Posts tonen met het label melk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label melk. Alle posts tonen

dinsdag 9 juni 2015

Gökceovaçık

Langzaam minderde de auto vaart. De bocht naar links was scherp en smal. Bovendien was juist deze bocht bezaaid met los liggende steenslag. Zoals meestal ondervond de auto geen tegenliggend verkeer. Nog een honderd meter asfalt, en even zo vele gaten, dan sloeg de auto rechts het grindpad op. Nu ging het stapvoets. De wind tochtte door de opengedraaide ramen. Verder was er het geluid van niks, behalve het zacht ronken van de motor. Bij de ingang van de tuin moest nog een kuil genomen worden. Eindelijk doemde het huis op. Verscholen tussen het groen en verstopt achter grote oude druivenstruiken. Nadat de motor uitgeschakeld werd was er stilte. Een natuurlijke stilte. Het zacht ruizen van blaadjes, een kraaiende haan op afstand.

Hij bleef nog even zo zitten. Genieten van de omgeving, maar vooral de vocale rust. Nee, uitstappen maakte nu even te veel lawaai. Het blik van de autoportieren zou de rust van dit moment verstoren. Ook al zou diezelfde rust na het sluiten der portieren weer aanwezig zijn, en zelfs alle harde mechanische geluiden doen vergeten, dit moment moest even gepakt worden.

Het duurde een tijd, wellicht een kwartier, alvorens hij het portier opende en de auto verliet, zonder het portier weer te sluiten. Een kleine kat lag kronkelen aan zijn voeten te mauwen. Vogels zongen in de verte. Met trage bewegingen verroerde hij zich. Eerst richting het huis, dan naar het overgroeide terras. De druivenbladeren hielden vrijwel alle zon tegen, wat het zeer aangenaam maakte. Zijn ogen tuurden de struik af. De plant droeg een onnavolgbare hoeveelheid trossen. De druiven begonnen zich voorzichtig te vormen. Dan ging hij zitten. Ondanks dat het een bank van steen was, zat deze aangenaam. Met bijna vertraagde beweging volgden zijn ogen en hoofd de omgeving. Van de oprit, tot het hele huis. Zijn mondhoeken vormden een bescheiden, echter zeer tevreden glimlach.



Het was niet de eerste keer dat hij hier was. Vele keren waren voor gegaan. Telkens voor korte duur. Dit keer zou hij blijven. Dit werd zijn nieuwe thuis. Een plek die al als zodanig voelde, nog voor dit moment. Vol ongeloof wandelde hij nog rond het huis, door de tuin, over het land. Nog voor de verhuizing had hij hier en daar al wat sporen achter gelaten. Ter voorbereiding van de verhuizing. Op enkele plaatsen groeide groente uitbundig. Hier en daar had hij al een aantal bloeiende planten aan de grond toevertrouwd. Inmiddels was het van het hek tot de woning een oase van bloemen en planten. Verder zou het land het landelijke karakter behouden. Dat had hij met haar besproken. De woning toonde zich een woonhuis, maar de omgeving gaf het meer het etiket van een hoeve. Het kon hem niet schelen. Het was zoals hij zich wenste.

De kippen scharrelden in hun nieuwe onderkomen. Ja, ze hadden zelfs een nieuw nachthok gebouwd. Het oude, wat er reeds stond (en half vervallen was) hadden zij geïntegreerd in het nieuwe hok. Het schuine pannendak domineerde het beeld. Achter het huis graasden de twee nieuwe geiten. In de oude schuur vonden zij het nachthok, en verder konden zij relatief vrij grazen. De poes rekte zich uit in de schaduw, inmiddels vriendschap gesloten met de kleine kat. De honden lagen in de zon te slapen... De zinderende hitte kon hen blijkbaar niet deren. Alleen de ezel was er nog niet. Ja, een ezel hoorde er ook bij.

Hij vond het wel storend dat het nieuwe hekwerk er nog zo nieuw uit zag. Te veel glans, te strak gezet. Toch snel zo'n honderd meter had hij geplaatst. Dan konden de honden zich vrij bewegen, zonder de kippen en schapen van de buurman op stang te jagen.



De waranda, het terras waren sfeervol ingericht en aangekleed. Eenvoudig, maar dat was hun keuze. Eenvoud kan juist zo veel warmte bieden. Ook in het huis was alles zonder overdaad, maar sfeervol. Nee, de echte uitbundigheid was buiten te vinden. De vele planten, groente, natuur... Bloemen.

Voorheen wilde hij blijven, telkens wanneer hij hier was. Iedere keer vertrok hij toch weer spoedig. Ook dan had hij meestal wel een poosje gezeten. Zitten en genieten. Met tegenzin vertrok hij dan. Hij wilde wel blijven, maar behalve de groenten was er niets van hem. Hij was te gast. Nu niet meer. Alles was over. Ja, bijna alles stond en lag er al bij of zij er reeds een poos woonden. Daar hadden zij de voorgaande weken dan ook, in alle rust, hard aan gewerkt. Het ongeloof achtervolgde hem nog over het feit dat hij nu kon blijven. Samen.



De volgende ochtend ontwaakte hij door de mauwende kat, blaffende honden, kakelende kippen en blèrende geiten. Het was een geweldige nacht geweest. Diep had hij geslapen, mooi gedroomd. Op weg naar de keuken werd hij gezelschap gehouden door zijn huisdieren. Eerst voeren, daarna de restjes naar de kippen brengen om vervolgens bij de geiten te kijken. Pas daarna zette hij zich op de waranda, achter een groot glas koele melk. Vroeger had hij inmiddels al een stuk of vier sigaretten weg gewerkt... Nu genoot hij van zijn eerste tabak. Ja, hij bleef roken, maar sporadisch. Dat ging eigenlijk van zelf. Zelfs wanneer hij zat, of zich ontspande was hij druk te genieten. Hij dacht veel minder aan het opsteken van een sigaret. Bovendien had hij, op zich, een vrij vaste structuur. Na het voeten van de dieren las hij een uurtje, dan boog hij zich over de boeken om (nu eindelijk) de taal van het land te leren. Tussendoor was hij door de tuin gegaan. Onkruid kreeg geen kans meer, daar waar het niet gewenst was.

Na het taaluurtje tekende of schreef hij tot aan de lunch. Alleen de middag varieerde van dag tot dag. De avonden waren niet minder veranderlijk. Soms zat hij even te genieten van zijn omgeving. Over het algemeen was hij in beweging. Bezig. Bezig met van alles. En altijd onder het genot van de rust. Zelfs het gebed, vanaf de moskee gesproken, stoorde hem niet. Geluid hier was anders. Het praten van de buren, het passeren van verkeer. Hier klonk het aangenaam. De eerste weken dacht hij bij vrijwel iedere auto dat deze het pad naar hun woning was opgedraaid. Geluid klonk ver weg en toch ook zo nabij. Het gevoel of hij levend in de hemel gekomen was. De dagen kende hij niet meer, tijd was niet van belang. Toch was iedere dag anders. Dit was de plaats waar hij oud wilde worden. Deze omgeving omarmde hem.

Gezeten op een grote kei, achter op het land, mijmerde hij over zijn geluk. Het geluk wat hij zo lang gezocht had, en nu, juist door het ongeluk, op zijn pad was gekomen. Zachtjes streelden vingers door zijn haar. Van zijn haar naar zijn rug. Hij opende de ogen, draaide het hoofd schalks naar op zij. Geruisloos was zij naast hem komen zitten. De kers op de pit van zijn geluk; zijn vrouw. En samen, innig omarmd zaten zij daar, tevreden en gelukkig tot ook die dag de zon achter de bergen onderging en de sterren de hemel vulden.

maandag 20 april 2015

Een dag....

Haast ongemerkt wordt het nachtelijk zwart donkerblauw en met een even grote traagheid kleurt de hemel flets. De wereld is nog in rust gekeerd, alhoewel de kuikens zich uitrekken, het nachthok uitkomen en wat verveelt door de ren schuifelen. De lucht kleurt steeds feller blauw en plots baadt de wereld in een zee van licht. De zon is al boven de horizon, doch niet zichtbaar. Met het tempo van een slak stijgt hij boven de bergen uit en direct verwarmen de stralen de nauwelijks afgekoelde aarde.

Ik lig nog op een oor. Niet meer voor lang. Mauwend loopt de kat de slaapkamer binnen en wandelt dwingend over het dekbed, onderwijl kruipt de hond naar het hoofdkussen. Krabbelend met zijn poten, zijn snuit zich tegen mijn hoofd duwend. De andere hond ligt te slapen en houdt mij in een houtgreep door dicht tegen mij aan op het dekbed te liggen. Desalniettemin vindt het dierenrijk dat ook ik mij moet overgeven aan de nieuwe dag.

Snel schiet ik wat kleren aan en ren naar de badkamer, voor mijn ochtendplas. De honden en kat schieten de badkamer voorbij, de trap af. Wanneer ik naar beneden sukkel draaien drie dieren om mijn benen, de kat nog immer mauwend. Ik loop naar de koelkast, schenk mij melk in en open de deur. In een hand mijn melk, de ander een stoel verplaats ik mij naar voor de waranda, alwaar de zon haar stralen al ten volle laat schijnen. Met lompe geluiden springen de kuikens van het dak (van het nachthok) op de regen plaats en rennen naar het gazen hek. Ik zit. Kat mauwt, honden staren mij aan of ik een grote eetbare worst ben, de kuikens hippen nerveus en in afwachting heen en weer.

Mijn eerste sigaret, na een slok melk. Het is nog vroeg, ze moeten maar even wachten. Na mijn tweede tabak is de melk op. De dieren zijn amper gekalmeerd, maar mijn eerste beweging om op te staan doet alles weer nerveus bewegen. In de keuken maak ik eerst de bak van de kat klaar. Zelfs nadat het bakje neergezet is blijft dat beest doordringend mauwen, haar voer negerend. De honden lopen inmiddels pal voor mijn voeten zodat ik bij iedere stap bijna struikel. Het toverwoord; eten en de twee schieten naar buiten. Een zeer inadequate reactie. Daar komen ze achter en rennen even hard terug. De kleinste loopt, in zijn enthousiasme, tegen de deur. Vervolgens staart ie naar de deur en blaft er tegen of het een vreemde indringer is. De ander staat sowieso luidruchtig te blaffen, met de voorpoten op de lade, waaruit ik het voer heb gehaald. Met moeite lukt het mij de bakken op de grond te plaatsen en noch voor ik overeind gekomen ben zijn de bakken leeg geschranst.

Met een tweede glas melk en mijn agenda ga ik terug naar de stiel buiten, echter niet nadat ik het bakje resten etensvoer van de voorgaande dag over de kuikens heb uitgestrooid. Zich verdringend om het zelfde stukje voer zet ik mij in de stoel. Een sigaret. Een slok. Ik neem mijn agenda en vul mijn activiteiten van de vorige dag in. Geen dagboek, meer een logboek. Soms handig, anders voor wanneer ik seniel word, maar vooral een tik die ik al decennia met mij mee tors.

De zon brandt al. Vest uit. T-shirt volgt snel. Mijn blote benen kriebelen onder het bombardement van UV stralen. De oudste hond ligt alweer biven, de jongste miet op mijn schoot. De kat is zowaar stil. De kuikens zitten gebroederlijk bij elkaar. Ik neem mijn boek en ga lezen. Onderwijl laat ik mij afleiden. Iedere ochtend zelfde tijd passeren dezelfde mensen. De schoolbussen komen in colonne aangereden. De motor met de bereider met het regenboogkleurige vizier heeft nog steeds zijn uitlaat niet laten maken. De dolmus wacht op zijn passagiere die na enkele minuten met versnelde pas aan gerend komt. Soms staat zij er een tijd en is het busje laat. Soms wacht het busje. Vierde sigaret, volgend hoofdstuk. Langzaam keert de rust weer. Een ieder lijkt op de plaats van bestemming.

Inmiddels ben ik alweer bijna twee uur op. De tijd vliegt, het boek spannend en tijd voor koffie. Ondertussen ringelt mijn telefoon; Facetime. Tijdens de koffie een gesprek. Onderwijl roep ik twee maal "good morning", eenmaal naar onze Zweedse buurvrouw, andermaal de buurman.

Het gesprek is afgelopen. De koffiemok leeg. Alle dieren lijken afwezig, zelfs de kat is stil. Ik sta op, breng de mok naar de keuken, neem mijn tekenspullen en installeer mij aan de tafel op de waranda. Mijn lange broek is inmiddels verruilt voor een korte.



Enkele uren zit ik te tekenen. Geconcentreerd en balend dat mijn materiaal inferieur van kwaliteit is. Toch weet ik een resultaat neer te zetten. Meestal geven de wijzers van de klok aan dat het rond een uur is. Mijn portemonnee schuif ik in mijn achterzak en ga op pad brood te kopen. Het heerlijk verse brood snijd ik. Het kontje gaat naar de honden, die alweer voor de voeten lopen of mij debiel aanstaren. Dat moet ik ondergaan tot alle spullen weer op het aanrecht gedeponeerd zijn. Met mijn bordje steven ik weer op de plastic zetel af. Soms is het al zo warm, dat ik mijn brood in de schaduw van de waranda nuttig. Nu niet. Buiten. Vier ogen staren mij aan. De kat rolt zich in de warmte van het stenen pad. De kuiken lopen nerveus achter het gaas. Nadat mijn brood op is krijgen zij stukjes kaas. Vaste prik, ze wachten er op.

Terwijl ik de buitendeur op slot draai, draaien de honden nerveuze rondje om hun eigen as. Wat ik ook aan geef, het gedrag veranderd niet, tot ik met beide benen over het hekje gestapt ben. Ik draai de fiets en duw de handel van de versnelling weer naar benden, open het ijzeren hek en loop naar de stoeprand. Ondanks dat het een damesfiets is zwaai ik moeizaam mijn rechterbeen over het zadel. Ik zet mij af en laat mij rollen. Stijl is het niet, maar het gaat naar beneden. Haast heb ik niet, dus trappen is een overbodige inspanning.

Bij het kantoor eerst de wederzijdse uitwisseling. Dan pak ik wat ik nodig heb en loop naar de marina. Via de loopplank ga ik de boot op, die ik die dag onder handen neem. Schuren en lakken is mijn bijdrage aan het bedrijf van mijn zwager. Lang ben ik niet bezig, soms een uurtje, een enkele keer drie, of vier, uren. Met dezelfde sukkeldraf trap ik weer huiswaarts. Trappen is nodig, daar het nu met vals plat om hoog gaat. Uitgeput kom ik thuis. Het metaal van het hek wekt de honden. Enthousiast komen zij mij tegemoet, alhoewel eentje zijn aandacht halverwege alweer kwijt is. De ander reageert of ik na drie weken weer thuis kom. Wanneer alles tot rust is gekomen en ik een glaasje water heb genuttigd neem ik de boodschappentas. Dezelfde rituelen, als naar de bakker en naar kantoor, volgen. Zelfde slakkengang richting dorp. In mijn hoofd neem ik het boodschappenlijstje door om te bepalen welke volgorde ik de winkels bezoek. Deze ga ik een voor een langs. Inmiddels kent men mij. Ook op straat word ik gegroet en groet ik. Een praatje hoef ik meestal niet te maken, vanwege het taalprobleem. Van de Tangas naar de middenstander, de tabakszaak naar BIM. Afhankelijk van de hoeveelheid boodschappen kies ik de route naar huis. De snelle route is met het valse plat. De andere weg is vlakker, ook iets langer.

Thuis gekomen word ik natuurlijk weer besprongen door de honden. De aandacht van een van hen is wederom snel weer verdwenen. De kat komt mauwend aangelopen en de kuikens kijken mij wat suf aan, vanaf het landje waar zij zich vrij kunnen bewegen. Een gat in het hek geeft hen die ruimte.



Boodschappen opruimen. Tas ophangen. Mail checken, veelal een teleurstellende activiteit. Enerzijds aangaande de inhoudelijkheid van de mails, anderzijds omdat de leuke mails meestal beperkt zijn. Een glas cola. Meestal met twee paracetamol, omdat ik tegen die tijd weer aardig last krijg van mijn hernia. Dan kruip ik in mijn hangmat. De Judasboom (waar de hangmat aan een kant aan hangt) beweegt kort of er een storm heerst, tot de hangmat uitgeslingerd is.  Niet lang daarna lig ik te ronken.  Meestal een half uurtje, hooguit een uur. Ik sta op en begin mijn weer voorzichtig in te pakken; een T-shirt onder mijn overhemd. Vervolgens is het tijd weer bij te komen in het wereldse. Nieuws ontbeer ik, maar via Facebook consumeer ik toch het een en ander.

Daar waar de zin haar laatste stralen in de tuin werpt zet ik mij neer op de plastic stoel, met een biertje en chips. Binnen is het fris. De zon verlaat met haar stralen al snel de muren van het huis, waardoor het huis onprettig koel is. Behalve in de echt warme periode van het jaar. Twee honden zitten mij aan te gapen. De verleiding kan ik nimmer weerstaan en geef de arme stakkers hun stukjes chips.

Dan verdwijnt ook daar de zon. Nu gaat er een vest aan. Langzaam is het weer tijd de dieren te voeren. Een vast ritueel met vaste onderdelen. Nog meer Facebook, mail of ik schrijf wat. Of verdiep mij in een boek. De afwas is inmiddels gedaan. De tweede keer vandaag. Dat moet wel, wil het in huis geen wolk van vliegende insecten geven. Langzaam gaat de zon weer onder. De kuikens houden zich al op in de buurt van de ren. Wanneer ze binnen zijn drentel ik naar het landje en plaats een plank voor het gat. De kippen kunnen er niet uit, maar vooral de egels kunnen niet naar binnen. De schildpadden zijn gelukkig te breed. En te onhandig. Bij de eerste kennismaking van de kuikens met de schildpad waren  de kippen in paniek. Bij paniek rennen zij naar de ren. Soms het hele veld over, waarbij goed te zien is hoe snel een kip kan zijn.

Ondertussen is mijn korte broek alweer vervangen voor een lang exemplaar. Met name wanneer de zin juist onder is. Wordt de wereld even kil om later een aangename avondtemperatuur vast te houden. De klok gaat al richting negen uur. Vol twijfel loop ik naar de keuken. Meestal is het afhankelijk wat er aan niet bevroren vlees is om het menu samen te stellen. Ik kook mijn maaltje, neem alles naar buiten en nuttig het. Twee honden staren mij met treurige ogen aan, de kat loopt mauwend over tafel. Soms ga ik lezen, soms schrijf ik wat. Tot mijn lijf weer gaat opspelen. De diepe pijn in mijn benen, de rusteloosheid in mijn bewegingen om de pijn te verbannen, gepaard met forse scheuren in mijn rug. Vrijwel geen enkele avond leef ik zonder die klachten. Ik ben er aan gewend geraakt.

Buiten. Behalve de elektrische verlichting branden twee olielampjes. De rand van de waranda ziet er vrolijk uit, maar geeft ook een gevoel van een zekere geborgenheid. Ik sta op en loop. IJsberen lijkt het. De nacht is gevallen. De jongste hond blaft. Blaft de hele tijd. Op alles, tot ik hem weer eens vermaan naar binnen te gaan. Wat verwuft drentelt ie dan inderdaad naar binnen. Echter nooit voor lang. Soms komt de andere hond van biven een gerend. Een hoge schrille blaf uitstotend. Pijn aan de oren, vooral ook door de galm van het trappenhuis. Tot ook zij het blaffen moe worden en eindelijk een plekje zoeken om zich te ruste te leggen.

Ik neem mijn medicijnen, rook er nog eentje en ijsbeer door de tuin. Ik bind mijn "bomgordel" (elektrische gordel voor mijn rug) aan. Elf uur, of tegen twaalven. De kat pit. De oudste hond verwarmd het dekbed en de jongste houdt mij nauwlettend in de gaten. Die komt in actie wanneer ik de lichten doof. Wacht bij de deur, loopt achter mij naar boven en wacht aan de zijde van het bed, tot ik mijn hoofd op het kussen heb laten vallen. Ik stop mijn "bomgordel" in het stopcontact. Lekker warm en gaat vanzelf uit. Misschien slaap ik vannacht door. Wellicht. Word ik weer wakker en moet er uit. De dag is voorbij. Alles stil en ik zink weg in dromenland.

zondag 15 maart 2015

Stekeligheden

Dribbel dribbel, daar loop ik. Door het nachtelijke landschap. Mijn silhouet in het schijnsel van de lantaarns. In een rechte lijn, maar toch gebogen volg ik mij weg. Zoekend en ruikend. Het liefst ben ik alleen. Toch zoek ik elke nacht mijn partner op. Ben iedere keer lang onderweg. Overdag slaap ik. Ergens heb ik mijn nest. Ergens, maar waar, dat houd ik geheim. Andere dieren zien mij nauwelijks, maar ik zie alles. Scherp met ogen, alert met mijn gehoor. Vrijwel geruisloos beweeg ik mij soepeltjes voort. Overdag laat ik mij het liefst niet zien. Men noemt mij een nachtdier. Zelf heb ik het liever over een nacht braker. En iedere ochtend ga ik naar mijn geheime plek. Gedurende de dag slaap ik, droom en kijk terug op de dag. Nou, de nacht dus eigenlijk.



Soms dan ben ik wakker als de nacht nog niet is gevallen.dan scharrel in wat door het gras. Wanneer mensen mij zien.... Ik begrijp het niet helemaal. Ik ben een dier met stekels, maar toch lijkt het dat de mensen mij zien als een zacht lief diertje. Vaak zetten ze een bakje melk neer. Daar ben ik dol op, maar ik krijg er ook altijd last van. Melk is niet goed voor egels, maar de meeste mensen weten dat niet. Mensen vinden egels vertederend. Vreemde gasten, die mensen. Wij, egels hebben toch dikke stekels? Dat is toch niet zacht? Aaien kunnen ze ons niet. Goed, onze pootjes, buik en snuit zijn zacht roze. Een betje doorzichtig zelfs. Wanneer we lopen staan we hoog op onze pootjes en we bewegen ons heel soepel en vlot. Maar waarom de mensen nu zo dol op ons zijn... Geen idee.  Maar goed, het belangrijkste is dat we niet bang voor ze hoeven te zijn. Anders is het met de dieren, die ze soms hebben. Sommigen zien ons als speeltje, anderen zijn vooral nieuwsgierig. Honden zijn dat. Wanneer ze naar ons toe komen rollen we ons op tot een bolletje. Pas als zo een hond echt denkt dat we een bal zijn zet ik mijn stekels op. Nou, dan zijn ze dus zo vertrokken. Mijn stekels hebben scherpe punten. Een kleine aanraking is wel voldoende om mijn vijanden af te schrikken. Een egel heeft best veel vijanden, omdat wij toch vrij klein zijn. Toch gebeurt het zelden dat zo een vijand ons te pakken krijgt. Dat we ons kunnen oprollen en we onze stekels op kunnen zetten is onze redding, maar daarom kunnen we dat ook vast.

Als ik een nest heb, ben ik wel alert. Meestal bouw ik een veilig nest, een nest wat geen mens of dier makkelijk kan vinden. Moet ook wel, want wanneer ik kleintjes heb, die nét geboren zijn... Zijn ze echt heel klein en naakt. In het felle zonlicht kan je er zelfs bijna door heen kijken. Goed voor je anatomie. Egels zijn dan ook goed op de hoogte van de anatomie. De kleintjes moet ik goed warm houden. Door hun naaktheid vatten ze snel kou. Pas na korte tijd ontwikkelen zij hun stekels, die eerst als veren zo zacht zijn. Ik kan me nog herinneren, van toen ik jong was, die nieuwe stekels nog wel eens kriebelden. Niet die van mijzelf, maar wel die van mijn broertjes en zusjes.



Als kleine egel heb je een goed leven. Er wordt goed voor je gezorgd, maar dan komt een dag, dat je het nest moet verlaten. Niet dat je weg gestuurd wordt. Nee, je moet dan zelf op zoek naar voedsel en voor je het beseft ben je alleen. Gelukkig weet je tegen die tijd wat het leven van een egel in houdt. Tja, en zo red ik het alweer een aantal jaartjes. Je bent veel alleen. Niet erg. Daarnaast kom ik ook vaak genoeg andere egels tegen. We weten elkaar te vinden. Op die manier informeren wij ons ook over de actuele sta d van zaken. Meestal wat broddelpraat, maar wel gezellig. Soms is de informatie heel essentieel. Dat er koude aan komt, of veel regen. Daarover informeren we elkaar, zodat we ons er op kunnen voorbereiden. Wel prettig, wanneer je op tijd een goed nest kan maken. Vooral tegen de winter. Voordat het echt koud wordt wil je toch je nest voor elkaar hebben. Onze winterslaap duurt toch zo een drie tot vier maanden. Dan wil je én genoeg eten in je buik hebben en goed (en rustig) kunnen slapen. Overigens slapen we lang niet aan een stuk door. Af en toe worden we even wakker. Soms eet ik dan iets uit mijn voorraad, die ik op tijd heb aangelegd. In de winter zijn dat zaden en kleine nootjes. Anders dan mijn voedsel in de zomer. Dan eet ik ook heel veel insecten. Nee, een egel is niet vegetarisch. We eten alles, maar onze voorkeur gaat uit naar kleine insecten, vooral wormen en maden, omdat die lekker vet zijn. Ik hou wel van vet, dat is goed om de winter door te komen.

In de winter heeft iedere egel zijn eigen nest. Maar wanneer we uit onze winterslaap komen zoeken we elkaar op. Dan gaan we feesten en hebben we veel seks. Egelseks is best lekker hoor. Van die stekels heb je geen last. En de mannetjes zijn heel voorzichtig en lief. Bij andere dieren gaat de seks nog wel eens een stuk ruwer. Bij kippen bijvoorbeeld. Mijn hemel, ruige gasten zijn dat. Na de seks verdwijnen de mannetjes weer. We houden wel contact, maar vooral 's nachts en pas weer wanneer de kleintjes zelfstandig geworden zijn. Heel soms komt het mannetje even langs, als de kleintjes nog in het nest zijn. Maar het mannetje zorgt niet voor het grut. Daar zijn ze ook veel te onhandig voor.

Wij egels zijn eigenlijk best wel vreemde beesten. En zeker voor de mens zijn wij een groot mysterie. Heerlijk om dat vooral zo te houden... Egeltjes plagen graag. Verder zijn we heel zorgzaam en houden van knusheid. We zoeken graag warme plaatsen op, niet alleen voor onze winterslaap. Maar goed, meer moet ik maar niet openbaren.... Een beetje mysterie houd ik er graag in, dan blijven de mensen ook vertederd naar ons kijken....