De stoeterij in Santpoort is achter het oude politiebureau en onderdeel van de Uileboom. Even verderop is nog een stoeterij. Iedereen is er wel een keer aan voorbij gegaan, want het ligt vrij dicht tegen de N208 aan. Een oud stenen gebouw, in de lengterichting naast de weg, in de bocht voor de stoplichten naar Haarlem. Je komt er langs en denkt misschien hooguit; dat is een oud pand. Het pand staat op het terrein van de familie Kat, de familie van de Kijkgrijp en later Dekamarkt (de Kat markt...). Op dat terrein staat een bungalow, waar de familie woonde. Eind jaren zestig is het gebouwd. Een eind achter het hek, bijna onzichtbaar voor de buitenwereld. Voor ons dorpelingen een mystische plaats, want wat leefde daar en hoe? Destijds leefde de familie teruggetrokken, of in ieder geval uit het zicht van het dagelijkse leven van de dorpelingen. De stoeterij is er waarlijk destijds bij gekocht. Het leek eerder een last dan een lust, daar het jaren in een zekere staat van verval heeft verkeerd. Inmiddels is het alweer jaren geleden opgeknapt en bewoonbaar gemaakt.
Als kind kwam ik er wel langs. Een van mijn klasgenootjes woonde in het laatste huis van het dorp. Na de stoeterij zijn nog twee (of drie) huizen. Wie de jongen was, waar ik vroeger kwam, kan ik mij niet meer heugen. Blijkbaar heeft hij weinig indruk op mij gemaakt, des te meer de locatie van het huis en de tuin. Groen en fruitbomen.
Meer kwam ik op de Slaperdijk, aan de andere kant van de N208. Onder andere bij de familie Kleist. De Slaperdijk is een rij huizen tegenover een laag dijkje. Een beetje rommelig ogend. Rijtjes huizen en wat boerderij achtige panden. In onze ogen een beetje een "achterbuurt" van Santpoort. Zelf woonde ik in het wat chiquere deel en ook vroeger had men ook zo z'n vooroordelen. Als kind had ik daar echter al lak aan. Ik speelde met wie ik speelde en kwam vaak bij anderen thuis. Zelden nam ik zelf iemand mee naar huis. Niet uit schaamte, maar omdat ik nooit wist wat ik bij ons moest. Jan Wiebe van Veen, Bart Verkruysen en later Herman Samson kwamen wel eens bij ons thuis, maar zij woonden allen heel dichtbij. Mijn broers kwamen meer met anderen thuis, waar ik overigens op de middelbare school ook mee begon. Maar op de lagere school nauwelijks. Dan ging ik juist zo veel mogelijk de hort op, of speelde heerlijk in mijn eentje thuis. Iets wat ik graag deed.
De Slaperdijk was landelijk. Het behoorde nog tot Santpoort, alhoewel toen kwade geesten het liever Haarlem toedichtten. Maar, ik kwam er graag. Je kon net over het dijkje kijken, waar je uitgestrekte weilanden had, tot aan de Hofgeest. Daar stond wat bieren bedrijven, wat eigenlijk te ver was om goed te zien. Dus waren het weilanden tot zo ver het oog reikte. Op de weilanden stonden veel koeien en ook schapen. Iets wat nu niet meer voor te stellen is, want tegenwoordig ligt hier de woonkern Velserbroek. Tussen Velserbroek en de Slaperdijk is gelukkig nog steeds een strook weiland. Hopelijk blijft dat gehandhaaft. Als Santpoorter is Velserbroek nog steeds een vloek voor mij. Zonde van het groene gras. Aan de andere kant was het destijds natuurlijk een locatie bij uitstek om het toenemende aantal inwoners te huisvesten.
Marjo Kleist was een vriendinnetje, maar ik had geen "relatie" met haar. Ik kwam bij haar thuis, omdat ze in mijn klas zat, maar ook omdat ik met een broertje van haar speelde. En er woonde nog een klasgenoot op de Slaperdijk. Naar later bleek heeft Marjo ook nog bij mijn vrouw in de klas gezeten, in Bloemendaal. De wereld is klein.
Klein was ik in mijn jeugd en voor de kleintjes was de wereld groot. Santpoort was groot. De Slaperdijk was dan ook ver. Verder dan de andere plaatsen waar ik kwam. Dat klopte echter niet. Het feit dat de onder de snelweg door moest en alles kaal was daar gaf het gevoel van afstand. Menig vriendje woonde verder weg, maar doordat je tussen de huizen en het groen ging leek de afstand kleiner. Vanaf de Stoeterij leek Haarlem ook altijd nog heel ver weg. Meestal kwam ik er met de auto, met mijn moeder, langs. Later op mijn brommertje. Op de fiets nam ik bij voorkeur een andere route. Toch moest je altijd een buffer van groen en weiland door om naar Haarlem te gaan. Behalve via de Kleverlaan in Bloemendaal (en zuidelijker). Ook daardoor leek de afstand naar Haarlem altijd groter, dan de werkelijkheid was.
Toen ik op de middelbare school (het Lorentz Lyceum aan het Santpoorterplein) zat nam ik met de fiets altijd het Zwarte Pad. Het verlengde van de Jan Gijzenvaart richting Santpoort-Zuid. Zelden nam ik de route langs de Stoeterij. Ook niet toen ik een vriendinnetje had, in een van de (inmiddels ook gesloopte) noordelijkste flats van Haarlem.
Wel heb ik vlak na de Stoeterij mijn eerste ervaringen op het ijs opgedaan. Het begin van de Delft (of het eind, mij om het even). Daar nam mijn moeder mij mee om de kwelling te ondergaan inzake mijn eerste schaatservaring.
Santpoort is een vreemd dorp. Te beginnen het onderscheid tussen Santpoort-Noord en Santpoort-Zuid. Dan aan de ene kant bos en duinen, terwijl de andere kant vlak agrarische gebied was. Santpoort-Zuid werd gezien als een heel ander dorp, waar alleen de naam mee overeen kwam. Verder werd vooral de toevoeging sterk benadrukt, terwijl Noord het meestal beperkte tot alleen Santpoort. De zijde van de duinen was ook al minder Santpoort. Wat dat betreft was de spoorlijn de grens. Provinciaal (psychiatrisch) Ziekenhuis Santpoort (PZ) lag geheel binnen de gemeentegrenzen van Bloemendaal en een goede Santpoorter meldde dat op ieder partijtje en iedere verjaardag. De N208 werd gezien als oostgrens van het dorp. Om die reden paste de Slaperdijk niet echt bij het dorp. De stoeterij daarom een onbeduidend pand. Bosbeek was de buffer tussen noord en zuid en het spoorwegviaduct de grens tussen Driehuis en ons dorp. Kortom, de begrenzing maakte Santpoort eigenlijk een heel overzichtelijk dorp. Ook de scholen zaten allen bij elkaar in de buurt. De katholieke bij de Naaldkerk, de gereformeerden en protestanten in de Frans Netscherlaan en de openbare school achter de molen. Aangezien wij überhaupt niet kerkelijk waren zat ik op de openbare lagere school.
De Stoeterij, je rijdt er voorbij. Een oude muur met ramen. Een stukje mystiek en tevens weer een opening naar vele herinneringen.
maandag 30 maart 2015
De stoeterij
Labels:
Bart Verkruysen,
Bloemendaal,
de Kat,
De Stoeteij,
Dekamarkt,
Haarlem,
Hajo,
Herman Samson,
Jan Wiebe van Veen,
Kijkgrijp,
Kleist,
Kleverlan,
Naaldkerk,
Santpoort,
Slaperdijk
De molen van Santpoort
Santpoort is nog één molen rijk. Achter de, hoe kan het ook anders, de Molenstraat. In Molenstraat woonde Leo en woonde Karin. Leo was een slungelige jongen en kwam uit een armoedig gezin. Twee huizen verder woonden Karin (volgens mij heette zijrijver,van achteren). Een keurig gezin van goed komaf. De woningen waren aan de buitenzijde identiek. Ook in de Molenstraat woonde Linda. Linda en Karin waren heel vaak samen. Leo was altijd het lulletje. Oude, meestal kapotte en vieze, kleding, een super slecht gebit en Leo rook nogal. Waarschijnlijk omdat ik ook vaak het lulletje was had ik wel contact met Leo Visser. Eigenlijk een hele aardige jongen, uitermate onzeker. Soms verdedigde ik hem, wat mij bijna altijd duur kwam te staan. Mijn contact met Karin was anders. Karin, vrij onopvallend, was groot en stevig. Donker haar, maar heel lief. Lief en zacht. Ik vrees dat ik ook zeker wel een keer "verliefd" op haar ben geweest. Veel contact is mij nooit echt gelukt. Dat kwam ook omdat Linda Schildt (blond) en Karin bijna altijd samen waren. Bijna niemand kwam daar echt tussen. Het waren hartsvriendinnen. Dat kwam zeker ook, omdat ze allebei in de Molenstraat woonden, in feite ver van de meeste klasgenootjes. Dat maakte ook voor Leo nog eens dat benadrukt werd, dat hij veel alleen was.
De Molenstraat was een J-vormige straat, achter de Adolf van Nassau school. Grote, vooral hoge, witte huizen aan de buitenring. Een deel ven het schoolplein grensde aan de Molenstraat. Achter de gymzaal waren ook nog enkele huizen aan de kant van de binnenbocht. Achter de witte huizen stond de Santhaes, de molen van Santpoort. Tegenover de molen bevond zich de woning van de boswachter en een oude houten schuur, zwart geteerd, die diende als opslag voor de spullen van de boswachter. De Santhaes zelf was destijds een wat verwaarloosde molen. Soms werden de wieken gedraaid, puur om het mechanisme bewegend te houden, maar zonder verdere functie. Er werd weinig meer met de molen gedaan. De molen stond er, je kon hem niet weg denken, maar van enige functionaliteit was geen enkele sprake meer.
Tegenwoordig is de realiteit geheel anders. De molen is vol in gebruik, beneden zit een winkel en het is trendy om bij de Santhaes inkopen te doen. Er is keuze uit vele soorten meel om eigen brood te bakken, tegenwoordig natuurlijk in de broodmachine (welke veel Nederlanders ooit aks kerstpakket van de baas hebben gekregen). Verder zijn er diverse producten te verkrijgen. Alle puur natuur en hartstikke eco. De inrichting brengt je terug naar de tijd van ver voor mijn jeugd. Het hout ruikt oud, meel stuift. Het zware gelijkmatige geluid van de molensteen, zingend met de dikke draaiende balken en het gekraak van het overige hout maakt de molen tot een concertzaal van het sentiment. Volop genieten dus. Ondanks de oude bakkersfiets voor de ingang komen de meeste klanten per auto. Soms staat er een hele rij.
Op markten en braderijen, in het dorp, is de Santhaes volop vertegenwoordigd met een aantrekkelijke kraam. En als het even mogelijk is wordt ter plekke eerlijk brood gebakken van het in de molen gemalen koren. In volle glorie is de molen weer terug in het leven van de Santpoorters. Dat doet mij goed, daar veel uit mijn verleden aan een zeker verval onderhavig is. Voorbeelden als de molen, het Mosterdzaadje en Beth-El doen de mens dan goed. Zeker de geboren en getogen dorpeling, waarvan er nog steeds veel in het dorp, of de directe omgeving wonen. Velen zijn vertrokken, maar velen keren ook weer terug naar hun roots, een bijzonderheid waar Santpoort best trots op mag zijn. Zeker in deze tijd een bijzonderheid. Ook in dat opzicht heeft het dorp niet alleen iets eigens, maar ook een sterke aantrekkingskracht. Zelf zou ik overigens nooit meer in Santpoort zelf willen wonen, maar wil zeker in de directe omgeving blijven.
Tegenover de molen is het bos. Logisch, daar ik al beschreef dat het boswachtershuis pal er tegenover stond. Om het huis een vrij fors grasveld, waar in het voorjaar een kleurig spel van crocussen bloeide. Bijna het hele grasveld, telkens een feest voor het oog. Dan begon het bos. Op een afstandje van dit huis (richting Naaldkerk) was een van de ingangen tot het bos. Hier ging ik altijd het bos in, op weg naar de kleuterschool. Eerst was er een open plek, omzoomd met hoge oude beuken. Dan moest ik schuin rechts het pad volgen. Langzaam ging de beukenlaan over in een eikenbos. Het pad leidde tot het grote grasveld, bij de muziektent.
Ieder najaar speurden wij de grond af. Vooral op zoek naar beukenootjes (of zoal wij schalks zeiden; neukebootjes). Thuis pelden de de harde schillen van het eigenlijke zaadje. De zaadjes werden in een pan gedaan en fijn gemaakt. Tot een korrelige pasta ontstond. Vervolgens werd daar suiker aan toegevoegd en doorheen gemengd. Forse hoeveelheden suiker waren dat. In een koekenpan werden vervolgens de koeken gebakken. Door de vele suiker leken de koeken een beetje op krakelingen. Ietjes af laten koelen, om daarna je tanden in de harde, brosse, plakken te zetten. Heerlijk vonden we dat. Het enige nadeel, toen, was het nootje. Om een beetje koeken te bakken had je verdomd veel beukenootjes nodig. En al die nootjes pellen was hopeloos. De kleine scherpe randjes sneden soms onder je nagels. Dat het bloedde maakte niet zo veel uit, maar het was zo'n ongelofelijke rot pijn.
De herfst was sowieso een mooie tijd in het bos. Destijds waren er nog veel paddestoelen. Ook de rood-met-witte-stippen was geen bijzonderheid. En dan had je eekhoorntjesbrood, een bruine, lekker vlezig. Je moest goed uitkijken want er waren veel giftige zwammen. Maar weinig kon je met zekerheid eten. En dan had je nog zo'n saai ogende zwam. Wanneer je er met een speld in prikte kwam er een wolkje rook uit. Omdat we geen spelden hadden gebruikten we dennennaalden.
Op de kleuterschool en op de lagere school togen wij ook regelmatig naar het bos. In de herfst werden eikels verzameld en dennenappels gezocht. Ieder jaar maakte je weer je herfststukjes. Ook leerde je van eikels en lucifers allerlei dingen te maken. Mensen en dieren. Thuis ging je met dat laatste door. Tot de lucht van rottende eikels moeders teveel werd en de hele zaak naar de schillenboer ging. Dan was de herfst weer voorbij.
In de winter, bij sneeuw was het sleetje rijden, bij de muziektent. In het voorjaar ontluikte het bos weer. Overal het sappige, jonge, groen. En vooral fluitenkruid. Dat stond niet alleen in de bermen, maar ook in stukken van het bos. We leerden het kruid goed te snijden en er fluiten van de maken. Op de velden met lelietjes-van-dalen plukte ik bosjes voor mijn moeder. Op 30 mei was zij jarig, de tijd dat de geur als een zoete zweem in het bos hing. Dan plukte ik een bosje voor haar verjaardag. Mijn moeder zei altijd dat ze dol was op die geur. Of dat echt zo was, ik denk het wel. We hadden thuis ook lelietjes-van-dalen zeep.
De zomer was vooral de tijd van de angst. Angst voor onweer. Als king had ik na nachtmerries. Ik liep door het bos naar school en dan begon de lucht te betrekken. Heel snel sloeg de bliksem toe. Als een woedende god zijn pijlen in het wilde weg afwierp. Overal bliksem. Ik moest schuilen, want het was gevaarlijk. Ik kon niet schuilen en bovendien moest ik altijd plassen... Die klotedroom heeft zich heel wat keren herhaald. Gelukkig is dat voorbij. Als kind had ik veel last van nachtmerries en herhalingsdromen. Het bos speelde daar vaak een grote rol in. Als kleuter ging ik alleen door het bos, maar behalve dat het wel stoer was, was ik eigenlijk vreselijk bang. In mijn droomde uitte zich dat. In het bos zaten dan boeven, moordenaars, wanneer er geen bliksem was, of voordat de bliksem in mijn dromen verscheen.
Toch was het bos ook gewoon leuk en spannend. Vooral in mijn tijd op de lagere school was ik vrij veel in het bos. Je kon er geweldig spelen. In die tijd waren er overigens tal van alternatieven. Kleine bossages met paadjes. Daar fietsen we doorheen, speelden oorlogje, of boefje. Als kind was ik veel buiten, veel tussen bomen en struiken. Eenmaal thuisgekomen moest ik mijn broek laten zakken: wormen controle. Ze zaten er regelmatig. Hoe je door de molen in je blote kont uit komt...
De Molenstraat was een J-vormige straat, achter de Adolf van Nassau school. Grote, vooral hoge, witte huizen aan de buitenring. Een deel ven het schoolplein grensde aan de Molenstraat. Achter de gymzaal waren ook nog enkele huizen aan de kant van de binnenbocht. Achter de witte huizen stond de Santhaes, de molen van Santpoort. Tegenover de molen bevond zich de woning van de boswachter en een oude houten schuur, zwart geteerd, die diende als opslag voor de spullen van de boswachter. De Santhaes zelf was destijds een wat verwaarloosde molen. Soms werden de wieken gedraaid, puur om het mechanisme bewegend te houden, maar zonder verdere functie. Er werd weinig meer met de molen gedaan. De molen stond er, je kon hem niet weg denken, maar van enige functionaliteit was geen enkele sprake meer.
Tegenwoordig is de realiteit geheel anders. De molen is vol in gebruik, beneden zit een winkel en het is trendy om bij de Santhaes inkopen te doen. Er is keuze uit vele soorten meel om eigen brood te bakken, tegenwoordig natuurlijk in de broodmachine (welke veel Nederlanders ooit aks kerstpakket van de baas hebben gekregen). Verder zijn er diverse producten te verkrijgen. Alle puur natuur en hartstikke eco. De inrichting brengt je terug naar de tijd van ver voor mijn jeugd. Het hout ruikt oud, meel stuift. Het zware gelijkmatige geluid van de molensteen, zingend met de dikke draaiende balken en het gekraak van het overige hout maakt de molen tot een concertzaal van het sentiment. Volop genieten dus. Ondanks de oude bakkersfiets voor de ingang komen de meeste klanten per auto. Soms staat er een hele rij.
Op markten en braderijen, in het dorp, is de Santhaes volop vertegenwoordigd met een aantrekkelijke kraam. En als het even mogelijk is wordt ter plekke eerlijk brood gebakken van het in de molen gemalen koren. In volle glorie is de molen weer terug in het leven van de Santpoorters. Dat doet mij goed, daar veel uit mijn verleden aan een zeker verval onderhavig is. Voorbeelden als de molen, het Mosterdzaadje en Beth-El doen de mens dan goed. Zeker de geboren en getogen dorpeling, waarvan er nog steeds veel in het dorp, of de directe omgeving wonen. Velen zijn vertrokken, maar velen keren ook weer terug naar hun roots, een bijzonderheid waar Santpoort best trots op mag zijn. Zeker in deze tijd een bijzonderheid. Ook in dat opzicht heeft het dorp niet alleen iets eigens, maar ook een sterke aantrekkingskracht. Zelf zou ik overigens nooit meer in Santpoort zelf willen wonen, maar wil zeker in de directe omgeving blijven.
Tegenover de molen is het bos. Logisch, daar ik al beschreef dat het boswachtershuis pal er tegenover stond. Om het huis een vrij fors grasveld, waar in het voorjaar een kleurig spel van crocussen bloeide. Bijna het hele grasveld, telkens een feest voor het oog. Dan begon het bos. Op een afstandje van dit huis (richting Naaldkerk) was een van de ingangen tot het bos. Hier ging ik altijd het bos in, op weg naar de kleuterschool. Eerst was er een open plek, omzoomd met hoge oude beuken. Dan moest ik schuin rechts het pad volgen. Langzaam ging de beukenlaan over in een eikenbos. Het pad leidde tot het grote grasveld, bij de muziektent.
Ieder najaar speurden wij de grond af. Vooral op zoek naar beukenootjes (of zoal wij schalks zeiden; neukebootjes). Thuis pelden de de harde schillen van het eigenlijke zaadje. De zaadjes werden in een pan gedaan en fijn gemaakt. Tot een korrelige pasta ontstond. Vervolgens werd daar suiker aan toegevoegd en doorheen gemengd. Forse hoeveelheden suiker waren dat. In een koekenpan werden vervolgens de koeken gebakken. Door de vele suiker leken de koeken een beetje op krakelingen. Ietjes af laten koelen, om daarna je tanden in de harde, brosse, plakken te zetten. Heerlijk vonden we dat. Het enige nadeel, toen, was het nootje. Om een beetje koeken te bakken had je verdomd veel beukenootjes nodig. En al die nootjes pellen was hopeloos. De kleine scherpe randjes sneden soms onder je nagels. Dat het bloedde maakte niet zo veel uit, maar het was zo'n ongelofelijke rot pijn.
De herfst was sowieso een mooie tijd in het bos. Destijds waren er nog veel paddestoelen. Ook de rood-met-witte-stippen was geen bijzonderheid. En dan had je eekhoorntjesbrood, een bruine, lekker vlezig. Je moest goed uitkijken want er waren veel giftige zwammen. Maar weinig kon je met zekerheid eten. En dan had je nog zo'n saai ogende zwam. Wanneer je er met een speld in prikte kwam er een wolkje rook uit. Omdat we geen spelden hadden gebruikten we dennennaalden.
Op de kleuterschool en op de lagere school togen wij ook regelmatig naar het bos. In de herfst werden eikels verzameld en dennenappels gezocht. Ieder jaar maakte je weer je herfststukjes. Ook leerde je van eikels en lucifers allerlei dingen te maken. Mensen en dieren. Thuis ging je met dat laatste door. Tot de lucht van rottende eikels moeders teveel werd en de hele zaak naar de schillenboer ging. Dan was de herfst weer voorbij.
In de winter, bij sneeuw was het sleetje rijden, bij de muziektent. In het voorjaar ontluikte het bos weer. Overal het sappige, jonge, groen. En vooral fluitenkruid. Dat stond niet alleen in de bermen, maar ook in stukken van het bos. We leerden het kruid goed te snijden en er fluiten van de maken. Op de velden met lelietjes-van-dalen plukte ik bosjes voor mijn moeder. Op 30 mei was zij jarig, de tijd dat de geur als een zoete zweem in het bos hing. Dan plukte ik een bosje voor haar verjaardag. Mijn moeder zei altijd dat ze dol was op die geur. Of dat echt zo was, ik denk het wel. We hadden thuis ook lelietjes-van-dalen zeep.
De zomer was vooral de tijd van de angst. Angst voor onweer. Als king had ik na nachtmerries. Ik liep door het bos naar school en dan begon de lucht te betrekken. Heel snel sloeg de bliksem toe. Als een woedende god zijn pijlen in het wilde weg afwierp. Overal bliksem. Ik moest schuilen, want het was gevaarlijk. Ik kon niet schuilen en bovendien moest ik altijd plassen... Die klotedroom heeft zich heel wat keren herhaald. Gelukkig is dat voorbij. Als kind had ik veel last van nachtmerries en herhalingsdromen. Het bos speelde daar vaak een grote rol in. Als kleuter ging ik alleen door het bos, maar behalve dat het wel stoer was, was ik eigenlijk vreselijk bang. In mijn droomde uitte zich dat. In het bos zaten dan boeven, moordenaars, wanneer er geen bliksem was, of voordat de bliksem in mijn dromen verscheen.
Toch was het bos ook gewoon leuk en spannend. Vooral in mijn tijd op de lagere school was ik vrij veel in het bos. Je kon er geweldig spelen. In die tijd waren er overigens tal van alternatieven. Kleine bossages met paadjes. Daar fietsen we doorheen, speelden oorlogje, of boefje. Als kind was ik veel buiten, veel tussen bomen en struiken. Eenmaal thuisgekomen moest ik mijn broek laten zakken: wormen controle. Ze zaten er regelmatig. Hoe je door de molen in je blote kont uit komt...
Labels:
Adolf v Nassauschool,
Bart Verkruysen,
beukenootjes,
eikels,
Herman Samson,
Jan Wiebe van Veen,
Karin Drijver,
Leo Visser,
Linda Schildt,
molen,
onweer,
paddestoelen,
Santhaes,
Santpoort
zaterdag 28 maart 2015
Vlugthovenstraat
Het zal niet veel schelen en ik kan mij goed voorstellen wanneer de Vlugthovenstraat het oudste straatje van Santpoort-Noord is. Iets breder dan een steeg, met een kromming. Aan een zijde kleine witte huisjes, met na de kromming een kleine verbreding. Tegenover de verbreding was vroeger de smederij. Het was zelfs een hoefsmid. Schuin er tegenover was de schoenmaker, Cardol, waarvan zoon Ruud bij mij op school zat. De witte huisjes waren klein, in mijn jeugd een aantal redelijk vervallen, maar bewoond. Tegenwoordig zien ze er netjes uit en zijn ze vergroot, door huisjes samen te voegen. De andere kant was duidelijk minder oud. Iets meer huizen met een statige uitstraling. Ik neem aan begin twintigste eeuw. Twee etages. Vanaf de Hoofdstraat tot en met de hoefsmid waren. Oude panden. Na de "nieuwbouw" stonden er ook aan die kant nog een of twee van die kleine witte huisjes. Vaak nam ik de Vlugthovenstraat om naar het dorp te gaan. Meestal via de Terrasweg, en bij poelier Stuit sloeg ik af naar de Vlugthovenstraat. Meestal stond ik dan even te kijken bij de smid. Ik vond dat geweldig, vooral wanneer er paarden beslagen werden. De geur van de hete kolen en half gesmolten staal, o daar genoot ik van. Bovendien was ik nieuwsgierig en wilde zien hoe het smeden ging.
Na de smidse was een horecagelegenheid. Best chique voor die tijd; de Uileboom. Hoe die eigenaar heette weet ik niet meer. Wel dat ie in een groot huis woonde, vlak na de dorpskerk aan de Burgemeester Enschedelaan. Zijn zoontje was iets jonger dan ik, voor zover ik mij nog herinner. Een verwende kwast vond ik het maar.
Het verlengde van de Vlugthovenstraat was de Middenduinerweg. Vanaf de "afslag" Stuit. Hier stonden kapitale huizen, waaronder het huis van de tandarts, Smeenk. Ook het zoontje van Smeenk (Ben) was een vriendje. Smeenk zelf was geloof ik weer een vriend van mijn moeder. Achter het huis hielden zij paarden en was er zo een bak, met zand, waarin ze konden lopen. Ik speelde wel eens bij Ben. Er was een nadeel. Soms werd ik naar binnen gehaald en op de stoel van vader gezet. De tandartsstoel dus. Een ieder zal begrijpen dat nadat dit een paar keer voor was gekomen, ik niet graag meer bij Ben thuis speelde. Mijn panische angst voor de tandarts is dan ook daar ontstaan. De "ontvoering" naar de stoel was al traumatisch. Vader Smeenk was ook niet erg pedagogisch aangelegd. "Mond open!", was een kort commando, waarvan hij zich er van velen bediende. Het was geen spreker, althans niet naar mij. Bovendien was hij vrij ruw. Boren, of wat dan ook zonder verdoving. Reageerde je panisch, zei hij dat ik mij niet aan moest stellen. Blijkbaar heb ik mij destijds veel aangesteld. Na Smeenk ben ik bijna twintig jaar niet meer naar de tabdarts geweest. En dan ging in het dorp het verhaal dat de tandarts verderop in de straat (op het hoekje tegenover de naaldkerk) pas echt bekend stond als beul. Inderdaad heb ik bij ons in de tuin wel eens iemand horen gillen, die zich daar liet behandelen.
In het rijtje van Smeenk waren ook een paar leuke huizen. Minder groot, maar wel met een lieflijke uitstraling. De andere kant van de straat was een weiland. Dat hoorde bij het witte huis (eigendom van de Hoogovens, voor de hoger geplaatste werknemers). Ooit heeft er, tijdens mijn leven, een keer de kermis op dat weiland plaats gevonden. Ik was nog jong, maar het is mij bij gebleven als de leukste Santpoortse kermis ooit. In het witte huis woonde Machteld. Machteld zat bij mij in de klas. Een enorme wijsneus, en ik denk dat zij het ver geschopt heeft, maar ze was het lelijkste meisje van de klas. Ze had grote voortanden, vlechten en kleding uit het jaar nul. Vooral haar kousen (of maillot) staan mij nog bij. Ik ging overigens wel met Machteld om. Ik ging veel met de zwakkeren uit de klas om. Of ik er zelf bij hoorde, of dat ik toen al begaan was met mijn medemens weet ik niet meer. Ook geheel niet interessant. Toen Machteld verhuisde kwam Anneke daar te wonen. Anneke was al vanaf de kleuterschool mijn vriendinnetje. Sinds een aantal jaren hebben we elkaar weer gevonden en zijn we goede vrienden geworden.
De laatste witte huisjes lagen aan het weiland. Een veld met bomen, waar vroeger ook schapen graasden. Zonde van die Smeenk, want verder was dat stuk het leukste straatje (beide straatjes zie ik even als één straat) van het dorp. Een goed decor voor films die zich begin vorige eeuw afspelen. Alleen, de smidse is niet meer. Dit is nu een onderdeel van de Uileboom. Het café gedeelte. Toch jammer. De Uileboom bestaat overigens ook al sinds ik mij kan heugen. Op het hoekje van de Vluchthovenstraat en de Hoofdstraat. Met mijn familie hebben we daar wel gegeten. Vast weer op een verjaardag van een van mijn grootouders. Eigenlijk alleen dan kwamen wij in een restaurant. Misschien daarbuiten nog een enkele keer, maar gewoongoed was het zeker niet. We zaten dan met de hele familie. Mijn oom en tante, soms mijn andere oom (toen hij nog leefde) en tante, mijn enige neef (van moeders kant) en de nichtjes. Mijn jongste nichtje was even oud als mijn jongste broer, dus zes jaar ouder. De rest zat daar allemaal boven, dus ik was behoorlijk de Benjamin van het geheel. Met mijn ouders en grootouders erbij was het altijd een lange volle tafel.
Een doodgewoon straatje, wat achteraf, vrij kort en je loopt er zo voorbij. Ja, heel menselijk. We rennen onze eigen geschiedenis voorbij en kijken nauwelijks om ons heen. Bij de naam Vlugthovenstraat zal het gros je aankijken of je een vreemde taal spreekt, nog een gros begint er over dat je je auto nauwelijks kan parkeren in de Vluchthovenstraat en een wat chaotisch schizofreen achtige leep uit mijn ogen kijkende idioot zal positief reageren: hé, dat leuke straatje in Santpoort.
Mij is toch de smidse het meest bij gebleven. Dat was nieuw en daar wilde ik meer van weten, en als klein jongetje was ik altijd erg nieuwsgierig. Was de elektricien bij ons bezig (Ninaber), zat ik er met mijn neus bovenop. Bij de aanleg van de cv, idem. Dus, iets als een smederij was wel heel erg spannend. Donkere ruimte, vuur en gloeiend staal. Maar zeker ook de geur. Ja, een smederij heeft een geur. Kolen, staal, rook en weet ik wat al niet meer, maar het heeft een heerlijke geur.
Van de schoenmaker weet ik mij minder te herinneren. Ik kwam er wel eens, omdat Ruud bij mij in de klas zat. Klant waren we er niet. Mijn moeder had Freijser in Bloemendaal als schoenmaker voor het gezin. Zij kende die familie uit haar jeugd. Dus bij Cardol kwam ik ook nauwelijks in de winkel. Ik kwam voor de zoon. Erg veel ben ik daar overigens ook niet geweest en volgens mij alleen de eerste jaren van de lagere school.
De witte huisjes waren een beetje vervallen. De straatstenen lager er niet zo mooi bij. Het was echt een achteraf straatje, een steegje haast. Daardoor hing daar wel de sfeer die mij zo aan trok.
Laatst zocht ik de Vlugthovenstraat op, op internet. Er was weinig over te vinden. Een enkele foto, waarvan de helft uit een recente periode. Tot mijn spijt heb ik geen foto van de smederij kunnen vinden. Wanneer ik die ooit in handen krijg, zit daar wellicht een sfeervolle inkttekening in. Ik zal de sfeer die ik voelde in inkt pogen uit te drukken. De sfeer heb ik op de een of andere manier voor ogen, maar het juiste beeld ontbreekt. Net als het beslaan van de paarden. Naar ik meen gebeurde dat voor een deel, in ieder geval, op straat. Ach, de weemoed doet mij in herhaling vallen. Mis ik het? Nee, dat niet, maar met mijn gedachten terug naar plaatsen uit mijn (vroege) jeugd roepen toch weer iets. Iets wat er al heel lang niet meer was. Wat dat betreft verwaarlozen wij onze herinneringen soms teveel.maar goed, ik leef nu en kijk naar de toekomst. Toch heeft achterom kijken zo zijn charmes. Met name bij de Vlugthovenstraat ontpopt dat gevoel zich. Een, op het oog, onbeduidend straatje. En straatje wat in de moderne digitale wereld nauwelijks lijkt te bestaan. In gedachten was ik even terug. Lekker.
Na de smidse was een horecagelegenheid. Best chique voor die tijd; de Uileboom. Hoe die eigenaar heette weet ik niet meer. Wel dat ie in een groot huis woonde, vlak na de dorpskerk aan de Burgemeester Enschedelaan. Zijn zoontje was iets jonger dan ik, voor zover ik mij nog herinner. Een verwende kwast vond ik het maar.
Het verlengde van de Vlugthovenstraat was de Middenduinerweg. Vanaf de "afslag" Stuit. Hier stonden kapitale huizen, waaronder het huis van de tandarts, Smeenk. Ook het zoontje van Smeenk (Ben) was een vriendje. Smeenk zelf was geloof ik weer een vriend van mijn moeder. Achter het huis hielden zij paarden en was er zo een bak, met zand, waarin ze konden lopen. Ik speelde wel eens bij Ben. Er was een nadeel. Soms werd ik naar binnen gehaald en op de stoel van vader gezet. De tandartsstoel dus. Een ieder zal begrijpen dat nadat dit een paar keer voor was gekomen, ik niet graag meer bij Ben thuis speelde. Mijn panische angst voor de tandarts is dan ook daar ontstaan. De "ontvoering" naar de stoel was al traumatisch. Vader Smeenk was ook niet erg pedagogisch aangelegd. "Mond open!", was een kort commando, waarvan hij zich er van velen bediende. Het was geen spreker, althans niet naar mij. Bovendien was hij vrij ruw. Boren, of wat dan ook zonder verdoving. Reageerde je panisch, zei hij dat ik mij niet aan moest stellen. Blijkbaar heb ik mij destijds veel aangesteld. Na Smeenk ben ik bijna twintig jaar niet meer naar de tabdarts geweest. En dan ging in het dorp het verhaal dat de tandarts verderop in de straat (op het hoekje tegenover de naaldkerk) pas echt bekend stond als beul. Inderdaad heb ik bij ons in de tuin wel eens iemand horen gillen, die zich daar liet behandelen.
In het rijtje van Smeenk waren ook een paar leuke huizen. Minder groot, maar wel met een lieflijke uitstraling. De andere kant van de straat was een weiland. Dat hoorde bij het witte huis (eigendom van de Hoogovens, voor de hoger geplaatste werknemers). Ooit heeft er, tijdens mijn leven, een keer de kermis op dat weiland plaats gevonden. Ik was nog jong, maar het is mij bij gebleven als de leukste Santpoortse kermis ooit. In het witte huis woonde Machteld. Machteld zat bij mij in de klas. Een enorme wijsneus, en ik denk dat zij het ver geschopt heeft, maar ze was het lelijkste meisje van de klas. Ze had grote voortanden, vlechten en kleding uit het jaar nul. Vooral haar kousen (of maillot) staan mij nog bij. Ik ging overigens wel met Machteld om. Ik ging veel met de zwakkeren uit de klas om. Of ik er zelf bij hoorde, of dat ik toen al begaan was met mijn medemens weet ik niet meer. Ook geheel niet interessant. Toen Machteld verhuisde kwam Anneke daar te wonen. Anneke was al vanaf de kleuterschool mijn vriendinnetje. Sinds een aantal jaren hebben we elkaar weer gevonden en zijn we goede vrienden geworden.
De laatste witte huisjes lagen aan het weiland. Een veld met bomen, waar vroeger ook schapen graasden. Zonde van die Smeenk, want verder was dat stuk het leukste straatje (beide straatjes zie ik even als één straat) van het dorp. Een goed decor voor films die zich begin vorige eeuw afspelen. Alleen, de smidse is niet meer. Dit is nu een onderdeel van de Uileboom. Het café gedeelte. Toch jammer. De Uileboom bestaat overigens ook al sinds ik mij kan heugen. Op het hoekje van de Vluchthovenstraat en de Hoofdstraat. Met mijn familie hebben we daar wel gegeten. Vast weer op een verjaardag van een van mijn grootouders. Eigenlijk alleen dan kwamen wij in een restaurant. Misschien daarbuiten nog een enkele keer, maar gewoongoed was het zeker niet. We zaten dan met de hele familie. Mijn oom en tante, soms mijn andere oom (toen hij nog leefde) en tante, mijn enige neef (van moeders kant) en de nichtjes. Mijn jongste nichtje was even oud als mijn jongste broer, dus zes jaar ouder. De rest zat daar allemaal boven, dus ik was behoorlijk de Benjamin van het geheel. Met mijn ouders en grootouders erbij was het altijd een lange volle tafel.
Een doodgewoon straatje, wat achteraf, vrij kort en je loopt er zo voorbij. Ja, heel menselijk. We rennen onze eigen geschiedenis voorbij en kijken nauwelijks om ons heen. Bij de naam Vlugthovenstraat zal het gros je aankijken of je een vreemde taal spreekt, nog een gros begint er over dat je je auto nauwelijks kan parkeren in de Vluchthovenstraat en een wat chaotisch schizofreen achtige leep uit mijn ogen kijkende idioot zal positief reageren: hé, dat leuke straatje in Santpoort.
Mij is toch de smidse het meest bij gebleven. Dat was nieuw en daar wilde ik meer van weten, en als klein jongetje was ik altijd erg nieuwsgierig. Was de elektricien bij ons bezig (Ninaber), zat ik er met mijn neus bovenop. Bij de aanleg van de cv, idem. Dus, iets als een smederij was wel heel erg spannend. Donkere ruimte, vuur en gloeiend staal. Maar zeker ook de geur. Ja, een smederij heeft een geur. Kolen, staal, rook en weet ik wat al niet meer, maar het heeft een heerlijke geur.
Van de schoenmaker weet ik mij minder te herinneren. Ik kwam er wel eens, omdat Ruud bij mij in de klas zat. Klant waren we er niet. Mijn moeder had Freijser in Bloemendaal als schoenmaker voor het gezin. Zij kende die familie uit haar jeugd. Dus bij Cardol kwam ik ook nauwelijks in de winkel. Ik kwam voor de zoon. Erg veel ben ik daar overigens ook niet geweest en volgens mij alleen de eerste jaren van de lagere school.
De witte huisjes waren een beetje vervallen. De straatstenen lager er niet zo mooi bij. Het was echt een achteraf straatje, een steegje haast. Daardoor hing daar wel de sfeer die mij zo aan trok.
Laatst zocht ik de Vlugthovenstraat op, op internet. Er was weinig over te vinden. Een enkele foto, waarvan de helft uit een recente periode. Tot mijn spijt heb ik geen foto van de smederij kunnen vinden. Wanneer ik die ooit in handen krijg, zit daar wellicht een sfeervolle inkttekening in. Ik zal de sfeer die ik voelde in inkt pogen uit te drukken. De sfeer heb ik op de een of andere manier voor ogen, maar het juiste beeld ontbreekt. Net als het beslaan van de paarden. Naar ik meen gebeurde dat voor een deel, in ieder geval, op straat. Ach, de weemoed doet mij in herhaling vallen. Mis ik het? Nee, dat niet, maar met mijn gedachten terug naar plaatsen uit mijn (vroege) jeugd roepen toch weer iets. Iets wat er al heel lang niet meer was. Wat dat betreft verwaarlozen wij onze herinneringen soms teveel.maar goed, ik leef nu en kijk naar de toekomst. Toch heeft achterom kijken zo zijn charmes. Met name bij de Vlugthovenstraat ontpopt dat gevoel zich. Een, op het oog, onbeduidend straatje. En straatje wat in de moderne digitale wereld nauwelijks lijkt te bestaan. In gedachten was ik even terug. Lekker.
Van de vos Reinaert
Reinaert de Vos, wie kent hem niet. Wel, met trots mag ik zeggen dat ik een nazaat van Reinaert ben. Absoluut, Reinaert is een legende, maar mijn voorouder heeft ook echt bestaan. Bovendien geeft het verhaal over hem een goed beeld van ons vossen. Wij zijn immers sluwe dieren. Sluw, als het om eten gaat. Alhoewel, verder zijn we ook niet echt dom. De meeste vossen zijn zelfs zeer intelligent. Intelligenter dan honden en wolven. In de verte zijn we immers familie van de honden en wolven. Misschien is het grootste verschil wel dat zij roedeldieren zijn en de vos juist vrij solistisch. Honden en wolven kunnen dus ook een stuk dommer zijn, ze volgens immers hun leider. En leiders, dat hebben we inmiddels wel van de mensen geleerd, kunnen gewoon heel dom zijn. Als ze maar een grote bek hebben.
Ik woon in de duinen. De Waterleiding duinen, wel te verstaan. Ik leef tussen Vogelenzang en IJmuiden. Dat is een groot leefgebied, maar daarbij moet ik vermelden dat dit alles meer is dan mijn leefgebied. Namelijk, door het jaar heen leef ik in de verschillende gebieden. Ondanks dat een vos zijn eigen leefgebied er op na houdt, is een vos zo slim om een paar keer per jaar te verkassen. Zo hebben we verscheidene gebieden. We, want ondanks dat wij de meeste tijd in ons eentje zijn, delen we wel wat leefgebieden betreft. En wisselen we dus af.
Ik moet zeggen, dat ecoduct bij Zandvoort is een hele vooruitgang. Ik heb toch wel een paar vossen verloren, bij het oversteken van die weg. Nu hoeven we daar niet meer bang te zijn om over te steken. Op andere plekken moet je juist nog wel opletten. Zoals die dubbele weg, richting IJmuiden. Zelfs in de berm ben je daar soms niet veilig. Ik ben een oom verloren. Hij zat verscholen in de berm, een paar meter van de weg. Schuift er opeens een auto over hem heen. Een puinhoop, auto op zijn kant, oom dood. Gelukkig zijn dat de enige twee wegen waar we extra alert moeten zijn. Nu dus nog maar eentje.
Goed, ik verkas dus regelmatig. Eigenlijk per jaargetijde. In de winter zit ik wat meer in het noorden. Daar kan ik makkelijk het dorp in. O ja, ik kom ook gewoon in het dorp hoor. En heel soms lukt het mij om een kippetje te vinden, te vangen, op te peuzelen. Een echte lekkernij. Maar, vroeger (heb ik van horen vertellen) waren er veel meer kippen in de dorpen. Ach, vroeger, dat is voorbij. Nee, een kippetje is een traktatie, naast alle andere traktaties die je in de dorpen aan kan treffen. Wat het allemaal voor spul is weet ik ook niet. Veel is zoet. Ook soms zout en een enkele keer veel te zout. En vet. Ja, vet vind je ook overal. Dat is goed, zeker in de winter. En het meeste ligt voor het oprapen. Mensen zijn zo slordig. Ik kan daar hopeloos van genieten. Heerlijk.
In de duinen heb ik zo mijn contacten. Met andere vossen natuurlijk. We zijn dan geen roedeldieren, elkaar opzoeken is toch heel iets anders. Daarnaast wil ik de vrouwtjes ook wel eens een goede beurt geven. Met de kleintjes heb ik niet zo veel. Toch help ik de eerste tijd wel. Niet te lang en zeker niet teveel. Gelukkig zijn vossen niet echt monogaam. Nee, dat zeg ik verkeerd. Per jaar zijn we redelijk monogaam. Toch heb ik meestal ieder jaar wel een ander vrouwtje. Immers, verandering van spijs doet eten. En dat is waar wij, vossen, van houden. Verder heb ik niet echt contact met konijnen. Wanneer ik contact met een konijn heb, is dat om het dier te verschalken. Net als vogels. En, don't forget de eieren. Voor een goed ei mag je mij wakker maken. De pest is dat ik ze altijd zelf te pakken moet zien te krijgen. Lijkt een makkie, maar soms een reuze opgave.
Nee, mijn contacten zijn met de grotere dieren: reeën, herten, paarden en een soort koe. Die laatste zijn toch een stelletje domme grazers...
" Ha, Vossie, dat hoorde ik mooi effe. Helemaal gelijk rooie. Die koeien die ze hier laten grazen zijn volgens mij allemaal een beetje simpel."
" Ach, als we daar ons reeën madame niet hebben."
" Helemaal raak rooie. Ook lekker aan de wandel? En, net als altijd, hardop aan het mijmeren?"
" Ach Truus, soms heb ik lekker aanspraak aan mezelf. Ben jij alleen, of loopt jou groepje in de buurt?"
" Ik wilde effe alleen zijn. Ik was net van plan weer terug te gaan."
" Nou, doe ze de groeten. Ik zie je wel weer."
Kijk daar gaat mevrouw ree. Ze is absoluut aardig, maar van wat eenvoudige komaf. Haar roedel is trouwens een beetje uit z'n jasje gegroeid. Overal kom je tegenwoordig reeën tegen. Aardig volk, maar wat platvloers soms. De paarden, die zijn tof. Eigenlijk is het meer een soort pony en ze komen van heel ver weg. Ik zie ze vooral in de winter, want hun groep staat aan de noordkant van de Kennemerduinen. Ook de koeien staan in hun eigen gebieden. De rest is zo vrij als een vogeltje. Zoals de vos. Ik kan zelfs lekker over het Bloemendaalse strand lopen. Niet overdag, maar als het donker is. Nou ik het daar over heb. Een jaartje geleden was ik in de zomer op de camping de Lakens. Ook in Bloemendaal. Het was nog best vroeg en ik scharrelde tussen de tenten. Ja, daar is vaak iets te vinden. Komt er een kerel uit een tentje, gaat er voor zitten en maakt zijn ontbijtje. Ik zat een paar meter verder. Ik keek, maar hij sloeg nauwelijks acht op mij. Ik ben er van overtuigd dat het zo'n type was die niet zag dat ik een vos ben, maar dacht dat ik een hond was. Meestal raken mensen heel erg opgewonden als ze een vos zien. Dat vinden ze geweldig. Hoe vaak ik wel niet gefotografeerd ben... Je kan er een boek van maken. Ik heb niks aan een boek, maar misschien vinden de mensen het wat. Het leven van een vos is tegenwoordig niet slecht. Hier wordt er ook eigenlik niet op ons gejaagd. Lekker rustig.
Ik ga zo ergens een tukje doen. In de nacht ben ik veel op, maar overdag ben ik ook veel wakker. Ik slaap wanneer ik moe ben. En nu, nu ben ik nog lang niet moe...
Ik woon in de duinen. De Waterleiding duinen, wel te verstaan. Ik leef tussen Vogelenzang en IJmuiden. Dat is een groot leefgebied, maar daarbij moet ik vermelden dat dit alles meer is dan mijn leefgebied. Namelijk, door het jaar heen leef ik in de verschillende gebieden. Ondanks dat een vos zijn eigen leefgebied er op na houdt, is een vos zo slim om een paar keer per jaar te verkassen. Zo hebben we verscheidene gebieden. We, want ondanks dat wij de meeste tijd in ons eentje zijn, delen we wel wat leefgebieden betreft. En wisselen we dus af.
Ik moet zeggen, dat ecoduct bij Zandvoort is een hele vooruitgang. Ik heb toch wel een paar vossen verloren, bij het oversteken van die weg. Nu hoeven we daar niet meer bang te zijn om over te steken. Op andere plekken moet je juist nog wel opletten. Zoals die dubbele weg, richting IJmuiden. Zelfs in de berm ben je daar soms niet veilig. Ik ben een oom verloren. Hij zat verscholen in de berm, een paar meter van de weg. Schuift er opeens een auto over hem heen. Een puinhoop, auto op zijn kant, oom dood. Gelukkig zijn dat de enige twee wegen waar we extra alert moeten zijn. Nu dus nog maar eentje.
Goed, ik verkas dus regelmatig. Eigenlijk per jaargetijde. In de winter zit ik wat meer in het noorden. Daar kan ik makkelijk het dorp in. O ja, ik kom ook gewoon in het dorp hoor. En heel soms lukt het mij om een kippetje te vinden, te vangen, op te peuzelen. Een echte lekkernij. Maar, vroeger (heb ik van horen vertellen) waren er veel meer kippen in de dorpen. Ach, vroeger, dat is voorbij. Nee, een kippetje is een traktatie, naast alle andere traktaties die je in de dorpen aan kan treffen. Wat het allemaal voor spul is weet ik ook niet. Veel is zoet. Ook soms zout en een enkele keer veel te zout. En vet. Ja, vet vind je ook overal. Dat is goed, zeker in de winter. En het meeste ligt voor het oprapen. Mensen zijn zo slordig. Ik kan daar hopeloos van genieten. Heerlijk.
In de duinen heb ik zo mijn contacten. Met andere vossen natuurlijk. We zijn dan geen roedeldieren, elkaar opzoeken is toch heel iets anders. Daarnaast wil ik de vrouwtjes ook wel eens een goede beurt geven. Met de kleintjes heb ik niet zo veel. Toch help ik de eerste tijd wel. Niet te lang en zeker niet teveel. Gelukkig zijn vossen niet echt monogaam. Nee, dat zeg ik verkeerd. Per jaar zijn we redelijk monogaam. Toch heb ik meestal ieder jaar wel een ander vrouwtje. Immers, verandering van spijs doet eten. En dat is waar wij, vossen, van houden. Verder heb ik niet echt contact met konijnen. Wanneer ik contact met een konijn heb, is dat om het dier te verschalken. Net als vogels. En, don't forget de eieren. Voor een goed ei mag je mij wakker maken. De pest is dat ik ze altijd zelf te pakken moet zien te krijgen. Lijkt een makkie, maar soms een reuze opgave.
Nee, mijn contacten zijn met de grotere dieren: reeën, herten, paarden en een soort koe. Die laatste zijn toch een stelletje domme grazers...
" Ha, Vossie, dat hoorde ik mooi effe. Helemaal gelijk rooie. Die koeien die ze hier laten grazen zijn volgens mij allemaal een beetje simpel."
" Ach, als we daar ons reeën madame niet hebben."
" Helemaal raak rooie. Ook lekker aan de wandel? En, net als altijd, hardop aan het mijmeren?"
" Ach Truus, soms heb ik lekker aanspraak aan mezelf. Ben jij alleen, of loopt jou groepje in de buurt?"
" Ik wilde effe alleen zijn. Ik was net van plan weer terug te gaan."
" Nou, doe ze de groeten. Ik zie je wel weer."
Kijk daar gaat mevrouw ree. Ze is absoluut aardig, maar van wat eenvoudige komaf. Haar roedel is trouwens een beetje uit z'n jasje gegroeid. Overal kom je tegenwoordig reeën tegen. Aardig volk, maar wat platvloers soms. De paarden, die zijn tof. Eigenlijk is het meer een soort pony en ze komen van heel ver weg. Ik zie ze vooral in de winter, want hun groep staat aan de noordkant van de Kennemerduinen. Ook de koeien staan in hun eigen gebieden. De rest is zo vrij als een vogeltje. Zoals de vos. Ik kan zelfs lekker over het Bloemendaalse strand lopen. Niet overdag, maar als het donker is. Nou ik het daar over heb. Een jaartje geleden was ik in de zomer op de camping de Lakens. Ook in Bloemendaal. Het was nog best vroeg en ik scharrelde tussen de tenten. Ja, daar is vaak iets te vinden. Komt er een kerel uit een tentje, gaat er voor zitten en maakt zijn ontbijtje. Ik zat een paar meter verder. Ik keek, maar hij sloeg nauwelijks acht op mij. Ik ben er van overtuigd dat het zo'n type was die niet zag dat ik een vos ben, maar dacht dat ik een hond was. Meestal raken mensen heel erg opgewonden als ze een vos zien. Dat vinden ze geweldig. Hoe vaak ik wel niet gefotografeerd ben... Je kan er een boek van maken. Ik heb niks aan een boek, maar misschien vinden de mensen het wat. Het leven van een vos is tegenwoordig niet slecht. Hier wordt er ook eigenlik niet op ons gejaagd. Lekker rustig.
Ik ga zo ergens een tukje doen. In de nacht ben ik veel op, maar overdag ben ik ook veel wakker. Ik slaap wanneer ik moe ben. En nu, nu ben ik nog lang niet moe...
Labels:
Driehuis,
hert,
Kennemerduinen,
koe,
paard pony,
ree,
Reinaert,
Santpoort,
Sprookje,
Vogelenzang,
vos,
Zandvoort
dinsdag 24 maart 2015
Kuiken Gerard
Een week of zes ben ik nu. Mijn naam is Gerad. Ja, debiel hoor. Die mensen hebben mij Gerard genoemd, terwijl ik een kip ben, geen haan. Ik heb een zusje, Sproet en twee broertjes; Willem en Reinout. We zijn veel dicht bij elkaar, met z'n viertjes. Nu helemaal. Onze moeder, Uli, heeft eergisteren weer een ei gelegd. Daarmee is onze opvoeding klaar. Zo ziet ze dat en zo gaat dat in de kippenwereld. Tot eergisteren liet ze ons vrijwel nooit in de steek. We waren altijd samen, op die keer, drie dagen geleden. We liepen lekker door het veld tot er opeens een grote hond aan kwam. Een vrolijk ding, maar erg speels en zeer groot. Een jonge Golden Retriever. Mamma gaf een noodkreet. We waren best ver van onze ren. Mams spurtte naar de ren. Ik was de enige, die kon volgen. De andere drie niet en hielden zich heel stil tot ze door hadden dat ze veilig terug konden. Stomme Sproet kon de ingang niet vinden, maar die meneer hier hielp haar. Dan kwam Reinout en met z'n viertjes zaten we in het hok. Mams zat te kakelen en deed heel onrustig. Waar was Wilma? De meneer en mevrouw gingen het veld in. En ja hoor, na een poosje was ook Wilma weer terug. Gelijk was er ook weer rust in de tent. Dat was voor het eerst dat mamma ons aan ons lot over liet.
Wel, de dag er na legde ze dus een ei. Een hoop gekakel. We begrepen er niks van. De meneer eerst ook niet, tot hij met een ei kwam, het in het hok legde, en mamma haar ei kwijt kon.
Sindsdien gaat ze vooral haar eigen gang. 's Ochtends vliegt ze de ren uit. Wij kunnen dat nog niet. Wanneer de meneer komt (die zien we in de ochtend altijd eerder dan de mevrouw) doet hij het luikje van de ren open. Meestal komt mams dan weer even terug. Snel daarna vertrekt ze weer. Ze geeft aan dat ze alleen gaat. Wij moeten in de ren blijven. Soms geeft ze aan dat we met haar mee mogen. Dan gaan we niet meer zo ver als eerst. Die hond is er soms opeens weer, en dan moeten we weer snel naar binnen kunnen.
Als mams op pad is zitten we meestal bij elkaar. Alleen Reinout zit alleen op een tak, aan de andere kant van het hok. Niet altijd hoor, maar Reinout is wat eigenzinnig. Zelf ben ik dat ook. Ondanks dat ik een kip ben, ben ik haantje de voorste van ons. Ik ben vrij avontuurlijk ingesteld. Reinout is de meest afhankelijke en voorzichtige van het stel. Met elkaar kunnen we het uitstekend vinden. Gelukkig komen meneer en mevrouw regelmatig naar ons toe. Dat geeft vertrouwen en dan durven we wat makkelijker te scharrelen. Maar vooral geven meneer en mevrouw ons eten. In de ochtend een bakje met allemaal verschillende dingen. Ook iedere dag weer anders. Later krijgen we kaas. Daar zijn we dol op, maar tegenwoordig probeert mams alle kaas zelf te pikken. Dat lukt gelukkig niet. Lekker puh.
Wanneer we met mamma aan de wandel gaan, gaan we ook steeds meer onze eigen gang en verder van mamma af. Als er onraad is geeft ze een seintje en zien wij het al, dan schieten we naar de ren. Ik moet zeggen, ondanks dat het best eng is, voel ik mij eigenlijk al een beetje volwassen. En mijn zusje en broertjes ook.
Een enkele keer maakt mamma het wel heel erg dol. Zoals net. Wij waren in de ren, omdat het een beetje regende. Komt zij binnen en jaagt ze ons weg... De laatste dagen eet ze ook opeens heel veel. Misschien wel voor haar eieren, maar om ons daarvoor de regen in te jagen... Dat gaat wel erg ver hoor. Dus nu lopen we maar wat te scharrelen op het veld. Tja, wat moet je anders?
Ik ben benieuwd hoe het verder gaat. Ik vraag me af of de meneer en mevrouw straks wel twee hanen willen houden. Aan de overkant zijn een hoop hanen. Die vliegen elkaar constant in de haren. Sproet en ik mogen vast wel blijven. Wij gaan, als we echt groot zijn ook eieren leggen. Dat vinden de mensen leuk. En misschien krijgen Sproet en ik ook kuikens. Dan krijgen de mensen nóg meer eieren. In ieder geval zorgen de meneer en mevrouw wel goed voor ons. Dat staat buiten kijf. Ik heb ook gehoord dat we over een poosje gaan verhuizen. De meneer (mevrouw ook) wil dan een nog mooier hok voor ons maken, en ook een grotere ren. Met legbakken, waar we onze eieren in kunnen leggen.
Wanneer we op stok gaan ligt er ook iedere dag wat lekker voer in het hok. Een soort snoepje voor ons. Lekker voor het slapen gaan. Dan kruipen we bij mamma in het zaagsel. Er ligt een dikke laag zaagsel in het hok. Lekker zacht en ook heel warm. Ik vind het heerlijk vroeg op stok te gaan. Uitslapen doen wij, kippen, eigenlijk nooit. Dan hebben we de drang naar buiten te gaan. En net als mams vliegen we straks ook de ren 's ochtends uit. Lekker in de grond wroeten en wormen zoeken. Van die lekkere, dikke, vette, wormen. Ik krijg er water van in mijn snavel, als ik daar aan denk. En op het veld zijn een hoop wormen. Ik hoop straks dat er een nieuw veld us en dat daar dan ook veel wormen zitten. Ja, zo slecht is het keven van een kip niet. En zo langzamerhand begin ik al een echte kip te worden. Een mooie donkere kip. Zullen mijn eieren dan wit of bruin worden? Spannend... Wit lijkt me wel mooi. Maar dat is pas voor later.. Nu ben ik geen kuiken meer, nu ben ik een kriel. Bij mensen heet dat puber. Nog een paar maanden, dan ben ik echt een kip. Kriel blijf je best lang, kuiken zijn is zo voorbij. Als kriel ga je het echte leven leren. Lang niet altijd gemakkelijk hoor, maar, ik heb er zin in!
Wel, de dag er na legde ze dus een ei. Een hoop gekakel. We begrepen er niks van. De meneer eerst ook niet, tot hij met een ei kwam, het in het hok legde, en mamma haar ei kwijt kon.
Sindsdien gaat ze vooral haar eigen gang. 's Ochtends vliegt ze de ren uit. Wij kunnen dat nog niet. Wanneer de meneer komt (die zien we in de ochtend altijd eerder dan de mevrouw) doet hij het luikje van de ren open. Meestal komt mams dan weer even terug. Snel daarna vertrekt ze weer. Ze geeft aan dat ze alleen gaat. Wij moeten in de ren blijven. Soms geeft ze aan dat we met haar mee mogen. Dan gaan we niet meer zo ver als eerst. Die hond is er soms opeens weer, en dan moeten we weer snel naar binnen kunnen.
Als mams op pad is zitten we meestal bij elkaar. Alleen Reinout zit alleen op een tak, aan de andere kant van het hok. Niet altijd hoor, maar Reinout is wat eigenzinnig. Zelf ben ik dat ook. Ondanks dat ik een kip ben, ben ik haantje de voorste van ons. Ik ben vrij avontuurlijk ingesteld. Reinout is de meest afhankelijke en voorzichtige van het stel. Met elkaar kunnen we het uitstekend vinden. Gelukkig komen meneer en mevrouw regelmatig naar ons toe. Dat geeft vertrouwen en dan durven we wat makkelijker te scharrelen. Maar vooral geven meneer en mevrouw ons eten. In de ochtend een bakje met allemaal verschillende dingen. Ook iedere dag weer anders. Later krijgen we kaas. Daar zijn we dol op, maar tegenwoordig probeert mams alle kaas zelf te pikken. Dat lukt gelukkig niet. Lekker puh.
Wanneer we met mamma aan de wandel gaan, gaan we ook steeds meer onze eigen gang en verder van mamma af. Als er onraad is geeft ze een seintje en zien wij het al, dan schieten we naar de ren. Ik moet zeggen, ondanks dat het best eng is, voel ik mij eigenlijk al een beetje volwassen. En mijn zusje en broertjes ook.
Een enkele keer maakt mamma het wel heel erg dol. Zoals net. Wij waren in de ren, omdat het een beetje regende. Komt zij binnen en jaagt ze ons weg... De laatste dagen eet ze ook opeens heel veel. Misschien wel voor haar eieren, maar om ons daarvoor de regen in te jagen... Dat gaat wel erg ver hoor. Dus nu lopen we maar wat te scharrelen op het veld. Tja, wat moet je anders?
Ik ben benieuwd hoe het verder gaat. Ik vraag me af of de meneer en mevrouw straks wel twee hanen willen houden. Aan de overkant zijn een hoop hanen. Die vliegen elkaar constant in de haren. Sproet en ik mogen vast wel blijven. Wij gaan, als we echt groot zijn ook eieren leggen. Dat vinden de mensen leuk. En misschien krijgen Sproet en ik ook kuikens. Dan krijgen de mensen nóg meer eieren. In ieder geval zorgen de meneer en mevrouw wel goed voor ons. Dat staat buiten kijf. Ik heb ook gehoord dat we over een poosje gaan verhuizen. De meneer (mevrouw ook) wil dan een nog mooier hok voor ons maken, en ook een grotere ren. Met legbakken, waar we onze eieren in kunnen leggen.
Wanneer we op stok gaan ligt er ook iedere dag wat lekker voer in het hok. Een soort snoepje voor ons. Lekker voor het slapen gaan. Dan kruipen we bij mamma in het zaagsel. Er ligt een dikke laag zaagsel in het hok. Lekker zacht en ook heel warm. Ik vind het heerlijk vroeg op stok te gaan. Uitslapen doen wij, kippen, eigenlijk nooit. Dan hebben we de drang naar buiten te gaan. En net als mams vliegen we straks ook de ren 's ochtends uit. Lekker in de grond wroeten en wormen zoeken. Van die lekkere, dikke, vette, wormen. Ik krijg er water van in mijn snavel, als ik daar aan denk. En op het veld zijn een hoop wormen. Ik hoop straks dat er een nieuw veld us en dat daar dan ook veel wormen zitten. Ja, zo slecht is het keven van een kip niet. En zo langzamerhand begin ik al een echte kip te worden. Een mooie donkere kip. Zullen mijn eieren dan wit of bruin worden? Spannend... Wit lijkt me wel mooi. Maar dat is pas voor later.. Nu ben ik geen kuiken meer, nu ben ik een kriel. Bij mensen heet dat puber. Nog een paar maanden, dan ben ik echt een kip. Kriel blijf je best lang, kuiken zijn is zo voorbij. Als kriel ga je het echte leven leren. Lang niet altijd gemakkelijk hoor, maar, ik heb er zin in!
maandag 23 maart 2015
In den vreemde: gevoel van vrijheid (33)
Vrijheid. We hebben onze mond er vol van. In Nederland leven we in vrijheid. Waarom ga je naar Turkije? Daar is geen vrijheid en Erdogan regeert daar met stevige hand. In Turkije heb je geen vrijheid. Maar wat verstaan we eigenlijk onder vrijheid? In Turkije ervaar ik vele malen meer vrijheid, dan in Nederland. Vrijheid van meningsuiting... Inderdaad, hier zijn beperkingen, maar over het algemeen zie ik dit vooralsnog zeker niet als belemmering. Ik kan misschien niet alles overal zeggen, maar ik heb die behoefte ook helemaal niet. Nu ik hier ruim een half jaar ben ervaar ik de vrijheid steeds meer en voelt Nederland steeds meer als een beklemming. Nu leven er in Nederland vele malen meer mensen op één vierkante kilometer, dat is een feit. Misschien is dat de reden dat we elkaar zo enorm beperken in onze vrijheid. Om te beginnen alle regeltjes waar wij ons aan dienen te houden. De wet schrijft ons bepaalde leefregels voor, wat een beperking van de vrijheid is, vooral ook door de controle daar op, en de sancties.
Hier zijn misschien ook dat soort regels, maar controle en sancties zijn minimaal. Laat ik in Nederland mijn hond los lopen, riskeer ik een boete van bijna honderd euro. Is het niet de overheid, die er wat van zegt, zijn het wel andere mensen die je duidelijk laten merken dat "dat niet mag". Ja, want politieagentje speken doet men graag. Hier lopen alle honden los. Niemand die zich daaraan stoort. Sommigen misschien toch wel, maar men accepteert het. In welk van beide landen is er nu, op dit gebied, sprake van vrijheid? Het elkaar aanspreken en beperken is ook een vorm van vrijheidsbeperking. In Turkije regel je de dingen ook onderling. Hier meld je dat niet aan de politie, of gemeente. Natuurlijk zijn er ook hier uitzonderingen, maar hier is het veel meer leven en laten leven. Dat ervaar ik als vrijheid. Er is ook veel minder irritatie. Staat er een auto op de weg of in de weg, dan wacht je even. Auto's rijden hier veelal een stukje tegen het verkeer in. Geen probleem, je houdt er gewoon rekening mee.
Het kan niet anders dan de dichtheid per vierkante kilometer speelt een rol in het verschil in dit gedrag. Maar mogelijk ook klimatologische aspecten. Hier is het keven veel meer buiten, in vergelijk met Nederland. Hier is ook meer vitamine D, een vitamine die volgens mij ook een positieve invloed op het gedrag van de mensen heeft. Een ander verschil is, denk ik, het verschil van leven op een aantal aspecten. Voor de Turk speelt het familieleven een veel sterkere rol, dan in Nederland. Hier is men minder individualistisch. Ook leef je hier meer basic. Er is minder vanzelfsprekendheid, zoals de regelmatige uitval van elektra, de kachel die je moet stoken. Naar mijn idee is de manier van leven ook een graadmeter voor het gevoel van vrijheid. Het niet aan elkaar te hoeven spiegelen. Zoals ik in de blog over mode schreef; je kan hier gewoon in je pyamabroek over straat en niemand zal daar acht op slaan.
Misschien is in Nederland de vrijheid formeel groter. Ik merk alleen dat ik niet veel aan die formele vrijheid heb. Vrijheid zit in jezelf, vrijheid is een gevoel. Nog een maand en dan herdenkt Nederland weer haar doden als haar vrijheid. Misschien eens om goed over na te denken, in welke vrijheid wij in Nederland feitelijk leven. De ongebreidelde hoeveelheid wetten en regels, die Nederland kent, beperken ons. Zonder dat we het door hebben, lijkt wel. Ook ik had het niet door en heb de ervaring van een langere tijd buitenland nodig. Niet om het te zien, maar om het te ervaren. Daarbij ben ik van mening dat dit niet alleen gerelateerd is aan Turkije. Wel aan de meer Mediterrane landen. Zeker aan landen waar een andere (in de ogen van veel Nederlanders al snel minder hoge) levensstandaard is. Ondanks deze blog merk ik ook dat dit gevoel heel moeilijk goed te verwoorden is. In ieder geval voel ik hier een vrijheid, waar ik mij wel bij voel. Ik heb minder stress, word wellicht ook minder cynisch, maar vooral; ik geniet zo veel meer van het leven. Dat is toch heerlijk, wanneer je dat over jezelf kan zeggen?
Hier zijn misschien ook dat soort regels, maar controle en sancties zijn minimaal. Laat ik in Nederland mijn hond los lopen, riskeer ik een boete van bijna honderd euro. Is het niet de overheid, die er wat van zegt, zijn het wel andere mensen die je duidelijk laten merken dat "dat niet mag". Ja, want politieagentje speken doet men graag. Hier lopen alle honden los. Niemand die zich daaraan stoort. Sommigen misschien toch wel, maar men accepteert het. In welk van beide landen is er nu, op dit gebied, sprake van vrijheid? Het elkaar aanspreken en beperken is ook een vorm van vrijheidsbeperking. In Turkije regel je de dingen ook onderling. Hier meld je dat niet aan de politie, of gemeente. Natuurlijk zijn er ook hier uitzonderingen, maar hier is het veel meer leven en laten leven. Dat ervaar ik als vrijheid. Er is ook veel minder irritatie. Staat er een auto op de weg of in de weg, dan wacht je even. Auto's rijden hier veelal een stukje tegen het verkeer in. Geen probleem, je houdt er gewoon rekening mee.
Het kan niet anders dan de dichtheid per vierkante kilometer speelt een rol in het verschil in dit gedrag. Maar mogelijk ook klimatologische aspecten. Hier is het keven veel meer buiten, in vergelijk met Nederland. Hier is ook meer vitamine D, een vitamine die volgens mij ook een positieve invloed op het gedrag van de mensen heeft. Een ander verschil is, denk ik, het verschil van leven op een aantal aspecten. Voor de Turk speelt het familieleven een veel sterkere rol, dan in Nederland. Hier is men minder individualistisch. Ook leef je hier meer basic. Er is minder vanzelfsprekendheid, zoals de regelmatige uitval van elektra, de kachel die je moet stoken. Naar mijn idee is de manier van leven ook een graadmeter voor het gevoel van vrijheid. Het niet aan elkaar te hoeven spiegelen. Zoals ik in de blog over mode schreef; je kan hier gewoon in je pyamabroek over straat en niemand zal daar acht op slaan.
Misschien is in Nederland de vrijheid formeel groter. Ik merk alleen dat ik niet veel aan die formele vrijheid heb. Vrijheid zit in jezelf, vrijheid is een gevoel. Nog een maand en dan herdenkt Nederland weer haar doden als haar vrijheid. Misschien eens om goed over na te denken, in welke vrijheid wij in Nederland feitelijk leven. De ongebreidelde hoeveelheid wetten en regels, die Nederland kent, beperken ons. Zonder dat we het door hebben, lijkt wel. Ook ik had het niet door en heb de ervaring van een langere tijd buitenland nodig. Niet om het te zien, maar om het te ervaren. Daarbij ben ik van mening dat dit niet alleen gerelateerd is aan Turkije. Wel aan de meer Mediterrane landen. Zeker aan landen waar een andere (in de ogen van veel Nederlanders al snel minder hoge) levensstandaard is. Ondanks deze blog merk ik ook dat dit gevoel heel moeilijk goed te verwoorden is. In ieder geval voel ik hier een vrijheid, waar ik mij wel bij voel. Ik heb minder stress, word wellicht ook minder cynisch, maar vooral; ik geniet zo veel meer van het leven. Dat is toch heerlijk, wanneer je dat over jezelf kan zeggen?
Badhuis
Waarschijnlijk loopt iedere volwassene wel met een jeugdtrauma. Ik ben daar dan ook geen uitzondering op. Het gekke is dat wat voor mij een trauma zou moeten zijn, het niet is. Zomer 1962., nog voor mijn zesde dus. Bij de achterburen was een jongen een haag aan het knippen. Ik liep te zeiken en hij knipte vervolgens mijn vingertop af. Ik geef hier maar even de verkorte versie. Ik mis dus een topje, wat bij velen als een blijvend trauma gedurende het leven zal achtervolgen. In mijn geval zag ik de humor er (weliswaar wat later) van in. Toch is hier een vrij rechtstreeks verband met een trauma. Het badhuis...
Het voormalige badhuis was in mijn jonge jaren nog badhuis, maar had ook een "medische" functie. Voor controles van mijn afgehakte vingertop moest ik naar het badhuis. Een kil gebouw. Wat beige witte facettegels langs de muren. Het klonk er hol. Het gebouw was onderverdeeld in twee grote helften en die waren weer opgedeeld in meerdere kleine vertrekken. Waarschijnlijk voor de baden, maar wellicht waren er ook douches. Ook werden de ruimtes gebruikt voor andere doeleinden, waaronder de poli achtige kamer. Maar, ik gaf het al aan, daar heb ik geen trauma aan over gehouden.
In die tijd werd er soms nog massaal ingeënt. De huidige jeugd kent dat soort taferelen enkel van de televisie met programma's over zielige kinderen in de derde wereld. In mijn tijd, geen televisie, maar werkelijkheid. In die kille ruimte stond je in de rij, in je hemd. Grote, streng ogende, vrouwen in witte uniformen snauwden (zo is het in mijn beleving blijven hangen) de rij toe, die langzaam voort schreed. Een prikje vond ik niet eng, al wilde ik niet kijken, wanneer de naald door mijn huid prikte. Nee, mijn trauma kwam van die andere koters. Sommigen die daar stonden of de wereld verging, anderen krijsten of de mensen in Nieuw Zeeland het moesten horen. De combinatie van die betegelde ruimte, kil en sfeerloos, en de angstige schreeuwlelijken. Misschien zit daar wel ergens verscholen, dat ik zelf nooit kinderen heb gemaakt (ten minste, voor zo ver ik weet). Dat prikken vond, volgens mij, plaats ten tijde van mijn kleuterschool, vijftig meter verderop. Behalve het verhaal van de goochelaar heb ik weinig herinneringen aan de kleuterschool. Ik weet nog, achter (de boszijde) was een speelplaats. Groot hek er omheen. Je had van die metalen trapauto's. Die waren erg populair, altijd dringen. Ik weet dat ik daar graag op zat.
Later realiseerde ik mij, dat het badhuis eigenlijk op een bijzondere plaats gebouwd was. In steden staan oude badhuizen juist in de centra van de wijken. Dit badhuis was min of meer weg gestopt, aan de rand van het bos. Nu waren de verschillen in Santpoort vrij groot, tussen de meer welgestelden en de armeren. Misschien om gêne te voorkomen, dat het badhuis "uit zicht" gebouwd was.
Ergens in de jaren zestig werd het badhuis gesloten. Ne een verbouwing kwam daar de bibliotheek in. De tegels waren verdwenen, in ieder geval uit zicht. Ook op de vloer was nu grijs stevig tapijt, in plaats van de kille granietvloeren. De ruimte was nu een grote ruimte, dus de meeste hokjes waren gesloopt. Een totaal andere uitstraling. Een plezierige ook. Vrijwel vanaf het begin kwam ik er vaak. De hele familie kwam er met regelmaat. Al op de lagere school hield ik van lezen. Lezen en verhaaltjes schrijven. Voor het lezen kon ik in de bieb terecht. Meestal las ik mijn boeken binnen de vastgestelde periode, maar het kwam ook zeer regelmatig voor dat ik een boete moest betalen, vanwege het late retourneren. Soms luiigheid en vergeten het papier terug te brengen. Soms omdat ik nooit een snelle lezer ben geweest en het betreffende boek niet uit was. Verlengen kon wel, maar dan alleen met een geldige reden. Bovendien moest er niet al een aanvraag liggen, van iemand anders die het betreffende boek had gereserveerd. Beiden heb ik eigenlijk nooit voor handen gehad. Meestal dacht ik er aan, alhoewel grosso modo ik vooral vergat wanneer de boeken terug moesten. Lezen deed ik veel. Ik verslond de boeken bijna, en las vooral boeken, die eigenlijk voor hogere leeftijden waren. An Rutgers van der Loeff (de Kindercaravan) had ik al gelezen, voor de bieb bibliotheek was. Ik kwam er op zich ook graag. Naast literatuur nam ik ook altijd iets ontspannends mee. Vooral detectives hadden mijn warme belangstelling. Al vroeg was ik een einzelgänger. Niet dat ik mensen van mij af hield, maar ik wist mij altijd prima te vermaken. Inmenging van anderen was wel eens storend. Dat had zeker met de thuissituatie te maken. Als nakomeling was ik redelijk op mijzelf aangewezen. Daarnaast bezat ik al een levendige fantasie. Daar zat ook iets kinderlijks in. Op mijn 16e speelde ik nog met treinhuisjes, autootjes (schaal 1:78 of zo iets) en boutjes. De boutjes waren de mensen. Behalve mijn kinderlijke fantasieën was ik ook gewoon puber en kwam seks al om de hoek kijken. Ook las ik tegen die tijd al ingewikkelde boeken over psychologie. In feite universitaire werken. Aan de ene kant was ik nog heel erg het kind, terwijl ik aan de andere kant juist zeer volwassen was. Een vat vol tegenstellingen. Dat was ik en ben ik waarlijk nog steeds.
Toch sleet de bibliotheek langzaam uit mijn leven. Ik vergat de boeken op tijd terug te brengen en las ook niet alles wat ik mee genomen had. Uiteindelijk is mijn lidmaatschap opgezegd. Mijn moeder en jongste broer zijn nog lang fanatiek lid gebleven. Ook verdween het gebouw langzaam uit mijn leven. Wanneer ik er later nog wel eens langs reed zag ik nog steeds, of weer, het badhuis voor me, niet de bieb.
Misschien heeft het met het ouder worden te maken, dat herinneringen weer terug komen. Wellicht doordat ik nu een grotere afstand heb. Mijn hele leven heb ik in de buurt van mijn jeugd gewoond (Overveen, Haarlem, Driehuis). Nu kom ik er van los. Ik kijk vanaf een afstand naar het dorp. Daarmee kijk ik ook terug naar mijn jeugd. Het badhuis is zo'n gebouw dat meer oproept dan de herinneringen aan het gebouw zelf. Bijvoorbeeld die keer dat ik met de achterbuurjongen (Jan Wiebe van Veen) mee ging. Heel spontaan. Op een zondag. Of het in het gebouw van de kleuterschool was, of in het badhuis weet ik niet meer. In ieder geval ging hij naar de zondagsschool en ik ging mee. Een aantal keren ben ik daar geweest. Even zo snel ging mijn belangstelling weer verloren. Ik leed aan een ongekende belangstelling , of liet de materie volledig los. Ik was, en ben nog steeds, breed en divers geïnteresseerd, maar lang niet alles beklijft. Ik wilde ontdekken. Dat was het mooie, en tevens beangstigende, van het bos. Er was altijd zo veel te ontdekken. Op het gras voor het badhuis groeide krokussen. In het voorjaar keek ik de bloemen zowat uit hun knoppen.
Wat het badhuis tegenwoordig voor functie heeft weet ik niet. Het zal wel weer een bedrijfje zijn, die zich daar gevestigd heeft. Ik wil het niet eens weten. Wat dat betreft koester ik ook graag de waarde van het verleden. Terugkijkend valt me op, dat er al zo veel veranderd is. In het dagelijkse keven nauwelijks merkbaar, door de tijd heen shockerend. Een stukje groen, waar ik soms speelde, bossages, grasveldje, allemaal on aangelegd. Ergens achteraan, aan de Roos en Beeklaan. We speelden daar. Toen werd daar een enorme MTS gebouwd. Inmiddels worden er nu moderne 50+ woningen gebouwd. Bijna alle groene, wilde stukjes, waar ik als kind speelde, zijn vol gebouwd. Gelukkig is het bos er nog. Staat het badhuis er nog, schuin tegenover Beth-El en even verderop het Chalet. Ondanks de veranderingen van de panden zelf zijn zij overeind gebleven. Een hele troost. Modernisering is niet heilig, evenmin oude panden. Maar waar ligt het evenwicht? Dat mijn lagere school is gesloopt doet emotioneel pijn. Dat de voorgevel behouden is en de nieuwbouw een moderne versie van de oude school is maakt ook weer een hoop goed. Een pleister op de wond, zal ik maar zeggen.
Maar sommige zaken uit het verleden moeten gewoon blijven. Dat het gebouw van de Witte Paters is gesloopt en vervangen door een lelijke flat is erg, maar valt mee te keven. Buiten zicht, maar het aanzien van de Wüstelaan, graag houden, de molen, Beth-El, badhuis, Chalet en zelfs de eerste chique woningen van Santpoort-Zuid. Het bos; Burgermeester Rijkerspark. Wanneer deze zaken verloren gaan dicht de mensheid geen waarde meer aan haar verleden. Dan begrijp ik monumentenzorg en de lijst van wereld erfgoederen heel goed. De mens zelf is niet goed in staat haar cultuur en geschiedenis te bewaren en bewaken. En wie weet wordt het badhuis ooit weer een badhuis. Maar dan wel met andere tegeltjes graag.
Het voormalige badhuis was in mijn jonge jaren nog badhuis, maar had ook een "medische" functie. Voor controles van mijn afgehakte vingertop moest ik naar het badhuis. Een kil gebouw. Wat beige witte facettegels langs de muren. Het klonk er hol. Het gebouw was onderverdeeld in twee grote helften en die waren weer opgedeeld in meerdere kleine vertrekken. Waarschijnlijk voor de baden, maar wellicht waren er ook douches. Ook werden de ruimtes gebruikt voor andere doeleinden, waaronder de poli achtige kamer. Maar, ik gaf het al aan, daar heb ik geen trauma aan over gehouden.
In die tijd werd er soms nog massaal ingeënt. De huidige jeugd kent dat soort taferelen enkel van de televisie met programma's over zielige kinderen in de derde wereld. In mijn tijd, geen televisie, maar werkelijkheid. In die kille ruimte stond je in de rij, in je hemd. Grote, streng ogende, vrouwen in witte uniformen snauwden (zo is het in mijn beleving blijven hangen) de rij toe, die langzaam voort schreed. Een prikje vond ik niet eng, al wilde ik niet kijken, wanneer de naald door mijn huid prikte. Nee, mijn trauma kwam van die andere koters. Sommigen die daar stonden of de wereld verging, anderen krijsten of de mensen in Nieuw Zeeland het moesten horen. De combinatie van die betegelde ruimte, kil en sfeerloos, en de angstige schreeuwlelijken. Misschien zit daar wel ergens verscholen, dat ik zelf nooit kinderen heb gemaakt (ten minste, voor zo ver ik weet). Dat prikken vond, volgens mij, plaats ten tijde van mijn kleuterschool, vijftig meter verderop. Behalve het verhaal van de goochelaar heb ik weinig herinneringen aan de kleuterschool. Ik weet nog, achter (de boszijde) was een speelplaats. Groot hek er omheen. Je had van die metalen trapauto's. Die waren erg populair, altijd dringen. Ik weet dat ik daar graag op zat.
Later realiseerde ik mij, dat het badhuis eigenlijk op een bijzondere plaats gebouwd was. In steden staan oude badhuizen juist in de centra van de wijken. Dit badhuis was min of meer weg gestopt, aan de rand van het bos. Nu waren de verschillen in Santpoort vrij groot, tussen de meer welgestelden en de armeren. Misschien om gêne te voorkomen, dat het badhuis "uit zicht" gebouwd was.
Ergens in de jaren zestig werd het badhuis gesloten. Ne een verbouwing kwam daar de bibliotheek in. De tegels waren verdwenen, in ieder geval uit zicht. Ook op de vloer was nu grijs stevig tapijt, in plaats van de kille granietvloeren. De ruimte was nu een grote ruimte, dus de meeste hokjes waren gesloopt. Een totaal andere uitstraling. Een plezierige ook. Vrijwel vanaf het begin kwam ik er vaak. De hele familie kwam er met regelmaat. Al op de lagere school hield ik van lezen. Lezen en verhaaltjes schrijven. Voor het lezen kon ik in de bieb terecht. Meestal las ik mijn boeken binnen de vastgestelde periode, maar het kwam ook zeer regelmatig voor dat ik een boete moest betalen, vanwege het late retourneren. Soms luiigheid en vergeten het papier terug te brengen. Soms omdat ik nooit een snelle lezer ben geweest en het betreffende boek niet uit was. Verlengen kon wel, maar dan alleen met een geldige reden. Bovendien moest er niet al een aanvraag liggen, van iemand anders die het betreffende boek had gereserveerd. Beiden heb ik eigenlijk nooit voor handen gehad. Meestal dacht ik er aan, alhoewel grosso modo ik vooral vergat wanneer de boeken terug moesten. Lezen deed ik veel. Ik verslond de boeken bijna, en las vooral boeken, die eigenlijk voor hogere leeftijden waren. An Rutgers van der Loeff (de Kindercaravan) had ik al gelezen, voor de bieb bibliotheek was. Ik kwam er op zich ook graag. Naast literatuur nam ik ook altijd iets ontspannends mee. Vooral detectives hadden mijn warme belangstelling. Al vroeg was ik een einzelgänger. Niet dat ik mensen van mij af hield, maar ik wist mij altijd prima te vermaken. Inmenging van anderen was wel eens storend. Dat had zeker met de thuissituatie te maken. Als nakomeling was ik redelijk op mijzelf aangewezen. Daarnaast bezat ik al een levendige fantasie. Daar zat ook iets kinderlijks in. Op mijn 16e speelde ik nog met treinhuisjes, autootjes (schaal 1:78 of zo iets) en boutjes. De boutjes waren de mensen. Behalve mijn kinderlijke fantasieën was ik ook gewoon puber en kwam seks al om de hoek kijken. Ook las ik tegen die tijd al ingewikkelde boeken over psychologie. In feite universitaire werken. Aan de ene kant was ik nog heel erg het kind, terwijl ik aan de andere kant juist zeer volwassen was. Een vat vol tegenstellingen. Dat was ik en ben ik waarlijk nog steeds.
Toch sleet de bibliotheek langzaam uit mijn leven. Ik vergat de boeken op tijd terug te brengen en las ook niet alles wat ik mee genomen had. Uiteindelijk is mijn lidmaatschap opgezegd. Mijn moeder en jongste broer zijn nog lang fanatiek lid gebleven. Ook verdween het gebouw langzaam uit mijn leven. Wanneer ik er later nog wel eens langs reed zag ik nog steeds, of weer, het badhuis voor me, niet de bieb.
Misschien heeft het met het ouder worden te maken, dat herinneringen weer terug komen. Wellicht doordat ik nu een grotere afstand heb. Mijn hele leven heb ik in de buurt van mijn jeugd gewoond (Overveen, Haarlem, Driehuis). Nu kom ik er van los. Ik kijk vanaf een afstand naar het dorp. Daarmee kijk ik ook terug naar mijn jeugd. Het badhuis is zo'n gebouw dat meer oproept dan de herinneringen aan het gebouw zelf. Bijvoorbeeld die keer dat ik met de achterbuurjongen (Jan Wiebe van Veen) mee ging. Heel spontaan. Op een zondag. Of het in het gebouw van de kleuterschool was, of in het badhuis weet ik niet meer. In ieder geval ging hij naar de zondagsschool en ik ging mee. Een aantal keren ben ik daar geweest. Even zo snel ging mijn belangstelling weer verloren. Ik leed aan een ongekende belangstelling , of liet de materie volledig los. Ik was, en ben nog steeds, breed en divers geïnteresseerd, maar lang niet alles beklijft. Ik wilde ontdekken. Dat was het mooie, en tevens beangstigende, van het bos. Er was altijd zo veel te ontdekken. Op het gras voor het badhuis groeide krokussen. In het voorjaar keek ik de bloemen zowat uit hun knoppen.
Wat het badhuis tegenwoordig voor functie heeft weet ik niet. Het zal wel weer een bedrijfje zijn, die zich daar gevestigd heeft. Ik wil het niet eens weten. Wat dat betreft koester ik ook graag de waarde van het verleden. Terugkijkend valt me op, dat er al zo veel veranderd is. In het dagelijkse keven nauwelijks merkbaar, door de tijd heen shockerend. Een stukje groen, waar ik soms speelde, bossages, grasveldje, allemaal on aangelegd. Ergens achteraan, aan de Roos en Beeklaan. We speelden daar. Toen werd daar een enorme MTS gebouwd. Inmiddels worden er nu moderne 50+ woningen gebouwd. Bijna alle groene, wilde stukjes, waar ik als kind speelde, zijn vol gebouwd. Gelukkig is het bos er nog. Staat het badhuis er nog, schuin tegenover Beth-El en even verderop het Chalet. Ondanks de veranderingen van de panden zelf zijn zij overeind gebleven. Een hele troost. Modernisering is niet heilig, evenmin oude panden. Maar waar ligt het evenwicht? Dat mijn lagere school is gesloopt doet emotioneel pijn. Dat de voorgevel behouden is en de nieuwbouw een moderne versie van de oude school is maakt ook weer een hoop goed. Een pleister op de wond, zal ik maar zeggen.
Maar sommige zaken uit het verleden moeten gewoon blijven. Dat het gebouw van de Witte Paters is gesloopt en vervangen door een lelijke flat is erg, maar valt mee te keven. Buiten zicht, maar het aanzien van de Wüstelaan, graag houden, de molen, Beth-El, badhuis, Chalet en zelfs de eerste chique woningen van Santpoort-Zuid. Het bos; Burgermeester Rijkerspark. Wanneer deze zaken verloren gaan dicht de mensheid geen waarde meer aan haar verleden. Dan begrijp ik monumentenzorg en de lijst van wereld erfgoederen heel goed. De mens zelf is niet goed in staat haar cultuur en geschiedenis te bewaren en bewaken. En wie weet wordt het badhuis ooit weer een badhuis. Maar dan wel met andere tegeltjes graag.
De dorpskerk
De dorpskerk stond tegenover mijn lagere school. De school is inmiddels zo goed als gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Alleen een stuk van de ingang is behouden gebleven. De kerk stond dwars tegenover de ingang, aan de Burgermeester Enschedelaan. Een kerk due van buiten een bepaalde sfeer uitdroeg. Binnen werd de warme sfeer herhaald. Ondanks dat het een vrij donkere en eenvoudige kerk was had ik er wel iets mee. Meer dan een keer of drie ben ik er nooit in mijn leven binnen geweest, maar hoe vaak ben ik aan dit Godshuis voorbij gegaan? Vaak! Maar ook heeft de kerk mij een schuilplaats geboden. Wanneer wij verstoppertje speelden verschool ik mij graag aan de achterzijde, achter de dikke antieke muren.
Zoals ik al aangaf zat ik op de openbare lagere school. Toen nog de Adolf van Nassau school, tegenwoordig gewoon de Bosbeekschool. Wanneer je door de hoofdingang naar binnenkwam hing daar een zweem van geschiedenis. Als kind ervoer ik dat ook al. De kleine ramen, de tegelwanden. De zwaar op mijn schouders hangende gangen, betegeld met een enkele toiletunit, waarvan de deuren de Amsterdamse school verrieden. De lokalen. De herinneringen aan de school zijn zeer gevarieerd, doch voornamelijk negatief. Alleen de allereerste schooldag werd ik door mijn moeder gebracht. Vanaf dat moment ging ik alleen, voornamelijk te voet. Menigmaal heb ik een flinke omweg moeten nemen huiswaarts te keren. Een aantal jongens stond mij op te wachten. Dan werd ik stevig gepest en ook fysiek geweld werd (in zekere mate in een lichte vorm) werd niet geschuwd. Waarom ik zo vaak gepest werd is altijd een raadsel geweest. Wel weet ik dat mijn broers ook op deze school hadden gezeten. Onenigheid tussen mijn ouders en het onderwijzend personeel had er toe geleid dat mijn broers in Bloemendaal de lagere school voortzetten. Ik kan niet anders dan er van overtuigt zijn dat dir feit mijn schooljeugd negatief heeft beïnvloed. Het is nooit met zulke woorden gezegd, maar ik voelde een wrevel bij divers onderwijzend personeel, jegens mijn persoon. Die wrevel werd soms ook krachtdadig en vrij openhartig geuit. Met mijn kort Amerikaans (kapsel) was ik een goed object. Zo heb ik voor in de klas, voor straf in de prullenbak gestaan, maar ook in de werkkast op de gang, "daar hoort immers een ragebol," en in de wc, "een pleeborstel hoort op de wc."
Alleen bij meester Pels heb ik een goed jaar gehad. Een oudere leerkracht. Eentje die het begreep en iemand die ieder met respect behandelde. Ooit vroeg ik een juf of ik haar fiets mocht binnen zetten (een populaire vraag bij de leerlingen). Toen zij mij vertelde dat ze het zelf wilde doen sprak ik het legendarische woord: "baby!" Het gevolg was dat ik geruime tijd een half uur voor de school begon aanwezig moest zijn en strafwerk moest schrijven. Misschien was het maar een week, mijn beleving is totaal anders: het leek wel meer dan twee maanden. Mijn eerste juf was juffrouw Blom. Ze droeg een hele strenge bril, maar was op zich nog wel aardig. De meester in de derde (of vierde) klas was een lul. Een vrij jonge vent, met glimmend zwart haar. Achterover gekamd, maar door de lengte viel het in een soort kuif. Zijn naam heb ik verdrongen. Het was al voordat hij mijn meester werd. Omdat ik sliste had ik spraakles. Na mij kwam Hessel. Die zat twee, drie, klassen hoger. Dus ik moest Hessel halen. Slissend natuurlijk. Nou, daar werd ik dus flink mee gepest... door de meester zelf. Als eerste had ik veel moeite met de leerkrachten, maar daardoor werd ik ook voor een aantal medeleerlingen een gewild pestobject. Ik ben heel wat keren via de zoom van het bos naar huis gelopen, om de confrontatie te vermijden.
Het toppunt was de zesde klas. Les van het toenmalige hoofd. Ook zijn naam is mij ontschoten. Ik moest voor aan in de klas zitten. Dat werkte blijkbaar niet. Vervolgens werd ik achterin de klas gezet, met mijn rug naar het lokaal. Dat werd mijn ouders te gortig en haalden mij per direct van school. Het laatste driekwart jaar lagere school zat ik op de Juliana van Stolberg (voorheen School met den Bijbel), onder heerschappij van meneer Griffioen. Een lange man met wit haar.
Terug naar de dorpskerk. Aan de andere kant van de kerk was een gemeenschapshuis. Na de dienst dronken de christenen nog een kopje koffie. Maar de ruimte werd ook gebruik voor andere zaken. Een van die zaken was de speeldag. Dat was op vrijdag, alleen weet ik niet meer of dat overdag of aan het begin van de avond was. Er kwamen veel kinderen op af. Je kon er spelletjes doen, knutselen of met de racebaan spelen. Een forse baan, met twee sporen, waar de snelste zich mocht bewijzen. Ik werd "baancommissaris". Dit hield in het uitzetten van de baan (iedere vrijdag een andere opstelling), het regelen van de spelers (en zorgde zelf vooral veel aan bod te komen) en aan het eind van de avond alles opruimen. Ook droeg ik de zorg voor het onderhoud van de autootjes. Met name de sleepcontacten sleten snel. Die moesten dan vervangen worden. Ik heb dat zeker een paar haar gedaan. Daarna werd ik de oud.
Vanuit de kerk was meneer Redelijker de avondopzichter. Een man waar ik het goed mee kon vinden en al snel kwam ik bij hem thuis. Hij woonden op de Terrasweg, tegenover de Chinees. Meneer Redeker was ook duivenmelker en vloog wedstrijden. Vooral vanwege de diertjes kwam ik er graag en steeds vaker. Waarom dit alle over is gegaan. Ik liet mij alles uitleggen en hij toonde de naakte, afschuwelijke, kuikens. Maar de duivenmelkerij kwam mij zeer als zeer boeiend over. En zo kwam ik gedurende een flinke periode bij hem thuis. De reden waardoor het contact verbroken werd en ik ook niet meer naar de speeldag kwam was in ieder geval geen leuke. Of het nu een ruzie was, of iets anders...ik mocht er niet meer heen en baalde daar flink van. Inmiddels weet ik hoe het in het leven gaat. Mensen waar je een innige band hebt en waar je soms veel komt kunnen plots uit je leven verdwijnen. Om vele redenen. Het is iets wat niet specifiek voorbehouden is aan de liefde.
Om de hoek bij de kerk was garage Jak. Een kleine dorpsgarage, die Datsun als dealermerk had. Of een ander Japans merk. Tegenwoordig bestaat de garage niet meer. Duidelijk niet mee kunnen komen met de ontwikkelingen van de tijd. Naast de garage was een klein pand en veel interessanter. Een klein kruidenierszaakje. Het belangrijkste was dat je daar snoep kon kopen. Drop, zwart op wit, kauwgom (met Donald Duck plaatjes), zoethout, lolly's en noem maar op. Centendrop kostte ook echt een cent. Voor vijf cent had je een dropveter. Soms ruilden we, vijf centendrop tegen een dropveter. Maar voor je naar binnen ging, moest je eerst tellen, wat..., nee, hoeveel je kon kopen. Ook was het wel belangrijk dat je ongeveer wist wat je wilde kopen. De mevrouw achter de toonbank hield er niet van wanneer je treuzelde over je keuze. Dus zorgde dat je al het nodige wist, voordat de bel van de deur begon te rinkelen. Dan kwam mevrouw naar voren. Altijd met een schort, of keukenjas. Altijd het zelfde patroon, hele kleine bloemetjes. Ze staat ook nog steeds in mijn geheugen gegrift; een nors achtige dame, wat gedrongen en een vrij mannelijke ruw gezicht. Donkere, wat slordige haren. Ook haar gezicht had een norse uitstraling. Ze was niet altijd nors. Wanneer je voor vijftig cent of meer kocht kon er wel eens wat vriendelijkheid vanaf. Maar getreuzel..., dus voordat we naar binnen gingen telden we de centen en bedachten we al wat we wilden kopen. Toch veranderde dat regelmatig met de aanblik van al dat lekkers.
Bij de kerk nuttigden we dan onze lekkernijen. Soms er voor, soms achter de kerk, wanneer bepaalde gasten niet mochten weten dat je snoep had.
De kerk, die staat er nog net zo bij als in mijn jeugd. De garage en het winkeltje zijn verdwenen. Volgens mij staan daar nieuwe huizen. Ik zou het niet eens weten. Maar de kerk blijft voorlopig gewoon staan. De robuuste muren. De eenvoud, die de kerk zo aantrekkelijk maakt. Een stukje dorpsgezicht. Iets wat toch echt niet verloren mag gaan. Dat zou verdomd jammer zijn...
Zoals ik al aangaf zat ik op de openbare lagere school. Toen nog de Adolf van Nassau school, tegenwoordig gewoon de Bosbeekschool. Wanneer je door de hoofdingang naar binnenkwam hing daar een zweem van geschiedenis. Als kind ervoer ik dat ook al. De kleine ramen, de tegelwanden. De zwaar op mijn schouders hangende gangen, betegeld met een enkele toiletunit, waarvan de deuren de Amsterdamse school verrieden. De lokalen. De herinneringen aan de school zijn zeer gevarieerd, doch voornamelijk negatief. Alleen de allereerste schooldag werd ik door mijn moeder gebracht. Vanaf dat moment ging ik alleen, voornamelijk te voet. Menigmaal heb ik een flinke omweg moeten nemen huiswaarts te keren. Een aantal jongens stond mij op te wachten. Dan werd ik stevig gepest en ook fysiek geweld werd (in zekere mate in een lichte vorm) werd niet geschuwd. Waarom ik zo vaak gepest werd is altijd een raadsel geweest. Wel weet ik dat mijn broers ook op deze school hadden gezeten. Onenigheid tussen mijn ouders en het onderwijzend personeel had er toe geleid dat mijn broers in Bloemendaal de lagere school voortzetten. Ik kan niet anders dan er van overtuigt zijn dat dir feit mijn schooljeugd negatief heeft beïnvloed. Het is nooit met zulke woorden gezegd, maar ik voelde een wrevel bij divers onderwijzend personeel, jegens mijn persoon. Die wrevel werd soms ook krachtdadig en vrij openhartig geuit. Met mijn kort Amerikaans (kapsel) was ik een goed object. Zo heb ik voor in de klas, voor straf in de prullenbak gestaan, maar ook in de werkkast op de gang, "daar hoort immers een ragebol," en in de wc, "een pleeborstel hoort op de wc."
Alleen bij meester Pels heb ik een goed jaar gehad. Een oudere leerkracht. Eentje die het begreep en iemand die ieder met respect behandelde. Ooit vroeg ik een juf of ik haar fiets mocht binnen zetten (een populaire vraag bij de leerlingen). Toen zij mij vertelde dat ze het zelf wilde doen sprak ik het legendarische woord: "baby!" Het gevolg was dat ik geruime tijd een half uur voor de school begon aanwezig moest zijn en strafwerk moest schrijven. Misschien was het maar een week, mijn beleving is totaal anders: het leek wel meer dan twee maanden. Mijn eerste juf was juffrouw Blom. Ze droeg een hele strenge bril, maar was op zich nog wel aardig. De meester in de derde (of vierde) klas was een lul. Een vrij jonge vent, met glimmend zwart haar. Achterover gekamd, maar door de lengte viel het in een soort kuif. Zijn naam heb ik verdrongen. Het was al voordat hij mijn meester werd. Omdat ik sliste had ik spraakles. Na mij kwam Hessel. Die zat twee, drie, klassen hoger. Dus ik moest Hessel halen. Slissend natuurlijk. Nou, daar werd ik dus flink mee gepest... door de meester zelf. Als eerste had ik veel moeite met de leerkrachten, maar daardoor werd ik ook voor een aantal medeleerlingen een gewild pestobject. Ik ben heel wat keren via de zoom van het bos naar huis gelopen, om de confrontatie te vermijden.
Het toppunt was de zesde klas. Les van het toenmalige hoofd. Ook zijn naam is mij ontschoten. Ik moest voor aan in de klas zitten. Dat werkte blijkbaar niet. Vervolgens werd ik achterin de klas gezet, met mijn rug naar het lokaal. Dat werd mijn ouders te gortig en haalden mij per direct van school. Het laatste driekwart jaar lagere school zat ik op de Juliana van Stolberg (voorheen School met den Bijbel), onder heerschappij van meneer Griffioen. Een lange man met wit haar.
Terug naar de dorpskerk. Aan de andere kant van de kerk was een gemeenschapshuis. Na de dienst dronken de christenen nog een kopje koffie. Maar de ruimte werd ook gebruik voor andere zaken. Een van die zaken was de speeldag. Dat was op vrijdag, alleen weet ik niet meer of dat overdag of aan het begin van de avond was. Er kwamen veel kinderen op af. Je kon er spelletjes doen, knutselen of met de racebaan spelen. Een forse baan, met twee sporen, waar de snelste zich mocht bewijzen. Ik werd "baancommissaris". Dit hield in het uitzetten van de baan (iedere vrijdag een andere opstelling), het regelen van de spelers (en zorgde zelf vooral veel aan bod te komen) en aan het eind van de avond alles opruimen. Ook droeg ik de zorg voor het onderhoud van de autootjes. Met name de sleepcontacten sleten snel. Die moesten dan vervangen worden. Ik heb dat zeker een paar haar gedaan. Daarna werd ik de oud.
Vanuit de kerk was meneer Redelijker de avondopzichter. Een man waar ik het goed mee kon vinden en al snel kwam ik bij hem thuis. Hij woonden op de Terrasweg, tegenover de Chinees. Meneer Redeker was ook duivenmelker en vloog wedstrijden. Vooral vanwege de diertjes kwam ik er graag en steeds vaker. Waarom dit alle over is gegaan. Ik liet mij alles uitleggen en hij toonde de naakte, afschuwelijke, kuikens. Maar de duivenmelkerij kwam mij zeer als zeer boeiend over. En zo kwam ik gedurende een flinke periode bij hem thuis. De reden waardoor het contact verbroken werd en ik ook niet meer naar de speeldag kwam was in ieder geval geen leuke. Of het nu een ruzie was, of iets anders...ik mocht er niet meer heen en baalde daar flink van. Inmiddels weet ik hoe het in het leven gaat. Mensen waar je een innige band hebt en waar je soms veel komt kunnen plots uit je leven verdwijnen. Om vele redenen. Het is iets wat niet specifiek voorbehouden is aan de liefde.
Om de hoek bij de kerk was garage Jak. Een kleine dorpsgarage, die Datsun als dealermerk had. Of een ander Japans merk. Tegenwoordig bestaat de garage niet meer. Duidelijk niet mee kunnen komen met de ontwikkelingen van de tijd. Naast de garage was een klein pand en veel interessanter. Een klein kruidenierszaakje. Het belangrijkste was dat je daar snoep kon kopen. Drop, zwart op wit, kauwgom (met Donald Duck plaatjes), zoethout, lolly's en noem maar op. Centendrop kostte ook echt een cent. Voor vijf cent had je een dropveter. Soms ruilden we, vijf centendrop tegen een dropveter. Maar voor je naar binnen ging, moest je eerst tellen, wat..., nee, hoeveel je kon kopen. Ook was het wel belangrijk dat je ongeveer wist wat je wilde kopen. De mevrouw achter de toonbank hield er niet van wanneer je treuzelde over je keuze. Dus zorgde dat je al het nodige wist, voordat de bel van de deur begon te rinkelen. Dan kwam mevrouw naar voren. Altijd met een schort, of keukenjas. Altijd het zelfde patroon, hele kleine bloemetjes. Ze staat ook nog steeds in mijn geheugen gegrift; een nors achtige dame, wat gedrongen en een vrij mannelijke ruw gezicht. Donkere, wat slordige haren. Ook haar gezicht had een norse uitstraling. Ze was niet altijd nors. Wanneer je voor vijftig cent of meer kocht kon er wel eens wat vriendelijkheid vanaf. Maar getreuzel..., dus voordat we naar binnen gingen telden we de centen en bedachten we al wat we wilden kopen. Toch veranderde dat regelmatig met de aanblik van al dat lekkers.
Bij de kerk nuttigden we dan onze lekkernijen. Soms er voor, soms achter de kerk, wanneer bepaalde gasten niet mochten weten dat je snoep had.
De kerk, die staat er nog net zo bij als in mijn jeugd. De garage en het winkeltje zijn verdwenen. Volgens mij staan daar nieuwe huizen. Ik zou het niet eens weten. Maar de kerk blijft voorlopig gewoon staan. De robuuste muren. De eenvoud, die de kerk zo aantrekkelijk maakt. Een stukje dorpsgezicht. Iets wat toch echt niet verloren mag gaan. Dat zou verdomd jammer zijn...
Abonneren op:
Posts (Atom)