Posts tonen met het label zon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zon. Alle posts tonen

zondag 16 augustus 2015

In den vreemde: warmte (51)

Vroeger smachtte ik met enige regelmaat naar warmte. De Hollandse zomers konden niet warm genoeg zijn en de winters duurde mij veel te lang. Als het aan mij lag was ik  zo veel mogelijk buiten. Alleen stelde ik wel de voorwaarde dat de temperatuur hoog genoeg was. Wellicht een van de redenen dat ik in het verleden meermalen afgereisd ben naar mediterrane landen en vooral tropische oorden.

In feite heb ik het zeer zelden (zeg nooit; nooit) te warm. Warmte doet mij letterlijk leven. Zo was ik in 1980 in Egypte, mijn hoogste temperatuur ervaring ooit; 51 graden Celsius. Ik bezocht Luxor en deed een boottrip op een feloeka. Iedereen lag op apegapen, lag bewegingsloos op een zo koel (minst warme) plaats, waar het evenmin uit te houden was. Naast mijn wandeling in de historische omgeving zorgde ik op de boot voor lichte beweging. Natuurlijk was het bloedheet, maar het was duidelijk dat ik minder last van de warmte had, dan de passievelingen. Dat bleek ook, nadat een enkeling mijn voorbeeld volgde en zich duidelijk prettiger voelde.

Met name tijdens mijn tropische reizen en verblijf ben ik veelal redelijk actief gebleven. Daarbij overdreef ik wel eens door iets té actief te zijn. In Gambia ging dat bijna mis, nadat ik een wandeltocht van bijna 18 km maakte, grotendeels in de volle zon, zonder enige vorm van drinken. Dat was een onverwachte omstandigheid, maar bij de eerste gelegenheid dronk ik wel direct liters vocht.



Het leven in Turkije kan dan ook niet anders dan bij mij passen, ten aanzien van de weersomstandigheden. En ja, een terugblik op het afgelopen jaar toont dat ik nauwelijks echt binnen ben geweest. Zeker overdag. In totaal (op een heel jaar) heb ik mij tien, hooguit twintig dagen binnen opgehouden. Eerder tien, denk ik, en dan nog ook die dagen bevond ik mij regelmatig buiten, omdat we binnen niet roken. En ik ben best een stevige roker... De avonden heb ik wel vaker binnen door gebracht, maar dat is op zich minder erg. Destijds hadden we nog geen tv, maar ik las veel en we deden spelletjes of hadden visite.

Een leven wat mij in dat opzicht dus al bevalt. En buiten kan je vrijwel alles doen wat je anders binnen doet, maar het voelt wat frisser. Frisser in de zin van frisse lucht, niet in de zin van koude. Daarbij merk je dat je lichaam binnen het jaar zich aan de omstandigheden aan lijkt te passen. Op Curacao kan ik mij herinneren dat we al een keer zaten te rillen toen het tijdens een regenbui 24 graden is. In deze tijd hebben we het soms al kil bij 27 graden.

De andere kant is dat ik het afgelopen jaar de werkelijke betekenis van de "gevoelstemperatuur" heb leren ervaren. Op zich zegt het streepje op de thermometer geen drol. Het kan zelfs boven de dertig aan wijzen en toch niet lekker voelen, terwijl bij 25 graden op de meter je loopt te puffen. De gevoelstemperatuur kan met gemak meer dan tien graden verschil geven, dan de thermometer aan geeft. Ook in de winter is er verschil, alhoewel het dan wel minder extreem is. En juist die gevoelstemperatuur maakt dat we zo makkelijk buiten kunnen leven. Immers, zelfs in januari hebben we al koffie in het zonnetje gedronken.



Toch heeft Turkije een voordeel ten opzichte van tropische oorden. Ik betrapte mij er, wonder boven wonder op, dat ik iets had van; het mag nu wel even een dagje wat frisser zijn (nu wel wat betreft de temperatuur). Tot begin juni koelt het 's avonds af. Niet veel, maar genoeg om iets aan te trekken. Daarna, tot begin september, blijft het ook in de avonduren warm en zelfs 's nachts zit ik vaak in mijn naakte reet op het terras (wanner bijvoorbeeld mijn rugpijn mij het bed uit jaagt) zonder het koud te hebben. Het is dan wel net lekker. Mijn gedachte is iets waarvan ik mij nooit heb kunnen voorstellen, dat dit in mij op zou komen. Het verbaast mij enigszins. Misschien heeft het te maken met dat ik gisteren een keuken gesloopt en geplaatst heb. Of dat ik pas om elf uur mijn bed uit kwam, vandaag. Normaliter sta ik op tussen half zeven en acht uur... Hoe dan ook, ik ervaar deze gedachte aks frappant. Past niet bij mij.

De andere kant is, dat wanneer ik in tropisch gebied zou leven, dergelijke gedachten spinsels wellicht vaker door het hoofd zouden gaan. Hier en nu denk ik; ach, nog een maandje en de avonden worden weer iets koeler. Af en toe weer een vestje aan. Een gedachte die je op de been houdt.

Bovendien zijn juli en augustus de warmste maanden hier. En behalve dat, er valt ook geen enkele druppel regen. Het dreigt wel, maar op de een of andere manier gaat het telkens om ons heen. Donkere wolken, bliksemflitsen, we zien het, maar het komt in deze periode niet naderbij. Toch, enkele kilometers landinwaarts kan een stevige bui wel los barsten. Ook, vorige week, in Izmir, brak er een geweldig onweer los. Ik reed daar overigens net aan voor uit, maar kreeg toch al enkele druppels mee.

Het laatste jaar in Nederland volgde ik de weerberichten van Turkije met boven gemiddelde interesse. Niet omdat we tien het plan hierheen hadden al geopperd hadden, maar omdat mijn schoonzus zei dat het hier een van de zonnigste steken van het land is. Inderdaad is opgevallen dat de weerkaarten van het Journaal wel wolken en regen aan gaven in Turkije, maar deze locatie er vrijwel altijd nét buiten viel. Haar woorden waren dus niet gelogen en inmiddels ervaren wij het aan den lijve. Morgen een jaar geleden zijn we uit Driehuis vertrokken. Komend weekend zijn we hier de kalender rond. Inmiddels kunnen we er over mee praten. Alleen, of we nu (voor hier) een extreem koude en natte winter hadden zullen we nog moeten vergelijken, komende winter.



Een mens zit vreemd in elkaar. En ieder mens is daarin uniek. We kunnen zeggen dat het warm is, of koud, maar niemand beleeft het op gelijke wijze. Neem nou die Ice-man. Voor geen goud zou ik met hem willen ruilen en hij denk ik evenmin met mij.



Iedere ochtend sta ik op, kijk naar buiten en concludeer: het is mooi weer. Qua weer ben ik er niet meer zo mee bezig, zoals ik in Nederland alles bij hield. Wel ben ik veel meer bezig met de temperatuur en de gevoelstemperatuur. Tja, ik blijf Nederlander natuurlijk....

maandag 20 april 2015

Een dag....

Haast ongemerkt wordt het nachtelijk zwart donkerblauw en met een even grote traagheid kleurt de hemel flets. De wereld is nog in rust gekeerd, alhoewel de kuikens zich uitrekken, het nachthok uitkomen en wat verveelt door de ren schuifelen. De lucht kleurt steeds feller blauw en plots baadt de wereld in een zee van licht. De zon is al boven de horizon, doch niet zichtbaar. Met het tempo van een slak stijgt hij boven de bergen uit en direct verwarmen de stralen de nauwelijks afgekoelde aarde.

Ik lig nog op een oor. Niet meer voor lang. Mauwend loopt de kat de slaapkamer binnen en wandelt dwingend over het dekbed, onderwijl kruipt de hond naar het hoofdkussen. Krabbelend met zijn poten, zijn snuit zich tegen mijn hoofd duwend. De andere hond ligt te slapen en houdt mij in een houtgreep door dicht tegen mij aan op het dekbed te liggen. Desalniettemin vindt het dierenrijk dat ook ik mij moet overgeven aan de nieuwe dag.

Snel schiet ik wat kleren aan en ren naar de badkamer, voor mijn ochtendplas. De honden en kat schieten de badkamer voorbij, de trap af. Wanneer ik naar beneden sukkel draaien drie dieren om mijn benen, de kat nog immer mauwend. Ik loop naar de koelkast, schenk mij melk in en open de deur. In een hand mijn melk, de ander een stoel verplaats ik mij naar voor de waranda, alwaar de zon haar stralen al ten volle laat schijnen. Met lompe geluiden springen de kuikens van het dak (van het nachthok) op de regen plaats en rennen naar het gazen hek. Ik zit. Kat mauwt, honden staren mij aan of ik een grote eetbare worst ben, de kuikens hippen nerveus en in afwachting heen en weer.

Mijn eerste sigaret, na een slok melk. Het is nog vroeg, ze moeten maar even wachten. Na mijn tweede tabak is de melk op. De dieren zijn amper gekalmeerd, maar mijn eerste beweging om op te staan doet alles weer nerveus bewegen. In de keuken maak ik eerst de bak van de kat klaar. Zelfs nadat het bakje neergezet is blijft dat beest doordringend mauwen, haar voer negerend. De honden lopen inmiddels pal voor mijn voeten zodat ik bij iedere stap bijna struikel. Het toverwoord; eten en de twee schieten naar buiten. Een zeer inadequate reactie. Daar komen ze achter en rennen even hard terug. De kleinste loopt, in zijn enthousiasme, tegen de deur. Vervolgens staart ie naar de deur en blaft er tegen of het een vreemde indringer is. De ander staat sowieso luidruchtig te blaffen, met de voorpoten op de lade, waaruit ik het voer heb gehaald. Met moeite lukt het mij de bakken op de grond te plaatsen en noch voor ik overeind gekomen ben zijn de bakken leeg geschranst.

Met een tweede glas melk en mijn agenda ga ik terug naar de stiel buiten, echter niet nadat ik het bakje resten etensvoer van de voorgaande dag over de kuikens heb uitgestrooid. Zich verdringend om het zelfde stukje voer zet ik mij in de stoel. Een sigaret. Een slok. Ik neem mijn agenda en vul mijn activiteiten van de vorige dag in. Geen dagboek, meer een logboek. Soms handig, anders voor wanneer ik seniel word, maar vooral een tik die ik al decennia met mij mee tors.

De zon brandt al. Vest uit. T-shirt volgt snel. Mijn blote benen kriebelen onder het bombardement van UV stralen. De oudste hond ligt alweer biven, de jongste miet op mijn schoot. De kat is zowaar stil. De kuikens zitten gebroederlijk bij elkaar. Ik neem mijn boek en ga lezen. Onderwijl laat ik mij afleiden. Iedere ochtend zelfde tijd passeren dezelfde mensen. De schoolbussen komen in colonne aangereden. De motor met de bereider met het regenboogkleurige vizier heeft nog steeds zijn uitlaat niet laten maken. De dolmus wacht op zijn passagiere die na enkele minuten met versnelde pas aan gerend komt. Soms staat zij er een tijd en is het busje laat. Soms wacht het busje. Vierde sigaret, volgend hoofdstuk. Langzaam keert de rust weer. Een ieder lijkt op de plaats van bestemming.

Inmiddels ben ik alweer bijna twee uur op. De tijd vliegt, het boek spannend en tijd voor koffie. Ondertussen ringelt mijn telefoon; Facetime. Tijdens de koffie een gesprek. Onderwijl roep ik twee maal "good morning", eenmaal naar onze Zweedse buurvrouw, andermaal de buurman.

Het gesprek is afgelopen. De koffiemok leeg. Alle dieren lijken afwezig, zelfs de kat is stil. Ik sta op, breng de mok naar de keuken, neem mijn tekenspullen en installeer mij aan de tafel op de waranda. Mijn lange broek is inmiddels verruilt voor een korte.



Enkele uren zit ik te tekenen. Geconcentreerd en balend dat mijn materiaal inferieur van kwaliteit is. Toch weet ik een resultaat neer te zetten. Meestal geven de wijzers van de klok aan dat het rond een uur is. Mijn portemonnee schuif ik in mijn achterzak en ga op pad brood te kopen. Het heerlijk verse brood snijd ik. Het kontje gaat naar de honden, die alweer voor de voeten lopen of mij debiel aanstaren. Dat moet ik ondergaan tot alle spullen weer op het aanrecht gedeponeerd zijn. Met mijn bordje steven ik weer op de plastic zetel af. Soms is het al zo warm, dat ik mijn brood in de schaduw van de waranda nuttig. Nu niet. Buiten. Vier ogen staren mij aan. De kat rolt zich in de warmte van het stenen pad. De kuiken lopen nerveus achter het gaas. Nadat mijn brood op is krijgen zij stukjes kaas. Vaste prik, ze wachten er op.

Terwijl ik de buitendeur op slot draai, draaien de honden nerveuze rondje om hun eigen as. Wat ik ook aan geef, het gedrag veranderd niet, tot ik met beide benen over het hekje gestapt ben. Ik draai de fiets en duw de handel van de versnelling weer naar benden, open het ijzeren hek en loop naar de stoeprand. Ondanks dat het een damesfiets is zwaai ik moeizaam mijn rechterbeen over het zadel. Ik zet mij af en laat mij rollen. Stijl is het niet, maar het gaat naar beneden. Haast heb ik niet, dus trappen is een overbodige inspanning.

Bij het kantoor eerst de wederzijdse uitwisseling. Dan pak ik wat ik nodig heb en loop naar de marina. Via de loopplank ga ik de boot op, die ik die dag onder handen neem. Schuren en lakken is mijn bijdrage aan het bedrijf van mijn zwager. Lang ben ik niet bezig, soms een uurtje, een enkele keer drie, of vier, uren. Met dezelfde sukkeldraf trap ik weer huiswaarts. Trappen is nodig, daar het nu met vals plat om hoog gaat. Uitgeput kom ik thuis. Het metaal van het hek wekt de honden. Enthousiast komen zij mij tegemoet, alhoewel eentje zijn aandacht halverwege alweer kwijt is. De ander reageert of ik na drie weken weer thuis kom. Wanneer alles tot rust is gekomen en ik een glaasje water heb genuttigd neem ik de boodschappentas. Dezelfde rituelen, als naar de bakker en naar kantoor, volgen. Zelfde slakkengang richting dorp. In mijn hoofd neem ik het boodschappenlijstje door om te bepalen welke volgorde ik de winkels bezoek. Deze ga ik een voor een langs. Inmiddels kent men mij. Ook op straat word ik gegroet en groet ik. Een praatje hoef ik meestal niet te maken, vanwege het taalprobleem. Van de Tangas naar de middenstander, de tabakszaak naar BIM. Afhankelijk van de hoeveelheid boodschappen kies ik de route naar huis. De snelle route is met het valse plat. De andere weg is vlakker, ook iets langer.

Thuis gekomen word ik natuurlijk weer besprongen door de honden. De aandacht van een van hen is wederom snel weer verdwenen. De kat komt mauwend aangelopen en de kuikens kijken mij wat suf aan, vanaf het landje waar zij zich vrij kunnen bewegen. Een gat in het hek geeft hen die ruimte.



Boodschappen opruimen. Tas ophangen. Mail checken, veelal een teleurstellende activiteit. Enerzijds aangaande de inhoudelijkheid van de mails, anderzijds omdat de leuke mails meestal beperkt zijn. Een glas cola. Meestal met twee paracetamol, omdat ik tegen die tijd weer aardig last krijg van mijn hernia. Dan kruip ik in mijn hangmat. De Judasboom (waar de hangmat aan een kant aan hangt) beweegt kort of er een storm heerst, tot de hangmat uitgeslingerd is.  Niet lang daarna lig ik te ronken.  Meestal een half uurtje, hooguit een uur. Ik sta op en begin mijn weer voorzichtig in te pakken; een T-shirt onder mijn overhemd. Vervolgens is het tijd weer bij te komen in het wereldse. Nieuws ontbeer ik, maar via Facebook consumeer ik toch het een en ander.

Daar waar de zin haar laatste stralen in de tuin werpt zet ik mij neer op de plastic stoel, met een biertje en chips. Binnen is het fris. De zon verlaat met haar stralen al snel de muren van het huis, waardoor het huis onprettig koel is. Behalve in de echt warme periode van het jaar. Twee honden zitten mij aan te gapen. De verleiding kan ik nimmer weerstaan en geef de arme stakkers hun stukjes chips.

Dan verdwijnt ook daar de zon. Nu gaat er een vest aan. Langzaam is het weer tijd de dieren te voeren. Een vast ritueel met vaste onderdelen. Nog meer Facebook, mail of ik schrijf wat. Of verdiep mij in een boek. De afwas is inmiddels gedaan. De tweede keer vandaag. Dat moet wel, wil het in huis geen wolk van vliegende insecten geven. Langzaam gaat de zon weer onder. De kuikens houden zich al op in de buurt van de ren. Wanneer ze binnen zijn drentel ik naar het landje en plaats een plank voor het gat. De kippen kunnen er niet uit, maar vooral de egels kunnen niet naar binnen. De schildpadden zijn gelukkig te breed. En te onhandig. Bij de eerste kennismaking van de kuikens met de schildpad waren  de kippen in paniek. Bij paniek rennen zij naar de ren. Soms het hele veld over, waarbij goed te zien is hoe snel een kip kan zijn.

Ondertussen is mijn korte broek alweer vervangen voor een lang exemplaar. Met name wanneer de zin juist onder is. Wordt de wereld even kil om later een aangename avondtemperatuur vast te houden. De klok gaat al richting negen uur. Vol twijfel loop ik naar de keuken. Meestal is het afhankelijk wat er aan niet bevroren vlees is om het menu samen te stellen. Ik kook mijn maaltje, neem alles naar buiten en nuttig het. Twee honden staren mij met treurige ogen aan, de kat loopt mauwend over tafel. Soms ga ik lezen, soms schrijf ik wat. Tot mijn lijf weer gaat opspelen. De diepe pijn in mijn benen, de rusteloosheid in mijn bewegingen om de pijn te verbannen, gepaard met forse scheuren in mijn rug. Vrijwel geen enkele avond leef ik zonder die klachten. Ik ben er aan gewend geraakt.

Buiten. Behalve de elektrische verlichting branden twee olielampjes. De rand van de waranda ziet er vrolijk uit, maar geeft ook een gevoel van een zekere geborgenheid. Ik sta op en loop. IJsberen lijkt het. De nacht is gevallen. De jongste hond blaft. Blaft de hele tijd. Op alles, tot ik hem weer eens vermaan naar binnen te gaan. Wat verwuft drentelt ie dan inderdaad naar binnen. Echter nooit voor lang. Soms komt de andere hond van biven een gerend. Een hoge schrille blaf uitstotend. Pijn aan de oren, vooral ook door de galm van het trappenhuis. Tot ook zij het blaffen moe worden en eindelijk een plekje zoeken om zich te ruste te leggen.

Ik neem mijn medicijnen, rook er nog eentje en ijsbeer door de tuin. Ik bind mijn "bomgordel" (elektrische gordel voor mijn rug) aan. Elf uur, of tegen twaalven. De kat pit. De oudste hond verwarmd het dekbed en de jongste houdt mij nauwlettend in de gaten. Die komt in actie wanneer ik de lichten doof. Wacht bij de deur, loopt achter mij naar boven en wacht aan de zijde van het bed, tot ik mijn hoofd op het kussen heb laten vallen. Ik stop mijn "bomgordel" in het stopcontact. Lekker warm en gaat vanzelf uit. Misschien slaap ik vannacht door. Wellicht. Word ik weer wakker en moet er uit. De dag is voorbij. Alles stil en ik zink weg in dromenland.

donderdag 5 februari 2015

Black Panter

Hoor, het gekrijs van de brulapen. Een diepe roffel met een snelle herhaling. Nee, het is geen gekrijs, meer diep geloei. Krijsen dien die andere jongens. Die met die kleuren en door de lucht vliegen. Vaak scheren ze met z'n tweeën hoog over me heen. Soms zijn ze met een hele groep. Ja, die apen die vogels zijn de lawaaimakers, hier in het oerwoud. Niet dat er geen andere geluiden zijn... O nee, wanneer je goed luistert hoor je heel veel dieren. Ach, ook ik kan brommen. Mijn geluid is laag, de aarde trilt er een beetje van. Over het algemeen laat ik mij niet horen. U begrijpt wel, ik houd van afzondering. Ondanks mijn gitzwarte vacht weet ik mij goed schuil te houden. Soms zijn er dieren in het woud, die ik niet begrijp. Hoe moet ik ze omschrijven? Laat ik een poging doen. Als eerste lijken ze wat op een van mijn prooien; het doodskopaapje. Alleen wel tien keer groter. Ook lopen ze rechtop. Dat is niet bijzonder, want er zijn meer apen die rechtop lopen. Alleen deze hebben vreemde vachten. Glad, maar wel soepel. En van onderen hebben ze rare dikke poten. Allemaal hebben ze een andere vacht en andere poten. Ze bewegen duidelijk anders, maar ze dragen ook van alles bij zich. Geen idee wat, want ik herken het niet. Het lijken wel losse vachten. En op hun kop hebben ze onder hun vacht haar. Een enkeling heeft geen vacht, maar alleen haar.  Die dieren komen altijd in kleine kuddes, maken hele vreemde geluiden en wanneer zij stoppen dien ze dingen die ik niet begrijp. Uit de vacht bouwen ze een hol, of is het een nest? Ze kunnen vuur maken en boven dat vuur doen ze glimmende dingen, die na een tijdje gaan roken.

Ja, ik heb deze dieren een paar keer gezien. Een keer ben ik ze een tijd gevolgd en heb ik gekeken hoe zij doen. Andere dieren hebben mij gewaarschuwd voor deze dieren. Ondanks dat ik niet de indruk kreeg schijnen ze behoorlijk gevaarlijk te zijn. Ze jagen ook niet zoals wij dat kennen... Ze hebben iets in hun poten, waarmee ze jagen. Soms geeft het een knal. U begrijpt, ik heb mij iedere keer goed schuil gehouden. Die vreemde dieren hebben mij niet gezien.

Mijn leven in het woud is niet slecht. Een rustig leven. Ik heb eigenlijk geen vijanden. Ik moet alleen wel eten, ik eet vlees, dus moet ik soms een dier vangen. Daar zit wel eens een soortgenoot van een vriend tussen. Zoals de doodskopaapjes en de canibara's. Daar heb ik wel contact mee, maar ze zijn ook mijn voedsel. Om te eten probeer ik dan dieren te vangen, die ik niet ken. Lukt alleen niet altijd.



Goed, ik ben dus zwart, maar dat had ik al gezegd, toch? Ik heb een stevige kop, en mijn ogen zijn geen, met een zwarte streep. Dat zie ik, wanneer ik uit de rivier drink. Een soortgenoot van mij is niet zwart, maar bruin, wat gevlekt. We ontmoeten elkaar soms. De ene keer gaat dat goed, de andere keer verjagen we elkaar. Nogmaals, ik ben erg op mijzelf, maar dat is mijn soort ook. Zowel de zwarten, als de bruin gevlekten. Per dag kan ik uren slapen. Dat vind ik heerlijk. Lekker liggen en ontspannen. Ik luister dan naar de geluiden van het woud en kijk naar de dieren, groot en klein, die mij (op gepaste afstand) passeren. Ook heerlijk is het in de rivier te springen. Een beetje afkoeling, want het is natuurlijk altijd warm. Waar ik leef komt de zon gelukkig nauwelijks. Ik moet mij immers een beetje schuil houden, en dat doe ik in het woud, onder de bomen. Daar dringt de zon nauwelijks door. Soms krijg ik wel de volle zon, pff dat voel ik direct. Het lijkt wel of mijn vacht dan staat te koken. Wacht even, ik moet mij even uitrekken. De dag is alweer een tijdje bezig. Vanmorgen heb ik gegeten, later gezwommen en zojuist heb ik een poosje heerlijk geslapen. Bij voorkeur lig ik dan in een boom. Ja, niet hoog hoor, gewoon op een lage tak. Op de grond lig ik ook graag, op een stapel bladeren. Lekker zacht. Alleen dan heb je weer kast van al die hele kleine beestjes. Daar kan ik geen bal mee.

Wacht! Stil! Ik hoor takken bewegen. Met mijn buik bijna op de grond sluip ik nu een stukje richting dat geluid, wat ik hoor. Stop! Nog wat lager. Ha, daar, ik zie het. Tussen de bladeren door. Een, twee, drie vier,... Acht. Acht van die apen met gladde vacht. Hé, wacht even. Twee hebben helemaal geen gladde vacht. Die hebben een dunne vacht. Ze zijn ook donkerder. Hun vacht is net zo zwart als mijn vacht. Raar, die twee dragen stokken in hun poten. Ze lopen voorop. Voorzichtig loop, nee kruip, ik iets naar achteren. Wat een rare apen. Hmm, ze komen een beetje deze kant op. Even wat verder naar achteren, oh, en hier achter die stam. Zo, nu heb ik mij wat beter verstopt. Ik zie die apen nu alleen wel wat moeilijker... Ah, daar. Zo'n donkere. Hij staat nu eigenlijk vlak bij mij. Ik kan hem aanvallen en weg jagen. Nee, dat doe ik niet. Ik weet niet wat die anderen uit die kudde dan doen. Ik houd mij wel stil. Nu gaat hij weer iets verder weg, gelukkig. Die hele groep staat nu bij elkaar. Ze maken vreemde geluiden. Hé, wat gaan die raar zitten... Op hun billen. Rare beesten. En wat doen ze nu? Wat is dat? Ze pakken iets, doen daar wat mee, en dan pakken ze hun voer eruit. Met hun voorpoten stoppen ze het in hun bek.. Ja, dit is toch echt een apensoort. Ze zitten nu al even... Hoe kom ik hier nu weg? Ik ben veel te dichtbij. Ik doe mijn best. Heel voorzichtig draaien nu en langzaam voor uit. Zo laag mogelijk bij de grond. Ja, volgens mij ben ik nu wel ver genoeg. Ik doe nog even wat passen.  Zo, nu kan ik mijn gang weer gaan. Laat ik de rivier oversteken en nog een eindje lopen. Verderop is nog een plek, waar ik heerlijk kan slapen. Al met al alweer een hele actieve dag. Nee, ik ben geen luiaard... Dan ben ik echt stukken actiever en dertig keer leniger. Raar, ik weet eigenlijk niet eens precies wat ik ben. Het soort niet en ook heb ik geen naam. Ach, wat maakt het ook uit. Ik mag niet klagen. Mijn leven is vrij ontspannen, dat is voor mij voldoende. Kijk, daar is die plek, waar ik het zo juist over had. Vol bladeren, lekker zacht. Ik ga liggen en luister. De geluiden komen van alle kanten. Mijn neus zit vol geuren. Wanneer ik geniet maak ik een zacht knorrend geluid. Ik geniet nu. Mijn dag was weer goed, net als deze plek. U begrijpt, ik ben wel moe nu. Welterusten...

dinsdag 3 februari 2015

In den vreemde: wanneer de bergen branden (29)

Wanneer de bergen branden zit ik loom, iets onderuit gezakt, op het terras. De regen heeft haar laatste druppels op het pad uiteen laten spatten. Bladeren fonkelen van de dikke druppels in het vaal schijnende zonlicht. Ik tuur voor mij uit. Ik zit droog, onder de overkapping van het terras. Steeds feller branden de zonnestralen door het dunne wolkendek. Voor mij begint de berg te branden. Pluimen stijgen traag op. Hier en daar, dik en dun. Het lijkt of overal de bomen schroeien van vuur. Vlammen zijn er niet. Vuur ontbreekt. Brand zonder vuur. Hoe feller de zon, des te dikker dansen de wolken het bos ontstijgend. Ik draai mijn hoofd naar links, de bergen daar. Dikke pluimen dwalen boven de kronen. De wolken stijgen op uit het niets. Sommige houden op te stijgen en verdwijnen traag in het niets. Andere zoeken elkaar op om samen te smelten tot een ondoorzichtig dikke brei van waterdeeltjes. Langzaam stijgend en uiteindelijk op te gaan in de wolken die eerder hun druppels op de aarde hebben laten vallen. Ik buig naar voren en steek een sigaret op. Een kringetje dwarrelt omhoog en lost snel op. Sneller dan waar ik naar kijk. Ik sluit mijn ogen, koesterend in de zon. Mijn oren horen. Het gekwetter van vogeltjes. Overal zijn kleine vogeltjes met diverse uiterlijken. Al weken pogen wij te achterhalen tot welke soorten en families de kleine fladderaars gehoren. Wij komen er niet uit. De soorten komen niet overeen met de soorten op de iPad. De geluiden klinken anders. Het prachtige gezang echter streelt mijn oren, keer op keer. Zuivere noten, levendige melodieën. Vrolijk gekwetter. Ondertussen is de zon weer schuil gegaan achter een grijze massa. De eerste druppels spatten alweer op het stenen pad naar de weg. Grijs zijn nu de bergen, verscholen achter een gestage regenval. Ondertussen zingen de vogels of de zon de aarde nog steeds verwarmt. In rijen valt de regen gestaag, vrijwel loodrecht, naar beneden. Het geluid van opspattend water onder de wielen van de passerende auto's.

Een lichte koude trekt van de stenen vloer door mijn sokken omhoog. Het is niet onaangenaam buiten, evenmin uitnodigend. Het weer zit er tussen in. De temperatuur danst op en neer, afhankelijk van de dikte van het wolkendek. Mijn bovenlichaam voelt behaaglijk en blijf het gezang van de vogels aan horen. Het intrigeert, het streelt het gehoor. Soms wil ik wel zo een gevleugelde vriend zijn. Onbezorgd. Vrij. Is dat een vink, een mees, mus of ander soort?



Wederom breekt de zon door het wolkendek. Desondanks is het nog niet geheel gestopt met regenen, maar de bergen beginnen weer voorzichtig te branden. Op de zachte wind verschuift de rook zich zonder haast opzij. Bij de bergen, links van mij, ontbreekt de wind en klimmen de pluimen langzaam hemelwaarts. Een nauwelijks waarneembare schaduw. Do zon twijfelt haar stralen in volle glorie op de aarde te laten stralen. Dan worden de schaduwen scherp en contrasten groot. De bergen links zijn uit beeld. Een dikke massa pakt zich samen om het bos te verlaten. Hoger en hoger, tot zij zich weer samenvloeien met de wolken van de regen. De vogels worden stiller onder de snel brandende zon. Niet voor lang. De schaduwen worden milt, contouren vervagen. Het gekwetter neemt direct weer toe. Overal schieten de kleine diertjes van tak naar tak. Snel, of ze haast hebben. De schaduwranden zijn verdwenen, maar regendruppels blijven zich in het wolkendek nestelen. Steeds meer kleine vogels. Het lijkt of de mussen in de vijg wachten tot wij hen weer voer brengen, zoals de afgelopen dagen. De zon schijnt nu weer krachtig. In de bergen wordt het helder. Hier en daar stijgt nog een klein plukje op om snel te verdampen en te verdwijnen in het niets. Geamuseerd kijk ik toe hoe twee duiven elkaar verleiden. Een auto passeert met hoge snelheid. Water spat al niet meer op. Snel was het water verdwenen. Van het wegdek, uit de bergen. Of de tekenaar met zijn potlood de lijnen opnieuw trekt. De randen van de bergen, de contouren van de bomen. De schilder brengt kleur terug en maakt de bomen weer groen, schildert de lucht blauw. Te weinig verf, het blauw verdwijnt. Het nieuw water verbleekt het groen. Nauwelijks merkbaar daalt het water in haast nevel zo fijn. Het hele spel herhaalt zich. Opnieuw en opnieuw. Telkens branden de bergen, kwetteren de vogels en doen auto's het water weer opspatten. Snel achtereenvolgend van droog naar nat, van nat naar droog. Ik rek mij uit. Als geplakt aan het terras blijf ik zitten. Mijn voeten versteend, mijn torso warm. Wanneer de bergen branden zit ik graag op het terras en geniet van de natuur om mij heen. Genot....

woensdag 28 januari 2015

Januari

Het is nog steeds niet voorbij; januari. De maand die nooit op houdt, een half jaar duurt en waar iedereen juist zo snel mogelijk van af wil. Of je nu in Nederland, of in Turkije zit, die maand komt maar niet om. En dat terwijl de dagen razendsnel aan je voorbij schieten. Wat wil je ook, januari bestaat uit een rits korte dagen. In december zijn de dagen ook kort, maar heb je het zo druk met van alles, dat december "gezellig" is. Januari niet. Er is niets in januari, dus ervaren we de korte dagen en de lange maand. De jaarwisseling lijkt al een eeuw geleden, maar het is nog immer januari. De tijd lijkt stil te staan.

Wanneer ik, voortijdig, terugblik zie ik wat ik allemaal al niet gedaan heb in deze maand. Dan denk je bijna, dat je al een jaar bezig bent. In deze maand zijn we al naar Ortaca, Muğla én twee keer in Fethiye geweest. Daarnaast ben ik al een keer of zes op de berg geweest, heb ik 10 zakken kolen gebrand, een zak hout, drie dagen in de penarie gezeten, een leuke tochtje gemaakt, weliswaar in combinatie met Fethiye, maar toch en we hebben met de honden gewandeld. Ja, zelfs meer dan een keer. Chapeau, voor mijzelf.

En het blijft maar januari.



Het lijkt ook wel dat de maand nooit op houdt door het weer. Dat slaat weer op ons bioritme. Rond deze tijd hunkeren onze lijven weer naar vitamine D. Hier ook, het is al een dag of vijf wisselend, met regelmatig regen, veel bewolking en weinig zon. Ik ga neigen te zeggen, dat ik niet meer weet hoe de zon er uit ziet. Gelul natuurlijk. Zelfs vandaag heeft ie nog fel geschenen. Maar, het is nog niet je van het. Overdag zit je wel buiten, maar binnen is het aangenamer. Daarbij, je lichaam past zich aan. Is het nu 14 graden, dan voelt dat als vier graden in Nederland. Vorige week hadden we het bij 20 graden zelfs frisjes, terwijl je in Nederland een moord doet voor twintig graden in januari.



Er is iets met januari. Het is een verdomd mystieke maand. En ieder jaar het zelfde gevoel. Pas eind van de maand merk je dat de dagen beginnen te lengen. Ha, eindelijk. Dat is januari, als ie voorbij is heeft de mens weer perspectief. Dan hebben we het weer over de lente, hoe voorbarig ook, de vakanties en de dagen worden nu merkbaar langer.

De tijd lijkt toch stil te staan, het blijft maar januari.



Januari is de maand van niks. Ja, overlast en een haast stilstaande tijd in de paradox met de tijd die vliegt. Maar wat is januari nu eigenlijk. De echte winter is, in Nederland, pas in februari. December is nog te veel herfst. In februari komen de sneeuwklokjes uit, en gaan de eerste bloemen weer bloeien. In januari bloeit alleen de Helleborus. Wit of lila, maar vooral groen. Januari is net een meisje van dertien; er net tussen in. Misschien daardoor dat deze maand altijd zo lang lijkt. Er is niks te beleven. Tenminste, geen spannende dingen. Ja, hooguit verjaardagen. Ook overlijden er altijd relatief veel mensen in januari (overigens ook in juli, naar het schijnt).  Verder, weinig. Alles sukkelt weer door in het gestage levenstempo. Mensen doen rustig aan, na alle feestdagen. Het tempo is ook even uit de mensen. Ik weet het niet, het blijft maar januari...