reina de knoop door gehakt en heb ik de dierenarts gehaald.

En dan lag hij daar... Dood. Het verdriet van Reina was groot, maar ook mijn verdriet was flink. Ondanks dat ik in dat soort situaties vooral praktisch word en handel, verstomde ik steeds weer even.

Het is vreemd wanneer zo'n trouw huisdier overlijdt. Dan merk je hoe het een deel van je leven uit maakt. Zeker bij ons, de beestjes sliepen op bed bijvoorbeeld (niet dat we dat wilden, maar ze hadden het gewoon afgedwongen, wat wel iets zegt over hun positie binnen het gezin). Op een maand na tien jaar. We hebben Ventje nog, en Loulou, Kato en Jennah. Ik hoop dat ze oud worden en vredig aan hun eind komen. Ik wil niet meer dat ik de dierenarts moet halen voor de levensbeëindiging. Dat voelt niet goed, als was het beide keren het beste.



Noah, rust zacht. Je was een gek en te gek hondje!.....

maandag 4 januari 2016

In den vreemde; animal story (59)

Wij vertrokken uit Nederland met drie honden en een kat. Moeder Peppa, een West Highland Terriër (Westy), Noah de vader (kwart Maltheser) en de zoon Ventje. Kato was de kat. Zowel Peppa als Kato waren al redelijk op leeftijd. Peppa was ruim 13 en Kato 16. Katten worden nu eenmaal ouder dan honden. We werden een hecht gezinnetje. Ook Kato maakte er weer deel van uit, wellicht door de reis. In ieder geval waren we erg blij dat de poes niet meer separaat van de honden leefde en zelfs goed met de honden samen bleek te kunnen. Alleen Kato en Peppa boterde niet zo.

Begin november 2014 zakte Peppa plots door haar pootjes. Het begin van het einde en op 10 november om 09:05 uur hebben wij haar in laten slapen (het zelfde moment en zelfde dag overleed Atatürk, jaren geleden).



Voor Kato was de deur naar de andere honden nu helemaal open en ze werden vriendjes. Alleen Kato is een oude kat. Nog voor het overlijden van Peppa was zij ziek. Wat het was is tot op vandaag niet duidelijk, maar ze kwam er bovenop. Het voorjaar van 2015 werd Kato weer ziek. Weer naar de dierenarts en weer kwam de kat er bovenop. Kato leidt een goed leventje, eet fors, maar is graatmager geworden. Ouderdom en lichamelijke gebreken. Inmiddels zijn we begonnen met een speciaal dieet voor oude katten. Omdat hartproblemen een rol spelen bij Kato moet het nieuwe voedsel de juiste voedingswaarden geven, waardoor ze minder hoeft te eten en toch weer wat steviger wordt. Inmiddels gaat Kato echter wel naar de 18 toe.



Vorige voorjaar had Wilma vier kuikens, van haar kip Uli. Wij wilden wel kippen en Wilma wilde de kuikens niet. Snel een hok getimmerd en daar kwam Uli met de vier kleintjes. Na een poosje deed Uli echter zeer onaardig naar haar kroost en brachten we haar snel terug naar Wilma. Ondertussen groeiden de twee Hanen en twee kippen op. De eieren kwamen en het was een leuk koppel.



Omdat wij niet tevreden waren met onze woning zichten wij iets anders. Eind maart (2015) vonden we een leuk huis, maar daar konden we pas in juni terecht. Wel mocht ik alvast een groentetuin onderhouden. Nu werd dat dit jaar een fiasco, maar iedere keer wanneer ik kwam liep dat een leuke kleine poes rond. Het leek er op dat de buren regelmatig eten gaven, wat ik deels van hen over nam. Later vernamen wij dat de poes van de vorige bewoner was, die een jaar daarvoor overleden was. Het diertje kwam mij altijd tegemoet, wanneer ik aan de ontginning van het stukje grond kwam werken. Eindelijk konden we in de woning. Bij de overdracht verzocht de weduwe of wij het poesje over wilde nemen. Vrij snel moet je dan beslissen en wij gingen akkoord. Dus, na de verhuizing, hadden we er echt een poes bij; Jennah (haar originele naam was Diana, maar dat klinkt niet voor een poes).

De integratie met de andere dieren verliep vrij soepel. Zelfs Kato toonde een zekere acceptatie, maar regelmatig haalt ze nog steeds uit naar Jennah, alhoewel ze ook vrij dicht naast elkaar op de bank kunnen liggen.

Eindelijk wat rust. De honden, katten, kippen, het leefde allemaal rustig met en naast elkaar. Wel vond ik het aantal kippen, op twee hanen, wat mager. Met mijn verjaardag vroeg ik er dus kippen bij. En ja, ik kreeg twee kippen. Een grijze en een bijna zwarte. Hebben de eerste vier namen (Willem, Reinout, Sproet en Gerard), de nieuwe lichting zal naamloos door het leven gaan en in principe ook al het toekomstige pluimvee. En dat toekomstige bleek geheel niet ze ver verwijderd te zijn. Begin november begon Gerard serieus te broeden en op 25 november liepen er vier schattige kuikens door het hok. Twee dagen later waren het er opeens drie en dat is het aantal tot de dag van vandaag. Het spul groeit als kool en op de kippenwei begin het een aardig gezelschap te worden.



Eind december werd Noah duidelijk niet goed. Wij wisten al enkele jaren dat hij een hartruis had. Dit leek eigenlijk iets anders. Hij blafte heel erg. Bij de dierenarts kregen wij een antibioticum kuur. Het ging echter niet beter. Bovendien dijde Noah erg uit, terwijl hij steeds minder at. Bijna om de dag vertoonden wij ons wel bij de dierenarts. Uiteindelijk is er een röntgenfoto gemaakt. Een vergroot hart en enorm veel vocht. Het hart functioneert duidelijk inmiddels nóg slechter. Noah is nu de oude niet meer. Morgen hopen wij dat de hartpillen arriveren, alhoewel wij vrezen dat het toch het langzame einde van Noah in luidt. Nog maar 9, bijna 10. We zien wel en ondertussen vertroetelen wij het lieve dier.

Dit bracht ons er wel toe een krappe week geleden te discussiëren over de toekomst. Ventje alleen..., het is eigenlijk geen hondje om alleen te zijn. De gedachte aan een nieuwe hond was er. We dachten te zijner tijd een middelmaatje aan te schaffen. In ieder geval iets groter. Vorige week kwam Wilma langs met een logeer hondje, en dat soort leek ons helemaal geschikt. Maar, voor de toekomst...



Gisteren, in de loop van de dag, belde Wilma op. De tandarts (tevens zoon van de huisbaas) heeft een vier maanden oude Golden Retriever. Die had hij aangeschaft voor de kinderen, maar de ruimte en tuin (hinden wonen en keven hier buiten, behalve die van ons) was echt te klein. Het ging niet goed. Hij had wel aan ons zitten denken, maar legde de vraag bij Wilma neer; wil je een hond? Dus overleg. De conclusie was dat ze dat vooral niet moet doen, omdat zo een hond (of nu überhaupt een hond) niet in haar leven past. Daarop werd de vraag ons gesteld. Druk overleg, doch wij waren er spoedig uit. We doen het. Wilma gebeld en zij zou ons besluit door geven.

Begin van de avond gaat de telefoon. Musafer wil de hond komen brengen. Een half uur later was hij er, met zijn twee zoontjes. Die mogen altijd langs komen en met hun hond, nu de onze, komen spelen. De hond is een teefje en een van de jongetjes had de naam Poppy al toebedacht, dus die houden we.

Wederom is ons dierenrijk tijdelijk uit balans, moeten posities weer bevestigd en veroverd worden, maar op zich gaat het prima, al hebben we de komende tijd natuurlijk wel veel werk om dat kleintje goed op te voeden... Nacht een mislukte overigens al. Van zijn dekentje was hij op bed gekropen. Ventje vond dat niet leuk, wij eigenlijk ook niet, maar Poppy is zo lief en net bij ons... Ik moet er niet aan denken dat we straks met twee kleine hondjes én een Golden Retriever op bed slapen.



Tja. We kwamen met vier dieren. Nu zitten we met 14 dieren... En het maakt ons alleen maar gelukkiger, ondanks alle snelle veranderingen en beslissingen. Het begint al echt een boerderijtje te lijken....

dinsdag 9 juni 2015

Gökceovaçık

Langzaam minderde de auto vaart. De bocht naar links was scherp en smal. Bovendien was juist deze bocht bezaaid met los liggende steenslag. Zoals meestal ondervond de auto geen tegenliggend verkeer. Nog een honderd meter asfalt, en even zo vele gaten, dan sloeg de auto rechts het grindpad op. Nu ging het stapvoets. De wind tochtte door de opengedraaide ramen. Verder was er het geluid van niks, behalve het zacht ronken van de motor. Bij de ingang van de tuin moest nog een kuil genomen worden. Eindelijk doemde het huis op. Verscholen tussen het groen en verstopt achter grote oude druivenstruiken. Nadat de motor uitgeschakeld werd was er stilte. Een natuurlijke stilte. Het zacht ruizen van blaadjes, een kraaiende haan op afstand.

Hij bleef nog even zo zitten. Genieten van de omgeving, maar vooral de vocale rust. Nee, uitstappen maakte nu even te veel lawaai. Het blik van de autoportieren zou de rust van dit moment verstoren. Ook al zou diezelfde rust na het sluiten der portieren weer aanwezig zijn, en zelfs alle harde mechanische geluiden doen vergeten, dit moment moest even gepakt worden.

Het duurde een tijd, wellicht een kwartier, alvorens hij het portier opende en de auto verliet, zonder het portier weer te sluiten. Een kleine kat lag kronkelen aan zijn voeten te mauwen. Vogels zongen in de verte. Met trage bewegingen verroerde hij zich. Eerst richting het huis, dan naar het overgroeide terras. De druivenbladeren hielden vrijwel alle zon tegen, wat het zeer aangenaam maakte. Zijn ogen tuurden de struik af. De plant droeg een onnavolgbare hoeveelheid trossen. De druiven begonnen zich voorzichtig te vormen. Dan ging hij zitten. Ondanks dat het een bank van steen was, zat deze aangenaam. Met bijna vertraagde beweging volgden zijn ogen en hoofd de omgeving. Van de oprit, tot het hele huis. Zijn mondhoeken vormden een bescheiden, echter zeer tevreden glimlach.



Het was niet de eerste keer dat hij hier was. Vele keren waren voor gegaan. Telkens voor korte duur. Dit keer zou hij blijven. Dit werd zijn nieuwe thuis. Een plek die al als zodanig voelde, nog voor dit moment. Vol ongeloof wandelde hij nog rond het huis, door de tuin, over het land. Nog voor de verhuizing had hij hier en daar al wat sporen achter gelaten. Ter voorbereiding van de verhuizing. Op enkele plaatsen groeide groente uitbundig. Hier en daar had hij al een aantal bloeiende planten aan de grond toevertrouwd. Inmiddels was het van het hek tot de woning een oase van bloemen en planten. Verder zou het land het landelijke karakter behouden. Dat had hij met haar besproken. De woning toonde zich een woonhuis, maar de omgeving gaf het meer het etiket van een hoeve. Het kon hem niet schelen. Het was zoals hij zich wenste.

De kippen scharrelden in hun nieuwe onderkomen. Ja, ze hadden zelfs een nieuw nachthok gebouwd. Het oude, wat er reeds stond (en half vervallen was) hadden zij geïntegreerd in het nieuwe hok. Het schuine pannendak domineerde het beeld. Achter het huis graasden de twee nieuwe geiten. In de oude schuur vonden zij het nachthok, en verder konden zij relatief vrij grazen. De poes rekte zich uit in de schaduw, inmiddels vriendschap gesloten met de kleine kat. De honden lagen in de zon te slapen... De zinderende hitte kon hen blijkbaar niet deren. Alleen de ezel was er nog niet. Ja, een ezel hoorde er ook bij.

Hij vond het wel storend dat het nieuwe hekwerk er nog zo nieuw uit zag. Te veel glans, te strak gezet. Toch snel zo'n honderd meter had hij geplaatst. Dan konden de honden zich vrij bewegen, zonder de kippen en schapen van de buurman op stang te jagen.



De waranda, het terras waren sfeervol ingericht en aangekleed. Eenvoudig, maar dat was hun keuze. Eenvoud kan juist zo veel warmte bieden. Ook in het huis was alles zonder overdaad, maar sfeervol. Nee, de echte uitbundigheid was buiten te vinden. De vele planten, groente, natuur... Bloemen.

Voorheen wilde hij blijven, telkens wanneer hij hier was. Iedere keer vertrok hij toch weer spoedig. Ook dan had hij meestal wel een poosje gezeten. Zitten en genieten. Met tegenzin vertrok hij dan. Hij wilde wel blijven, maar behalve de groenten was er niets van hem. Hij was te gast. Nu niet meer. Alles was over. Ja, bijna alles stond en lag er al bij of zij er reeds een poos woonden. Daar hadden zij de voorgaande weken dan ook, in alle rust, hard aan gewerkt. Het ongeloof achtervolgde hem nog over het feit dat hij nu kon blijven. Samen.



De volgende ochtend ontwaakte hij door de mauwende kat, blaffende honden, kakelende kippen en blèrende geiten. Het was een geweldige nacht geweest. Diep had hij geslapen, mooi gedroomd. Op weg naar de keuken werd hij gezelschap gehouden door zijn huisdieren. Eerst voeren, daarna de restjes naar de kippen brengen om vervolgens bij de geiten te kijken. Pas daarna zette hij zich op de waranda, achter een groot glas koele melk. Vroeger had hij inmiddels al een stuk of vier sigaretten weg gewerkt... Nu genoot hij van zijn eerste tabak. Ja, hij bleef roken, maar sporadisch. Dat ging eigenlijk van zelf. Zelfs wanneer hij zat, of zich ontspande was hij druk te genieten. Hij dacht veel minder aan het opsteken van een sigaret. Bovendien had hij, op zich, een vrij vaste structuur. Na het voeten van de dieren las hij een uurtje, dan boog hij zich over de boeken om (nu eindelijk) de taal van het land te leren. Tussendoor was hij door de tuin gegaan. Onkruid kreeg geen kans meer, daar waar het niet gewenst was.

Na het taaluurtje tekende of schreef hij tot aan de lunch. Alleen de middag varieerde van dag tot dag. De avonden waren niet minder veranderlijk. Soms zat hij even te genieten van zijn omgeving. Over het algemeen was hij in beweging. Bezig. Bezig met van alles. En altijd onder het genot van de rust. Zelfs het gebed, vanaf de moskee gesproken, stoorde hem niet. Geluid hier was anders. Het praten van de buren, het passeren van verkeer. Hier klonk het aangenaam. De eerste weken dacht hij bij vrijwel iedere auto dat deze het pad naar hun woning was opgedraaid. Geluid klonk ver weg en toch ook zo nabij. Het gevoel of hij levend in de hemel gekomen was. De dagen kende hij niet meer, tijd was niet van belang. Toch was iedere dag anders. Dit was de plaats waar hij oud wilde worden. Deze omgeving omarmde hem.

Gezeten op een grote kei, achter op het land, mijmerde hij over zijn geluk. Het geluk wat hij zo lang gezocht had, en nu, juist door het ongeluk, op zijn pad was gekomen. Zachtjes streelden vingers door zijn haar. Van zijn haar naar zijn rug. Hij opende de ogen, draaide het hoofd schalks naar op zij. Geruisloos was zij naast hem komen zitten. De kers op de pit van zijn geluk; zijn vrouw. En samen, innig omarmd zaten zij daar, tevreden en gelukkig tot ook die dag de zon achter de bergen onderging en de sterren de hemel vulden.

maandag 20 april 2015

Een dag....

Haast ongemerkt wordt het nachtelijk zwart donkerblauw en met een even grote traagheid kleurt de hemel flets. De wereld is nog in rust gekeerd, alhoewel de kuikens zich uitrekken, het nachthok uitkomen en wat verveelt door de ren schuifelen. De lucht kleurt steeds feller blauw en plots baadt de wereld in een zee van licht. De zon is al boven de horizon, doch niet zichtbaar. Met het tempo van een slak stijgt hij boven de bergen uit en direct verwarmen de stralen de nauwelijks afgekoelde aarde.

Ik lig nog op een oor. Niet meer voor lang. Mauwend loopt de kat de slaapkamer binnen en wandelt dwingend over het dekbed, onderwijl kruipt de hond naar het hoofdkussen. Krabbelend met zijn poten, zijn snuit zich tegen mijn hoofd duwend. De andere hond ligt te slapen en houdt mij in een houtgreep door dicht tegen mij aan op het dekbed te liggen. Desalniettemin vindt het dierenrijk dat ook ik mij moet overgeven aan de nieuwe dag.

Snel schiet ik wat kleren aan en ren naar de badkamer, voor mijn ochtendplas. De honden en kat schieten de badkamer voorbij, de trap af. Wanneer ik naar beneden sukkel draaien drie dieren om mijn benen, de kat nog immer mauwend. Ik loop naar de koelkast, schenk mij melk in en open de deur. In een hand mijn melk, de ander een stoel verplaats ik mij naar voor de waranda, alwaar de zon haar stralen al ten volle laat schijnen. Met lompe geluiden springen de kuikens van het dak (van het nachthok) op de regen plaats en rennen naar het gazen hek. Ik zit. Kat mauwt, honden staren mij aan of ik een grote eetbare worst ben, de kuikens hippen nerveus en in afwachting heen en weer.

Mijn eerste sigaret, na een slok melk. Het is nog vroeg, ze moeten maar even wachten. Na mijn tweede tabak is de melk op. De dieren zijn amper gekalmeerd, maar mijn eerste beweging om op te staan doet alles weer nerveus bewegen. In de keuken maak ik eerst de bak van de kat klaar. Zelfs nadat het bakje neergezet is blijft dat beest doordringend mauwen, haar voer negerend. De honden lopen inmiddels pal voor mijn voeten zodat ik bij iedere stap bijna struikel. Het toverwoord; eten en de twee schieten naar buiten. Een zeer inadequate reactie. Daar komen ze achter en rennen even hard terug. De kleinste loopt, in zijn enthousiasme, tegen de deur. Vervolgens staart ie naar de deur en blaft er tegen of het een vreemde indringer is. De ander staat sowieso luidruchtig te blaffen, met de voorpoten op de lade, waaruit ik het voer heb gehaald. Met moeite lukt het mij de bakken op de grond te plaatsen en noch voor ik overeind gekomen ben zijn de bakken leeg geschranst.

Met een tweede glas melk en mijn agenda ga ik terug naar de stiel buiten, echter niet nadat ik het bakje resten etensvoer van de voorgaande dag over de kuikens heb uitgestrooid. Zich verdringend om het zelfde stukje voer zet ik mij in de stoel. Een sigaret. Een slok. Ik neem mijn agenda en vul mijn activiteiten van de vorige dag in. Geen dagboek, meer een logboek. Soms handig, anders voor wanneer ik seniel word, maar vooral een tik die ik al decennia met mij mee tors.

De zon brandt al. Vest uit. T-shirt volgt snel. Mijn blote benen kriebelen onder het bombardement van UV stralen. De oudste hond ligt alweer biven, de jongste miet op mijn schoot. De kat is zowaar stil. De kuikens zitten gebroederlijk bij elkaar. Ik neem mijn boek en ga lezen. Onderwijl laat ik mij afleiden. Iedere ochtend zelfde tijd passeren dezelfde mensen. De schoolbussen komen in colonne aangereden. De motor met de bereider met het regenboogkleurige vizier heeft nog steeds zijn uitlaat niet laten maken. De dolmus wacht op zijn passagiere die na enkele minuten met versnelde pas aan gerend komt. Soms staat zij er een tijd en is het busje laat. Soms wacht het busje. Vierde sigaret, volgend hoofdstuk. Langzaam keert de rust weer. Een ieder lijkt op de plaats van bestemming.

Inmiddels ben ik alweer bijna twee uur op. De tijd vliegt, het boek spannend en tijd voor koffie. Ondertussen ringelt mijn telefoon; Facetime. Tijdens de koffie een gesprek. Onderwijl roep ik twee maal "good morning", eenmaal naar onze Zweedse buurvrouw, andermaal de buurman.

Het gesprek is afgelopen. De koffiemok leeg. Alle dieren lijken afwezig, zelfs de kat is stil. Ik sta op, breng de mok naar de keuken, neem mijn tekenspullen en installeer mij aan de tafel op de waranda. Mijn lange broek is inmiddels verruilt voor een korte.



Enkele uren zit ik te tekenen. Geconcentreerd en balend dat mijn materiaal inferieur van kwaliteit is. Toch weet ik een resultaat neer te zetten. Meestal geven de wijzers van de klok aan dat het rond een uur is. Mijn portemonnee schuif ik in mijn achterzak en ga op pad brood te kopen. Het heerlijk verse brood snijd ik. Het kontje gaat naar de honden, die alweer voor de voeten lopen of mij debiel aanstaren. Dat moet ik ondergaan tot alle spullen weer op het aanrecht gedeponeerd zijn. Met mijn bordje steven ik weer op de plastic zetel af. Soms is het al zo warm, dat ik mijn brood in de schaduw van de waranda nuttig. Nu niet. Buiten. Vier ogen staren mij aan. De kat rolt zich in de warmte van het stenen pad. De kuiken lopen nerveus achter het gaas. Nadat mijn brood op is krijgen zij stukjes kaas. Vaste prik, ze wachten er op.

Terwijl ik de buitendeur op slot draai, draaien de honden nerveuze rondje om hun eigen as. Wat ik ook aan geef, het gedrag veranderd niet, tot ik met beide benen over het hekje gestapt ben. Ik draai de fiets en duw de handel van de versnelling weer naar benden, open het ijzeren hek en loop naar de stoeprand. Ondanks dat het een damesfiets is zwaai ik moeizaam mijn rechterbeen over het zadel. Ik zet mij af en laat mij rollen. Stijl is het niet, maar het gaat naar beneden. Haast heb ik niet, dus trappen is een overbodige inspanning.

Bij het kantoor eerst de wederzijdse uitwisseling. Dan pak ik wat ik nodig heb en loop naar de marina. Via de loopplank ga ik de boot op, die ik die dag onder handen neem. Schuren en lakken is mijn bijdrage aan het bedrijf van mijn zwager. Lang ben ik niet bezig, soms een uurtje, een enkele keer drie, of vier, uren. Met dezelfde sukkeldraf trap ik weer huiswaarts. Trappen is nodig, daar het nu met vals plat om hoog gaat. Uitgeput kom ik thuis. Het metaal van het hek wekt de honden. Enthousiast komen zij mij tegemoet, alhoewel eentje zijn aandacht halverwege alweer kwijt is. De ander reageert of ik na drie weken weer thuis kom. Wanneer alles tot rust is gekomen en ik een glaasje water heb genuttigd neem ik de boodschappentas. Dezelfde rituelen, als naar de bakker en naar kantoor, volgen. Zelfde slakkengang richting dorp. In mijn hoofd neem ik het boodschappenlijstje door om te bepalen welke volgorde ik de winkels bezoek. Deze ga ik een voor een langs. Inmiddels kent men mij. Ook op straat word ik gegroet en groet ik. Een praatje hoef ik meestal niet te maken, vanwege het taalprobleem. Van de Tangas naar de middenstander, de tabakszaak naar BIM. Afhankelijk van de hoeveelheid boodschappen kies ik de route naar huis. De snelle route is met het valse plat. De andere weg is vlakker, ook iets langer.

Thuis gekomen word ik natuurlijk weer besprongen door de honden. De aandacht van een van hen is wederom snel weer verdwenen. De kat komt mauwend aangelopen en de kuikens kijken mij wat suf aan, vanaf het landje waar zij zich vrij kunnen bewegen. Een gat in het hek geeft hen die ruimte.



Boodschappen opruimen. Tas ophangen. Mail checken, veelal een teleurstellende activiteit. Enerzijds aangaande de inhoudelijkheid van de mails, anderzijds omdat de leuke mails meestal beperkt zijn. Een glas cola. Meestal met twee paracetamol, omdat ik tegen die tijd weer aardig last krijg van mijn hernia. Dan kruip ik in mijn hangmat. De Judasboom (waar de hangmat aan een kant aan hangt) beweegt kort of er een storm heerst, tot de hangmat uitgeslingerd is.  Niet lang daarna lig ik te ronken.  Meestal een half uurtje, hooguit een uur. Ik sta op en begin mijn weer voorzichtig in te pakken; een T-shirt onder mijn overhemd. Vervolgens is het tijd weer bij te komen in het wereldse. Nieuws ontbeer ik, maar via Facebook consumeer ik toch het een en ander.

Daar waar de zin haar laatste stralen in de tuin werpt zet ik mij neer op de plastic stoel, met een biertje en chips. Binnen is het fris. De zon verlaat met haar stralen al snel de muren van het huis, waardoor het huis onprettig koel is. Behalve in de echt warme periode van het jaar. Twee honden zitten mij aan te gapen. De verleiding kan ik nimmer weerstaan en geef de arme stakkers hun stukjes chips.

Dan verdwijnt ook daar de zon. Nu gaat er een vest aan. Langzaam is het weer tijd de dieren te voeren. Een vast ritueel met vaste onderdelen. Nog meer Facebook, mail of ik schrijf wat. Of verdiep mij in een boek. De afwas is inmiddels gedaan. De tweede keer vandaag. Dat moet wel, wil het in huis geen wolk van vliegende insecten geven. Langzaam gaat de zon weer onder. De kuikens houden zich al op in de buurt van de ren. Wanneer ze binnen zijn drentel ik naar het landje en plaats een plank voor het gat. De kippen kunnen er niet uit, maar vooral de egels kunnen niet naar binnen. De schildpadden zijn gelukkig te breed. En te onhandig. Bij de eerste kennismaking van de kuikens met de schildpad waren  de kippen in paniek. Bij paniek rennen zij naar de ren. Soms het hele veld over, waarbij goed te zien is hoe snel een kip kan zijn.

Ondertussen is mijn korte broek alweer vervangen voor een lang exemplaar. Met name wanneer de zin juist onder is. Wordt de wereld even kil om later een aangename avondtemperatuur vast te houden. De klok gaat al richting negen uur. Vol twijfel loop ik naar de keuken. Meestal is het afhankelijk wat er aan niet bevroren vlees is om het menu samen te stellen. Ik kook mijn maaltje, neem alles naar buiten en nuttig het. Twee honden staren mij met treurige ogen aan, de kat loopt mauwend over tafel. Soms ga ik lezen, soms schrijf ik wat. Tot mijn lijf weer gaat opspelen. De diepe pijn in mijn benen, de rusteloosheid in mijn bewegingen om de pijn te verbannen, gepaard met forse scheuren in mijn rug. Vrijwel geen enkele avond leef ik zonder die klachten. Ik ben er aan gewend geraakt.

Buiten. Behalve de elektrische verlichting branden twee olielampjes. De rand van de waranda ziet er vrolijk uit, maar geeft ook een gevoel van een zekere geborgenheid. Ik sta op en loop. IJsberen lijkt het. De nacht is gevallen. De jongste hond blaft. Blaft de hele tijd. Op alles, tot ik hem weer eens vermaan naar binnen te gaan. Wat verwuft drentelt ie dan inderdaad naar binnen. Echter nooit voor lang. Soms komt de andere hond van biven een gerend. Een hoge schrille blaf uitstotend. Pijn aan de oren, vooral ook door de galm van het trappenhuis. Tot ook zij het blaffen moe worden en eindelijk een plekje zoeken om zich te ruste te leggen.

Ik neem mijn medicijnen, rook er nog eentje en ijsbeer door de tuin. Ik bind mijn "bomgordel" (elektrische gordel voor mijn rug) aan. Elf uur, of tegen twaalven. De kat pit. De oudste hond verwarmd het dekbed en de jongste houdt mij nauwlettend in de gaten. Die komt in actie wanneer ik de lichten doof. Wacht bij de deur, loopt achter mij naar boven en wacht aan de zijde van het bed, tot ik mijn hoofd op het kussen heb laten vallen. Ik stop mijn "bomgordel" in het stopcontact. Lekker warm en gaat vanzelf uit. Misschien slaap ik vannacht door. Wellicht. Word ik weer wakker en moet er uit. De dag is voorbij. Alles stil en ik zink weg in dromenland.

maandag 2 maart 2015

Bram

Ja, ik weet niet, maar volgens mij wonen die mensen hier nog niet zo lang. Blèr. Maar goed, het is goed toeven. Goed gras, mooi hok. Hout met voor de ingang een vrij lange overkapping. Goed voor de schaduw, maar ook als het regent kunnen we schuilen. Ja, we. Blèr. Er is ook nog een schaap en sinds kort een ezel. Leuke meid, die ezel. Het schaap is wat meer in zichzelf. Niet onaardig hoor, maar gaat een beetje d'r eigen gang. Blèr. We hebben een aardige wei, met een hek d'r omheen. Maar goed ook, want d'r lopen twee van die witte keffertjes rond. Die hebben altijd een grote bek. Die iele zegt dat hij van de baas zelf is. Blèr. Die krullebol is meer een meeloper, maar schijnt wel de pa van die iele te zijn. Ik denk dat als het hek er niet omheen stond, die gasten ons behoorlijk kunnen treiteren. Ook loopt d'r nog aan kat. Een grijze. Oud wijffie. Totaal niet bang voor ons en loopt rustig tussen ons door. Soms gaat ze languit in ons hooi liggen. Nee, die doet echt geen vlieg kwaad. Blèr. Verder zijn er nog kippen. Een stuk of wat. Die staan meer aan de andere kant van het huis. Ook achter een hek. Zeker ook voor die blafkezen. We kunnen elkaar goed zien, al zit er best nog een stuk land tussen. Daar staan allemaal fruitbomen. Allemaal verschillend. Tussen het huis en de stenen schuur hebben die mensen water gemaakt. Daar springen ze in. Lijkt me ook wel lekker met die warme dagen. Maar goed, dat mens, die man, de baas, heeft voor ons een soort douche gemaakt. Lekker hoor, ik ga d'r wel es effe onder staan. Schaap doet nooit, de ezel wel. Dat schaap is zo stom als een ezel. Blèr.

De mensen noemen mij Bram. Stom, want ik ben een vrouwtje. Ik denk dat ze mij voor mijn melk hebben. Vrij kort nadat mijn kinderen weggehaald werden kwam ik hier. En iedere dag zitten ze aan mijn uiers. Als die vrouw dat doet, is dat best opwindend. Ik weet niet, maar die pakt mijn tepels op een manier die gewoon wel lekker is. Die man, dat is meer een kluns. Het lukt hem ook lang niet altijd mijn melk er uit te wringen. Soms pest ik hem ook lekker. Dan schop ik de emmer om. Blèr. Wat ze met die melk doen weet ik niet. Hij is trouwens verder wel aardig. Hij zorgt goed voor ons hok, het hooi, eten en water. Hij geeft ons ook vrij veel aandacht. Staat soms met ons te knuffelen. Ja, een voor een hoor. Blèr. Volgens mij is die vent een mietje. Maar hij werkt wel hard en zorgt echt perfect voor ons.

Het schaap hebben ze ook een naam gegeven; Bep. En de ezel heet Beethoven. Dat zegt me niks dus, maar het is wel een lange naam. Beethoven heeft het goed, want hij vertelde me eens dat de meeste ezels hier hard moeten werken. Beethoven kan het rustig aan doen. Soms komt er een jonge vrouw. Zij gaat af en toe met Beethoven lopen. Ik heb de baas een keer horen zeggen dat ze Beethoven voor die jonge vrouw hebben aangeschaft en zij heeft die naam verzonnen. Blèr. Als de mensen bij het water zijn (ze zijn dan bijna helemaal bloot) praten ze over van alles. Ja, en zo hoor je nog es wat. Die stenen schuur is trouwens net klaar. Daar hebben ze hard aan gewerkt en dat is me een mooi huisje geworden. Chapeau! Blèr. Als er andere mensen zijn, dan de baas en bazin, worden die in dat hok gezet. 's Nachts alleen hoor. Nou, soms zijn overdag ook in dat hok. Die vreemde mensen doen nooit wat. Ze hangen veel bij dat water, of zijn weg. Dat water noemen ze een zwembad... Zal wel. Ja, het is wel gezellig hier. Goed toeven. Mij hebben ze dus alleen voor de melk. Ik heb horen zeggen dat ze er geitenkaas van proberen te maken. Volgens mij is het alleen nooit gelukt. Van Bep heb ik gehoord dat ze haar hebben vanwege de wol. Bep wordt twee keer per jaar geschoren. Daar komt iemand voor langs. Dat doen onze baas en bazin niet zelf. Maar waarom ze Beethoven hebben... Geen flauw benul. Blèr. Trouwens ik snap dat ook niet van die honden. Wat hebben die nou voor nut? Toch geen enkele? Het zijn alleen maar schijters en herrieschoppers. Die kat, okay, die moet de muizen wegjagen. De kippen geven eieren aan de mensen, maar wat ze met Beethoven moeten. Ze laten hem niet eens werken. En dat beest kan een hoop herrie maken. Oordoppen. Trouwens over oordoppen gesproken. Even verderop staat een toren. Bovenop een blauwe punt. Ik weet niet hoe vaak per dag staat er een vanaf te schreeuwen. Een hoop kabaal, maar tjonge wat is dat geluid slecht. Pijn aan je oren gewoon. Hopeloos. Het kraakt en er zit een hoge piep in, dat je bijna niet hoort wat de stem zegt. Niet erg hoor, want ik versta hem toch niet. Ik zou niet weten waarom die man van de toren blaast. Soms hoor ik ook een vrouw. Die stem komt uit palen. Daar staan er meer van in het dorp. Ze praat heel netjes en vertelt de mensen allemaal dingen over het dorp. Wel grappig, want je hoort haar een paar keer vlak achter elkaar. De ene paal is sneller dan de andere. Blèr.



Soms mag ik op stap, zal ik maar zeggen. Meestal word ik dan aan een lang touw gezet, dat ze met een stuk ijzer in de grond pluggen. Dan heb ik een stukje vers gras. Ja, die mensen hebben een hoop gras hoor. Meer dan het stuk waar wij staan. En als ik dan aan het touw mag, mag Bep vaak ook. Een enkele keer mag ik zelfs zonder touw. Ja, ik heb het veel te goed hier, dus ik kijk wel uit om weg te lopen. Blèr. Bep ziet dat geloof ik anders. Alhoewel. Ik weet eigenlijk niet waarom ze niet zonder touw buiten ons veldje mag. Nou, misschien toch wel. Als we buiten zijn kunnen die keffertjes bij ons. Ik reageer er niet meer op. Ze gaan hun gang maar. Bep daarentegen blijft maar reageren. Het lijkt wel of ze bang voor die gassies is. Wanneer die witte honden op haar af rennen wil ze alle kanten opschieten. Ik heb wel eens gehoord dat een kudde schapen, verderop, ook bij elkaar gehouden wordt door honden. Wij geiten blijven vanzelf wel bij elkaar in de buurt. Ach, zo is ieder dier weer anders, blèr.

Mijn leventje is wel goed hier. Ik kan het met iedereen goed vinden. Mijn natje en mijn droogje wordt uitstekend verzorgd, dus wat wil nog meer? Ja... Dat weet ik wel hoor. Een lekkere bok! Ik hou wel van een goeie bokkensprong. En weer opnieuw jonge geitjes krijgen. Nu hoorde ik laatst dat de baas het er over had voor mij een goeie bok te laten komen. Nou, laat maar komen hoor, blèr blèr.

Een poos geleden hoorde ik een raar verhaal, dat mensen voor bok spelen. Die zijn gestoord! Laten ze het met hun eigen soort doen! Nee, ik wacht lekker op mijn bok. Het idee al... Blèr, blèr, blèr, blèr, blèr....

woensdag 14 januari 2015

Hedwig

Laat ik met de deur in huis vallen; ik ben een luie poes. Ik ben ook erg op mij zelf absoluut geen jager. Nooit geweest, maar nu ben ik al op leeftijd. Mijn leven is niet slecht. Wel een tijdje was het wat minder. In het vorige huis. Dat kwam door de honden. Een van die honden had het niet zo op mij.

Als kitten kwam ik bij mijn bazin. Een aardige vrouw hoor, maar wel erg ongedurig. Ze schreeuwt nogal eens naar dieren. Of dat helpt. Volgens mij niet. Ik luister in ieder geval niet. Toen ik bij haar in huis was woonde er al een andere poes. Die is al heel lang dood en ik kan mij er weinig meer van herinneren. Een tijdje was ik alleen bij mijn bazin. Ze gaf mij aandacht, eten en een warme kamer. Overal had ze warme plekjes. Van die grote stoelen, met zachte kussens. Daar lag ik graag in. Lang was ik niet alleen. Op een dag kwam de bazin met een klein wit hondje. Ook een vrouwtje. Het was een huis vol vrouwtjes. De bazin had namelijk ook twee kittens. Die waren trouwens soms wel erg druk. Maar goed, het hondje kwam. Ik stelde mij netjes voor: "Hoi, ik ben Hedwig, de poes des huizes."  Het hondje negeerde me een beetje, maar later (toch wel een paar dagen later) stonden we plots tegenover elkaar. "De bazin noemt mij Klaartje. Ze heeft mij uit de winkel. Ze zeggen dat ik een Westey ben, een konijnenjager. Ben jij een konijn?" Die vraag verbaasde mij enigszins, "nee joh, ik ben een poes. Ik ben heel anders." " Ik weet dat niet. Ik heb geloof ik nog nooit een konijn gezien. Wat ze me verteld hebben, nou dan lijk jij ook wel iets op een konijn." Argeloos trok ik mijn schouders op. Honden zijn nu eenmaal dommer, dan wij katten. Honden lopen ook altijd achter hun baasje aan en luisteren. Wij katten gaan lekker onze eigen gang.

Maar goed, als die Klaartje denkt dat ik een konijn kan zijn moet ik maar een beetje oppassen, dacht ik. Veel contact hadden Klaartje en ik dan ook niet. We gingen onze gang en zorgden er voor elkaar niet in de weg te lopen. Mijn leventje ging lekker door, tot na een paar jaar nóg een hondje bij de bazin kwam. Ook een jong ding. Een jongetje dit keer. "Hoi, hoe heet jij? Ik ben Hedwig. Ben jij ook een konijnenjager?" Grappig, het hondje begon met zijn staart te kwispelen, keek me met een vrolijke snuit aan en zei:" Bram is mijn naam. Ik kom uit een winkel. De bazin vond mij daar heel zielig zitten en ik keek héél lief. Toen nam ze mij mee. Ik ben er voor de gezelligheid van Klaartje. Wat is trouwens een konijn?" Zo, zo, meneer was duidelijk anders dan zijn vrouwelijke metgezel. Bram leek mij ook wel een aardige hond. Ook wit trouwens, maar volgens mij was ie stronteigenwijs.

Met Bram kon ik het wel vinden en Bram kon goed opschieten met Klaartje. Alles leek toen koek en ei. Het huis was groot genoeg voor ons drietjes. We mochten ook bij de bazin slapen. Bram aan de ene kant en ik lag vaak aan het voeteneind. Of omgekeerd. Klaartje kwam niet op bed. Ja, soms even bij het slapen gaan, maar het liefste lag zij op het warme kleedje, ernaast.

Er ging weer een tijdje voorbij. Op een dag zag ik Bram bovenop Klaartje. Ja, ik wist mooi wat er gebeurde. Katten zijn immers slim. De bazin kwam net thuis. Nou, die was me een partij druk en haalde de twee honden uit elkaar. Helemaal begrijpen doet ik het niet, want die honden maakten toch geen ruzie? Tja, en als twee honden op elkaar zitten kan je er op wachten. Inderdaad, op een middag lag Klaartje op een doek. De bazin was er bij, en nog een vrouw. Vanaf de stoelleuning zag ik het. Net een wit drolletje. Klaartje had een kindje gekregen. Een kitten, al heet dat bij honden een puppy. Maar het leek niet zo goed te gaan. Bram deed ook zenuwachtig, "hé Hedwig, weet jij wat er aan de hand is?" Zonder mijn blik van het klein witte geval af te wenden antwoordde ik:" Bram, ik denk dat je vader wordt." "Vader, wat is dat?" "Vader, is dat je een kindje hebt gemaakt bij Klaartje. En Klaartje krijgt nu een kindje van je."  Hier had Bram geen antwoord meer op. In de kamer werd het ook stil. Ik hoorde de mensen praten, dat het hondje dood was. De mensen pakten het hondje in allemaal spullen, zodat je hem niet meer zag.

Later die dag werd het weer druk in huis, en 's avonds ging de bazin weg. Klaartje was mee. Het duurde heel lang voor ze terug kwamen. Dat weet ik nog, want ze waren vergeten mij eten te geven. Nu had ik niet echt honger, maar ze moeten mij wel netjes op tijd mijn eten geven. Wanneer ze terug kwamen hadden ze nog iets bij zich. Weer zo een klein wit geval. Klaartje had dus een tweeling in haar buik. En deze, die leefde nog. Een leuk diertje. Het duurde wel een tijd voor ie kon praten en lopen ging ook niet zo vlot. Maar dat gaat, bij ons katten, ook langzaam. Wat mij wel irriteerde is dat de mensen zo veel aandacht aan dat kleine ding gaven. Hij, het bleek een jongetje, werd zelfs met lepeltjes gevoerd. En ik werd wat vergeten. Inmiddels was er ook een baasje in huis. Hij was het baasje van het jonge hondje. Een rustige vent, maar ik had niet zo veel met hem. Hij was ook regelmatig weg. Soms nam hij het jonge hondje mee. Bertje werd het hondje genoemd. Met Bertje was het wel druk in huis. Zijn baasje ging steeds minder weg. Bertje is een vrolijke noot en erg snugger voor een hond. Ik vind hem alleen veel te enthousiast. Daarvoor ben ik een te luie poes. Bertje denkt, als ie me ziet, ook dat ik een speeltje ben. Dat zei die later ook, toen hij kon praten. Dat kwam door hoe ik mij bewoog. Dat vond hij leuk. Bovendien vindt hij katten gewoon leuk.

Lang bleef het allemaal niet zo. We gingen naar een ander huis. Ik vond dat er teveel honden waren, en sinds Bertje er was zat Klaartje mij steeds op de hielen. In het nieuwe huis ben ik boven gaan wonen. Lekker rustig. De baas kwam regelmatig langs. Ik heb het niet zo op mensen, maar hij is wel aardig. Hij gaf mij iedere dag eten en aaide mij. Eerst moest ik daar niet zo veel van weten, maar eigenlijk beviel het me wel. Ik werd toen wat aardiger tegen hem.

Overdag was ik dus veel alleen, maar ik kon altijd naar buiten. Via het dak. Nou prima, zo vaak ging ik toch niet. Ik slaap meestal. Dat vind ik lekker. Als de bazin naar bed kwam ging ik tegen haar aan liggen. De honden bleven nu beneden, dus lekker rustig voor mij. En kwam de baas, dan moest hij mij eerst even aaien, voordat hij onder de dekens mocht. Ik moet zeggen, die man kan heerlijk aaien. Ik ga dat steeds meer waarderen.

Een paar jaar was dat mijn leventje, tot afgelopen zomer. Ik merkte wel dat er iets gaande was. De baas en bazin waren druk bezig in het huis. Vreselijk was dat. Ook werd het huis steeds leger. Tot op een dag, dat ik in een kooi werd gezet. Heel vroeg ik de ochtend. De kooi werd in de auto gezet. Achterin. Op de achterbank zaten Klaartje, Bram en Bertje. De auto was ook helemaal vol en er zat nog een groot ding achter. Toen gingen we rijden. Vervelend was dat. Ik mauwde wat af, maar ze bleven rijden. De hele dag door. Tegen de avond stopten ze. De kooi werd uit de auto gehaald. Er stond een raar huis. Ik werd in een slaapkamer gezet, maar je kon door de muren heen kijken. De mensen noemden het een tent. De honden mochten niet in mijn kamer. Ik mocht ook niet naar buiten. Die mensen hebben het wel geprobeerd. Aan een lijntje. Ja, nou ik ben mooi geen hond hoor. Ik laat mij niet aan een lijntje houden. Dus, zat ik in de kooi of in de slaapkamer. Een paar dagen ging het zo door. Toen kwamen we in een stenen huis. Er was maar een kamer. Toen heb ik maar even ingegrepen:" Klaartje, nu moet je even luisteren. Ik heb niks met je en jij niet met mij, maar ik ben dus geen konijn. Ik geloof dat we hier met zijn allen moeten zitten. Laten we elkaar een beetje met rust houden." Klaartje, inmiddels ook al een oude hond;" okay. Je hebt gelijk. Jongens, Bram en Bertje, jullie houden je ook rustig. Begrepen?" De twee heren blaften instemmend. En zo hielden we het uit. En dat duurde nog twee kamers, waarvan er eentje wel heel klein was. Inmiddels zat ik al bijna een week opgesloten. Buiten werd het ook steeds warmer. Soms, als we met de auto stopten, werd ik aan het lijntje uitgelaten. Dat liet ik maar over me heen komen, anders bleef ik in die kooi.

Na een hele lange en warme dag kwamen we hier aan. Ik mocht uit de kooi. Een heel huis waar ik door heen mocht lopen. En ook kon ik zo naar buiten. Alleen, overal waar ik kwamen, liepen ook die honden. Klaartje negeerde mij, alhoewel ze soms dacht dat ik toch een konijn was, "ja, sorry, ik zie niet meer zo best. Dan lijk je nóg meer op een konijn."  Bertje ging weer met mij spelen, maar wanneer ik een tik uitdeelde (ik hield wel mijn nagels in hoor) stopte hij wel weer een poosje. Toch probeerde ik de boel wat te ontwijken. In de tuin maakte ik kennis met een kitten. Aardig beestje, maar hij sprak een andere taal. De mensen vonden hem erg leuk. Hij kreeg meer aandacht, dan ik. Ook Bertje kon gewoon met hem spelen. Toch heb ik die kat op een gegeven moment maar weggejaagd. Zo kreeg ik weer wat meer aandacht. Toch trok ik mij terug. Ik had pijn en voelde mij niet lekker. De mensen gingen met mij naar de dierendokter. Die voelde wat en ik kreeg prikken. Meer dan een dag zat ik weer in die kooi. Toen bracht de dierendokter mij weer thuis. Omdat ik me nog niet lekker voelde verstopte ik me weer. Ik kwam alleen wanneer de bazin mij riep. Op een gegeven moment was de bazin er niet meer. Toen kwam ik wel, als de baas riep. Op een dag kwam ik en bracht hij me helemaal naar boven in het huis. Daar heeft ie me een tijdje opgesloten. Maar goed, het was er warm en ik kreeg veel eten. Ook kwam hij regelmatig langs om mij te knuffelen. En buiten was het ook niet meer alles. Nadat ik een poosje in die kamer heb gezeten mocht ik weer overal heen. En ik krijg nu twee keer per dag eten! Bovendien staan er altijd brokjes. Ik heb het zo slecht nog niet. Mijn leventje bevalt me wel. Niet zo heel lang geleden is Klaartje dood gegaan. Ik heb haar nog zien liggen in een kistje, op tafel. Dat had de baas gemaakt. Daarna hebben ze Klaartje weggebracht. Nu leef ik met Bram en Bertje. Dat gaat goed hoor. Ik heb geen last van ze. Tegenwoordig beweeg ik mij overal en lig vooral veel in de grote kamer. Daar is het lekker warm en ik word veel geknuffeld. Vooral door de baas. Ik mauw wat af, maar het werkt wel. De bazin kan daar niet zo goed tegen. Die denkt dat ik alleen maar wil eten. Nee hoor, ik wil ook lekker geknuffeld worden. Of ik wil dat ze binnen komen, waar het warm is. En soms sta ik met Bram en Bertje op de uitkijk. Een enkele keer doe ik een rondje door de tuin. Verder slaap ik lekker veel, want (zoals ik al zei) ik ben een luie poes. De baas knuffelt me, Bram laat me voor wat het is en Bertje moet ik af en toe zijn plaats wijzen. Nu Klaartje dood is ben ik immers de baas van de dieren.

vrijdag 21 november 2014

in den vreemde: verblijven (21)

Wanneer je in een ander land bent of langduriger verblijft is het vaak nodig om een verblijfvergunning te regelen. Daarnaast moet je wonen. In beide gevallen een interessante kennismaking met de Turkse riten en denkwijzen. Dat laatste vooral van de rijken trouwens.

Je krijgt een visum van 180 dagen, maar daar van mag je er maar 90 in het land zijn. Onze 90 dagen zaten er bijna op. Drie dagen voor tijd togen wij naar Fethiye naar de “customs”. Daarvoor waren wij op weg naar het belastingkantoor. De routebeschrijving gaf een geheel andere locatie aan, edoch wij vonden het gebouw. Zo ontvingen wij een belastingnummer. Volgens onze gegevens moesten we vervolgens een bankrekening openen. Dus wij naar Japie Krediet (Yapikredi). Nee, er moest nóg een nummer zijn, anders kon er geen rekening geopend worden. We moesten dat nummer op het politiebureau halen. Op het politiebureau werden wij verwezen naar “customs”. En ja, aldaar werd ons uitgelegd wat er allemaal nog was aan formulieren, handtekeningen en andere rotzooi. Eerst echter moesten we naar een of ander kantoor, naast de grote Migros. Daar waar wij begrepen dat ze ons hadden uitgelegd zagen we niets. Op zoek naar de andere Migros, die ik wel wist, en… niks. Terug naar de ”customs”… echter opeens zien we iets met de naam van de gemeente en verdomd, tussen de bomen verscholen een grote Migros. Met pijn en moeite kon ik de auto fout parkeren, terwijl Reina zich al in een rij gevoegd hadden. Bij navraag moesten we de trap op. Niks duidelijk, maar de ambtenaar die wij hopeloos vastklampten bracht ons naar een stoffig kantoor. Daar zaten vieren mensen. Thee te leuten en te kletsen. Een der dames gebood ons nors te zitten en plaatste haar handtekening op een vaag document, waarvan ik niet eens meer kon herleiden hoe het in ons bezit was gekomen. Nu konden we terug naar de belastingen en betalen. Dat waren nog eens drie handelingen op twee etages, waar op de eerste etage (Kat is het Turkse woord voor verdieping/etage) de eerste meneer (die ons aanvankelijk het belastingnummer gegeven had) geen idee had wat we kwamen doen, terwijl we bij zijn collega twee meter verderop moesten zijn. Met de reçu’s terug naar de Customs (die aanhalingstekens worden me nu te veel). Alles werd doorgenomen, maar: er was een document nodig, dat konden we downloaden. Er was een document nodig, dat was bij de Muhtar in ons eigen dorp, en van de ziektekostenverzekering moest er nog iets komen. Voorts moest het paspoort langs de notaris en officieel worden vertaald…  het is dus maar hoe je het verzint.
Met andere woorden, onze missie in Fethiye zat er voor die dag op en wij keerden huiswaarts. Aldaar aangekomen vonden we inderdaad het document op internet en printten het uit. Pasfotootjes er op en netjes (blokletters) invullen. Alle kopietjes gedraaid en nu op zoek naar de Muhtar (de vertaling in het Nederlands is ook alleraardigst: Baljuw… echt uit een vorig tijdperk dus). Via drie deuren werd mij iets gewezen wat om 1 uur weer open ging. Ik effe na die tijd naar het pand. Nee, niet hier, maar achter. Ik werd geleid naar een kleine ruimte, een mix tussen en bijna leeg kantoor en een niet lopende kapperszaak. Een ietwat sullige man, met een fabriek gebreide muts op bleek de Muhtar. Mijn spullen halen en jawel. Met enige tegenzin (hij was immers druk verwikkeld in een spel domino) deed hij tien minuutjes druk voor mij. Een papiertje en een hoop stempels en met de Pritt stift plakte hij de pasfoto’s er op. 10 Lira en alles was voor mij.

Allee de Noter (notaris) nog. Dat was alleen in Fethiye. Een klus voor de volgende dag. En dat ging heel soepeltjes. Ik parkeerde de auto nog geen vijftig meter  van de deur vandaag. Een schimmige trap leidde ons naar een al even schimmig kantoor. Prima, we waren goed. Maar, de vertaler moest komen. Die was er overigens binnen tien minuten. Een vertaler Nederlands… nee, nu ben ik te optimistisch. Een Turk, die goed Engels sprak en vele paspoorten vertaalde. Ik heb hem vijf keer bij die vertaling moeten helpen. De nodige stempels erop en vol vertrouwen naar de Customs. Terecht, er was nog maar een missertje. De gedownloade formulieren moesten getypt. Schuin tegen over was een winkel, daar deden ze het… De derde winkel was inderdaad raak. Aan de buitenkant zag ik niets over vertalingen en documenten, maar wel alles over boten, verkoop, verhuur en dergelijke. Maar deze meneer was zo vrij mij een stoel aan te bieden en begon te typen. Vingertje voor vingertje. Om die reden is de prijs, denk ik opgelopen tot 30 lira. Bijna 200 voor de notaris, 30 voor de typgeit, 10 aan de Muhtar, 460 belastingen… zou het nu in orde zijn?

JA! De aanvraag was in orde. Overigens een dag later had Reina het land uit gemoeten. Alhoewel dat niet hoefde, omdat we de 17e de aanvraag officieel gestart waren. Dan heb je alleen daarvoor al tien dagen de tijd (dus had Reina zeven dagen kunnen winnen). En nu… wachten. Het duurt een dag of veertig en dan schijnt er een pakketje per post te komen met de officiële verblijfpapieren voor het komende jaar.
In ieder geval kennen we Fethiye inmiddels behoorlijk goed, weten we bijna van alles wat we waar vinden, zijn we flink wat lira’s lichter inzake de bizarre vormen van bureaucratie en zijn we toch weer twee dagen van de straat geweest.

Tja en wat doe je dan? Waar we nu wonen zijn we niet echt tevreden. Veel herrie (stof is slecht voor de longen van Reina), een toch wel donker huis. Dus je gaat je wat oriënteren. Meer is het niet, want we kunnen ons financieel niet echt veel permitteren. En al zoekend valt op dat er veel leeg staat hier. Langs de grote weg zagen we een leuke woning. Niet zo heel groot, wel met zwembad en de herrie was te behappen. De eigenaar is een Turk, woonachtig in Istanbul. Dan moet je eigenlijk al op je tellen gaan passen. Inderdaad: 1500 euro per maand. Dat huis stond vanaf de bouw al leeg (minimaal vier jaar), in het zwembad groeiden de draad algen… en met een stalen smoel vraagt ie prijzen, waar je in de Randstand nog een forse villa voor moet aanbieden. En zo hebben we meer ervaringen me huizen en Turken. Ze vangen graag het onderste uit de kan, of helemaal niks. Huizen staan lang leeg, soms worden ze zomers verhuurd (overigens voor forse bedragen), anderen blijven leeg. Maar 10 weken vakantie leveren meer geld op dan een jaar reguliere verhuren. Dan maar geen geld. Dat interesseert die gasten toch niks. Ze wonen chique in Istanbul, bulken van het geld en verder interesseert het ze geen ene bal. Die vreemde woningmarkt staat in schril contrast me de bureaucratie, zoals wij die in Fethiye tegen kwamen. Een ding is inmiddels duidelijk; generaliseren is in Turkije onbegonnen. Gelukkig maar. De huizen staan overal, maar wij hebben een dak boven ons hoofd. Verder zie we het wel….


zondag 1 september 2013

Palio

Palio

In de Italiaanse stad Sienna wordt twee maal per jaar een paardenrace gehouden op een groot, schelpvormig plein. Zo'n zeventien wijken strijden tegen elkaar , met vijftigduizend toeschouwers op het middenplein. Een grote happening, bekend als de Palio van Sienna. National Geografic heft hier onder andere een schitterende documentaire over gemaakt.

Een kenmerk van de Palio is dat de paarden zich door de bochten dringen om voorop te komen. Een kenmerk, wat ik dagelijks thuis beleef. Ondanks eerder gebrom liggen de hondjes weer rustig op de bank, in het voorste deel van de kamer. Wanneer ik op bepaalde tijden richting keuken loop spitsen zij de oren. Het toverwoord "eten" klinkt als en startschot. Nog niet uitgesproken en onze twee reuen sprinten naar buiten, elkaar zijwaarts verdringend. Hierbij moeten enkele bochten genomen worden, die beide dieren zo strak mogelijk willen nemen. Met ongekende snelheid en geluiden. Ja, dan denk ik aan de Palio en overvalt mij ook een bescheiden vakantie gevoel.

Waarom dat gespuis zo snel naar buiten rent, bij voorkeur naar achter in de tuin, is mij een groot raadsel. Immers, de bakjes voor het hondenvoer vul ik in de keuken. Afhankelijk van de tijd komen ze snel terug naar de keuken om als circushondjes op de achterpoten te gaan dansen. Ons oude teefje richt zich op, maar heeft inmiddels de steun van mijn been nodig. En vervolgens wordt in bijna een gelijk tempo het voer naar binnen geschrokt.
Mijn hondjes in de bocht vind ik wel leuk. Met die paarden bij de Palio heb ik toch wat meer moeite, maar goed die lopen ook niet geheel uit eigen vrije wil hun rondjes.

Boven woont overigens de kat. Een tengere grijs/witte poes. In het vorige huis leefde de dierengemeenschap nog gezamenlijk, maar na  de verhuizing verkoos mevrouw een leven op de eerste etage, en onder het dak., op zolder. Hier geen wedrennen, rond het eten. De poes doet mij wat dat betreft meer denken aan de stierengevechten. Wanneer zij het onooglijk
kleine speelgoedmuisje tegenkomt verandert de kat in een bulderende stier die bovenop zijn prooi duikt en capriolen maakt of zij haar belager kwijt wil. Nu bespringt een stier zelden zijn prooi en heeft onze kant geen bereider, maar mijn denken in metaforen schiet soms wat door.

Het is maar goed dat ik niet nog meer huisdieren heb.... Oeps, dat is niet helemaal war. In onze vijver zitten nog en aantal vissen. Ja, die zien we zeker als onder huisdieren. Kikkers, padden en salamanders niet, maar de vissen wel. Een aantal hebben zelfs een naam. In de ochtend komt de zwerm naar de vaste hoek gezwommen. Eerst wordt er dan "lekkers" gestrooid (vier zonder enige voedingswaarde) om vervolgens het voedzame (en velen malen duurdere) voer over de vijver te verspreiden. Vooral leuk, wanneer er korrels op de bladeren van waterlelie terecht komen. Met wilde bewegingen trachten de vissen de korrels van het blad in het water te krijgen. Meestal met succes.
 

Ja, de Palio is een geweldig spektakel en een oergezellig feest. Dagelijks geniet ik van de miniatuurversie bij mij thuis. Geweldig, dat wanneer je niet op vakantie gat, je de vakantie in huis kan halen.