De stoeterij in Santpoort is achter het oude politiebureau en onderdeel van de Uileboom. Even verderop is nog een stoeterij. Iedereen is er wel een keer aan voorbij gegaan, want het ligt vrij dicht tegen de N208 aan. Een oud stenen gebouw, in de lengterichting naast de weg, in de bocht voor de stoplichten naar Haarlem. Je komt er langs en denkt misschien hooguit; dat is een oud pand. Het pand staat op het terrein van de familie Kat, de familie van de Kijkgrijp en later Dekamarkt (de Kat markt...). Op dat terrein staat een bungalow, waar de familie woonde. Eind jaren zestig is het gebouwd. Een eind achter het hek, bijna onzichtbaar voor de buitenwereld. Voor ons dorpelingen een mystische plaats, want wat leefde daar en hoe? Destijds leefde de familie teruggetrokken, of in ieder geval uit het zicht van het dagelijkse leven van de dorpelingen. De stoeterij is er waarlijk destijds bij gekocht. Het leek eerder een last dan een lust, daar het jaren in een zekere staat van verval heeft verkeerd. Inmiddels is het alweer jaren geleden opgeknapt en bewoonbaar gemaakt.
Als kind kwam ik er wel langs. Een van mijn klasgenootjes woonde in het laatste huis van het dorp. Na de stoeterij zijn nog twee (of drie) huizen. Wie de jongen was, waar ik vroeger kwam, kan ik mij niet meer heugen. Blijkbaar heeft hij weinig indruk op mij gemaakt, des te meer de locatie van het huis en de tuin. Groen en fruitbomen.
Meer kwam ik op de Slaperdijk, aan de andere kant van de N208. Onder andere bij de familie Kleist. De Slaperdijk is een rij huizen tegenover een laag dijkje. Een beetje rommelig ogend. Rijtjes huizen en wat boerderij achtige panden. In onze ogen een beetje een "achterbuurt" van Santpoort. Zelf woonde ik in het wat chiquere deel en ook vroeger had men ook zo z'n vooroordelen. Als kind had ik daar echter al lak aan. Ik speelde met wie ik speelde en kwam vaak bij anderen thuis. Zelden nam ik zelf iemand mee naar huis. Niet uit schaamte, maar omdat ik nooit wist wat ik bij ons moest. Jan Wiebe van Veen, Bart Verkruysen en later Herman Samson kwamen wel eens bij ons thuis, maar zij woonden allen heel dichtbij. Mijn broers kwamen meer met anderen thuis, waar ik overigens op de middelbare school ook mee begon. Maar op de lagere school nauwelijks. Dan ging ik juist zo veel mogelijk de hort op, of speelde heerlijk in mijn eentje thuis. Iets wat ik graag deed.
De Slaperdijk was landelijk. Het behoorde nog tot Santpoort, alhoewel toen kwade geesten het liever Haarlem toedichtten. Maar, ik kwam er graag. Je kon net over het dijkje kijken, waar je uitgestrekte weilanden had, tot aan de Hofgeest. Daar stond wat bieren bedrijven, wat eigenlijk te ver was om goed te zien. Dus waren het weilanden tot zo ver het oog reikte. Op de weilanden stonden veel koeien en ook schapen. Iets wat nu niet meer voor te stellen is, want tegenwoordig ligt hier de woonkern Velserbroek. Tussen Velserbroek en de Slaperdijk is gelukkig nog steeds een strook weiland. Hopelijk blijft dat gehandhaaft. Als Santpoorter is Velserbroek nog steeds een vloek voor mij. Zonde van het groene gras. Aan de andere kant was het destijds natuurlijk een locatie bij uitstek om het toenemende aantal inwoners te huisvesten.
Marjo Kleist was een vriendinnetje, maar ik had geen "relatie" met haar. Ik kwam bij haar thuis, omdat ze in mijn klas zat, maar ook omdat ik met een broertje van haar speelde. En er woonde nog een klasgenoot op de Slaperdijk. Naar later bleek heeft Marjo ook nog bij mijn vrouw in de klas gezeten, in Bloemendaal. De wereld is klein.
Klein was ik in mijn jeugd en voor de kleintjes was de wereld groot. Santpoort was groot. De Slaperdijk was dan ook ver. Verder dan de andere plaatsen waar ik kwam. Dat klopte echter niet. Het feit dat de onder de snelweg door moest en alles kaal was daar gaf het gevoel van afstand. Menig vriendje woonde verder weg, maar doordat je tussen de huizen en het groen ging leek de afstand kleiner. Vanaf de Stoeterij leek Haarlem ook altijd nog heel ver weg. Meestal kwam ik er met de auto, met mijn moeder, langs. Later op mijn brommertje. Op de fiets nam ik bij voorkeur een andere route. Toch moest je altijd een buffer van groen en weiland door om naar Haarlem te gaan. Behalve via de Kleverlaan in Bloemendaal (en zuidelijker). Ook daardoor leek de afstand naar Haarlem altijd groter, dan de werkelijkheid was.
Toen ik op de middelbare school (het Lorentz Lyceum aan het Santpoorterplein) zat nam ik met de fiets altijd het Zwarte Pad. Het verlengde van de Jan Gijzenvaart richting Santpoort-Zuid. Zelden nam ik de route langs de Stoeterij. Ook niet toen ik een vriendinnetje had, in een van de (inmiddels ook gesloopte) noordelijkste flats van Haarlem.
Wel heb ik vlak na de Stoeterij mijn eerste ervaringen op het ijs opgedaan. Het begin van de Delft (of het eind, mij om het even). Daar nam mijn moeder mij mee om de kwelling te ondergaan inzake mijn eerste schaatservaring.
Santpoort is een vreemd dorp. Te beginnen het onderscheid tussen Santpoort-Noord en Santpoort-Zuid. Dan aan de ene kant bos en duinen, terwijl de andere kant vlak agrarische gebied was. Santpoort-Zuid werd gezien als een heel ander dorp, waar alleen de naam mee overeen kwam. Verder werd vooral de toevoeging sterk benadrukt, terwijl Noord het meestal beperkte tot alleen Santpoort. De zijde van de duinen was ook al minder Santpoort. Wat dat betreft was de spoorlijn de grens. Provinciaal (psychiatrisch) Ziekenhuis Santpoort (PZ) lag geheel binnen de gemeentegrenzen van Bloemendaal en een goede Santpoorter meldde dat op ieder partijtje en iedere verjaardag. De N208 werd gezien als oostgrens van het dorp. Om die reden paste de Slaperdijk niet echt bij het dorp. De stoeterij daarom een onbeduidend pand. Bosbeek was de buffer tussen noord en zuid en het spoorwegviaduct de grens tussen Driehuis en ons dorp. Kortom, de begrenzing maakte Santpoort eigenlijk een heel overzichtelijk dorp. Ook de scholen zaten allen bij elkaar in de buurt. De katholieke bij de Naaldkerk, de gereformeerden en protestanten in de Frans Netscherlaan en de openbare school achter de molen. Aangezien wij überhaupt niet kerkelijk waren zat ik op de openbare lagere school.
De Stoeterij, je rijdt er voorbij. Een oude muur met ramen. Een stukje mystiek en tevens weer een opening naar vele herinneringen.
Posts tonen met het label Naaldkerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Naaldkerk. Alle posts tonen
maandag 30 maart 2015
De stoeterij
Labels:
Bart Verkruysen,
Bloemendaal,
de Kat,
De Stoeteij,
Dekamarkt,
Haarlem,
Hajo,
Herman Samson,
Jan Wiebe van Veen,
Kijkgrijp,
Kleist,
Kleverlan,
Naaldkerk,
Santpoort,
Slaperdijk
woensdag 18 februari 2015
De Naaldkerk
De Naaldkerk.
Hoog boven de boomtoppen torent de groene spitse punt uit. Voor zover mogelijk, vanuit de weide omtrek zichtbaar. Niet zo heel lang geleden passeerde ik de kerk. Het was de kerk niet meer uit mijn jonge jaren. De kerk toonde een verlatenheid. Het groen naast de kerk verwilderd, de grasperken aan de voorzijde keurig gemaaid, maar zonder geschiedenis. Ooit ben ik een keer in de kerk geweest. Samen met mijn moeder, wij bezochten een kerstmis. Of kerstzang. De binnenkant maakte mij, ondanks mijn jonge jaren, droevig. Donker en kil kwam het alles mij over. Zwaar en afstotend. Waarschijnlijk de reden nimmer meer door de gebogen deuren de kerk meer naar binnen te zijn gegaan.
Toch is de Naaldkerk een wezenlijk onderdeel van mijn jeugd geweest. De kerk, die leefde aan de buitenkant. De eerste communie, de pinkenveiling, de nonnen, noem maar op. De diensten niet te vergeten. Velen die ter kerke gingen passeerden immers ons huis, meestal tijdens het moment dat ons gezin aan het ontbijt zat. Wellicht wisten wij beter wie de zondaars waren, dan meneer de kapelaan.
Mijn geboortehuis bevindt zich (het bestaat immers nog) om de hoek, in de Frans Netscherlaan, naast Klavertje Vier en juffrouw Willems. Juffrouw Willems was van een andere kerk en tevens een gewaardeerd leerkracht van de School met de Bijbel, pal tegenover onze woning. In mijn jonge jaren was de Nederlander nog vele male verdraagzamer. Dit maakte dat er niet alleen nog kippen (en een Haan) in de straat gehouden werden, maar ook dat het heldere gelui der klokken ons met de regelmaat van de klok aan de aanwezigheid van de kerk deed herinneren. Bruiloften en begrafenissen. Uitbundig of statig, de klokken luidden. Doordringend en langdurig. Dit is geen beleving van een klein kind, bij wie alles nog groot was en tijd een lang begrip. De klokken beierden een kwartier. Net als voor de missen, dat de kerk haar zielen opriep ter kerke te gaan. Op zondag zeker twee keer. Het geluid, vele malen harder dan het meest lawaaiige vliegtuig, voelde je in je maag nagalmen. Later, waarschijnlijk rond mijn pubertijd, presteerde Ed Willems het om met de muziek vanuit zijn zolderkamer het galmen der klokken ruimschoots te overstijgen. In mijn herinnering dan ook de eerste keer dat de buurt klaagde over geluidsoverlast. Niet het galmende brons, maar de popmuziek van Ed. De kerk accepteerde je. De kerk hoorde er bij, ook wanneer je van een andere kerk was, of het geloof cynisch benaderde. Dit laatste was in ons gezin een hardvochtige aanwezigheid. Het cynisme jegens kerk en religie. Ons gezin wist hier zelfs uiting aan te geven. Tijdens het zondagsontbijt liepen de katholieken van rechts naar links langs ons raam. De gereformeerden in omgekeerde richting (aan het begin van de Frans Netscherlaan was ook een kerk, gereformeerd, maar inmiddels afgebroken). Tijdens het tikken van het eitje probeerden we gekke bekken te trekken of anderszins de aandacht van de passerende kerkgangers. Bij voorkeur wanneer de katholieken op weg waren naar huis en de gereformeerden juist naar de kerk togen. Lukte het de aandacht te trekken was de onderbroekenlol kompleet, daar de vrome wandelaar mijn zijn gezicht tegen de takken van onze els liep. Dat deed vast pijn. De els, stond bij de oprit, tussen ons huis en het huis van juffrouw Willems. Dat ik bij juffrouw Willems langs ging om bijbelverhalen te horen gaf mij de bijnaam "Christenkind", waarbij met een harde G het woord aanving.
In mijn jonge jaren werden de kerken nog behoorlijk bezocht. De dorpelingen van katholieke huize arriveerden meestal te voet, terwijl de gereformeerden in toenemende mate met de auto richting kerk gingen. De straat stond vol geparkeerd en zo wist je al snel wie welke auto bezat. Een voor ons gezin belangrijkere wetenschap dan kennis van het Heilige Woord.
Mede door het intensieve kerkbezoek gebeurde er veel rond de Naaldkerk. Tevens lag er naast de pastorie een bescheiden nonnenklooster. De eerste jaren zagen we met regelmaat de pinguïns in rij van de kerk naar hun klooster gaan, dan wel in omgekeerde volgorde. Nadat het klooster een tijdlang als woonhuis heeft dienstgedaan is het momenteel een Bijna Thuis Huis, een plek waar je rustig kan sterven. Ook de pastorie is de pastorie niet meer. Volgens mij zit er een soort crèche in, en een bedrijfje. De nonnen zijn verdwenen. De aftakeling heb ik in de zestiger jaren mee gemaakt. Leken zijn eerst op pinguïns, later verplaatsten zij zich als grijze muizen, een enkeling nog met een kapje. Het aantal kromp... De wereld van het katholicisme ging in Santpoort langzaam teloor.
De pastoor (of kapelaan) was voor mij een man op afstand. Een soort abstract object. Maar, met Sint Maarten ging je als eerste naar de pastorie! Daar kreeg je tenminste snoep! Niet de pastoor stond aan de deur, maar een wat uitgedroogde vrouw, waarschijnlijk de dienstbode van meneer. Zij deelde de snoeppakketjes uit. Ja, er was werk van gemaakt, want er waren allerlei snoepjes en feestelijke zakjes gestopt. Veel later werden er mandarijnen uitgedeeld bij de pastorie. Na deze buit ging het door naar de nonnen. Ook daar werd gul gegeven, zoals overigens ook de katholieke leken, in de omliggende straten, scheutig waren met het delen van zoete lekkernijen. Sint Maarten was een hele happening, waar je jaren genot van kon hebben.
Een andere happening was de pinkenveiling, ergens in het voorjaar. Een goed katholiek zal mij precies kunnen vertellen wanneer, want er lag een link tussen Pasen, Pinksteren en de pinken. Santpoort was nog een enigszins boeren dorp. Zoals boer Markerink, die zijn boerderij op de Burgermeester Enschedelaan had, tussen de rijtjes huizen. En zo waren er meerdere voorbeelden. Niet alleen keuterboertjes, want buiten de bebouwing bezat men land en liepen de koeien. Dit alles maakte wel dat met de pinkenveiling de straat vol was met tractoren en aanhangers. Soms ontsnapte er een en rende door de straat. Met de nodige bombarie altijd weer terug naar de kerk, waar de veiling aan de zijkant van de kerk gehouden werd. Wat het allemaal inhield wist ik als kind niet, maar ik vond het machtig mooi. Allemaal van die boeren, velen droegen blauwe werkjassen en platte petten, die tijdens de verhitte onderhandelingen wat achterover geschoven werden. Dikke sigaren, die in de mondhoeken bleven hangen tijdens het bieden. Het handengeklap en de flappen geld. Er hing een landelijke sfeer, maar vooral een gemoedelijke, gezellige sfeer. Wanneer het even kon stond ik er naar te kijken. Overigens altijd achter het hek, op het trottoir. Of dit nu was uit bescheidenheid, of dat ik gewoon niet bij de pinken mocht kan ik mij niet meer herinneren. Wel was het een aangelegenheid waar ik, als onkerkelijke, eigenlijk naar toe mocht. Dat paste niet in ons gezin.
Tja, wat mij echt jaloers maakte was de jaarlijkse gang van bruidjes en bruidegommen. Jonge kinderen, van top tot teen chique gekleed, de meisjes in maagdelijk wit, de jongens in zwarte pakken. Je zag ze een voor een richting kerk gaan. Tenminste, ze verdwenen in de pastorie. Een poos gebeurde er niets, tot een optocht van de jonge kinderen, vanuit de pastorie liep, door de tuin van de kerk (de pinkenveiling was er in ieder geval niet op dat moment) om via de boogdeuren de kerk te betreden. Wat het was hoorde ik vele jaren later. Zelfs toen zei Heilige Communie mij eigenlijk nog niks. In mijn jonge jaren kon ik dit ritueel in het geheel niet thuisbrengen. Het had iets mystieks. Ze liepen keurig in een rij, jongetjes achter elkaar, meisjes achter elkaar en de jongens naast de meiden. Altijd gedacht dat die kinderen echt gingen trouwen.
Van heel andere aard is de herinnering aan de Bintangs. Ja, de Naaldkerk roep bij mij de herinnering aan de Bintangs op. Aan de andere kant van de Naaldkerk stond een leijk gebouw. Wellicht ooit onderdeel van de jongensschool geweest, maar eind jaren zestig jeugdhonk, padvinders hok (katholieke padvinders natuurlijk) én oefenruimte. Een enorme knal oranje Mercedesbus stond dan naast de kerk. Met dikke zwarte letters stond er Bintangs op. Uit het gebouwtje drong de muziek in luide klanken door alle spleten en dunne muren naar buiten. Ik zat soms op het lage hekje (om het betreden van de grasperkjes voor de kerk te voorkomen) en luisterde. Het klonk swingend, maar dof. Moderne muziek, wat mij verder weinig zei. Televisie hadden we nog niet en de radio stond altijd op de zender van Arbeidsvitaminen en hoorspelen. Een platenspeler was in ons huis niet aanwezig... Dus wat kan je verwachten dat de Bintangs mij iets deden? Niets dus.
Op een keer kwam zo'n ruige gast (iemand was voor mij snel een ruige gast, in die tijd) naar me toe, zuigend aan een sjekkie, waarvan ik later begreep dat er niet alleen tabak in verwerkt was. Van dichtbij leek het helemaal niet zo een ruige gozer, en bovendien was ie aardig. Even later zat ik in de ruimte de oorverdovende herrie aan te horen, waarbij mijn hart de muziek als pacemaker leek te ervaren, door het gedreun in mijn lichaam. Ik denk dat ik een keer of drie binnen ben geweest. Ik had verder weinig met die muziek, noch met de band. Pas veel later hoorde ik van de Bintangs op radio en tv. Ik heb zelfs nog voor het Millennium een CD van ze gekocht.
De Naaldkerk. Heeft meer betekent, dan ik mij in mijn jonge jaren realiseerde. De kerk stond voor mij ook niet bekend als symbool van het geloof, maar meer als symbool van mystiek en voor "er gebeurt nog eens wat". Zelfs tijdens het dorpsfeest had de kerk nog een rol. Op woensdagavond (nog steeds begrijp ik) wordt het "rondje kerk gehouden". Een wielerevenement met diverse gezichten. Echte snelle jongens, tot de dorpsidioten die ook nog genoeg energie hadden voor een rondje kerk, alvorens vele rondjes bier te nuttigen.
De Naaldkerk, staat daar als een fier symbool van een voorbij verleden. Eenzaam, of het niet meer tot het dorp behoort. De kerk straalt nu eenzaamheid, ja zelfs verdriet uit. Zo veel mee gemaakt, zo een rijk verleden, en nu een stil object aan de rand van een dorp. De volgende keer dat ik er aan voorbij ga blijf ik even staan. Ga ik misschien wel op dat lage rekje zitten. Rustig laat ik het besef doordringen hoeveel zo een lullig gebouw betekent heeft tijdens mijn rit naar volwassenheid. Staat ze er nog? Over tien, twintig of dertig jaar? Zijn het dan appartementen, een bedrijf, of de nieuwe crèche? De tijd gaat zo snel, maar de herinnering beweegt zich voort met de snelheid van een slak. Met weemoed denk ik terug aan die groene punt. Stilletjes hoop ik dat ik bij leven mee mag maken dat de kerk weer iets van haar oude glorie terug krijgt. Niet door de jaarlijkse zegening van auto's en motoren... Misschien wel door de pinkenveiling? Die bestaat ook vast niet meer... Waarmee..., als het maar weer gaat leven. Laat de klokken luiden! Laat een nieuwe tijd de charme van het verleden herleven. Aangepast, modern, maar maak de kinderen van nu weer nieuwsgierig, zoals ik vroeger was. De wederkerigheid van tijd is ons echter niet gegund. De tijd schrijdt voort, en wie weer gaat de Naaldkerk nog een hele tijd mee!
dinsdag 5 maart 2013
De Naaldkerk
Vanuit de erker van onze
woonkamer kon je ze zien. Als pinguïns wiebelden zij vanaf het klooster naar de
naastgelegen pastorie, om binnendoor naar de kerk te gaan. Het klooster, een
geheimzinnig huis met nonnen, waar ik nooit verder dan de voordeur kwam. En dat
was met Sint Maarten.
De
Heideberg, was de naam van het klooster, van de Nederlandse provincie Congregatie
Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart… Kort geleden was ik binnen.
Het is geen klooster meer, maar een Bijna Thuis Huis, in Santpoort. Nu keek ik
vanachter het venster naar mijn vroegere geboortehuis. Na bijna 40 jaar een
omgekeerde wereld. Het brengt weer herinneringen boven.
Wij
woonden tussen de gereformeerde kerk, en de katholieke kerk Onze Lieve Vrouw van Altijd durende
Bijstand, beter bekend als de Naaldkerk. Op zondag zaten wij aan het ontbijt en
meestal was dat wanneer de kerken hun gelovigen weer loslieten. Ons spel was
gekke koppen trekken vanaf het zondagse eitje, met als score: het aantal
kerkgangers wat wij zo konden afleiden dat zij met hun hoofd in de els (boom
voor niet ingewijden) liepen. Dit was ook gelijk mijn gehele religieuze opvoeding.
Met
name de katholieke kerk was destijds nog een centrum van dorpse activiteiten.
Ik kan mij de pinkenveiling nog herinneren. Jonge koeien stonden tegen de kerk
gebonden en scheten in de tuin. De reden was mij destijds onbekend, maar het
had wel iets. Tja, en dan de nonnetjes. Schimmige figuren in het dorp, alhoewel
zij later steeds meer naar buiten traden en de zwarte pijen langzaam
veranderden in grijze pakjes.
De
pastorie was ook z’n mystieke plaats. De pastor zag ik eens per jaar, met Sint
Maarten. Verder zag je hem wel eens lopen, maar altijd in de verte. Wel
gebeurde er veel andere dingen. Natuurlijk de pinguïngang van de nonnen, maar
ook met de communie alle kleine bruidjes en bruidegommen. Met trouwerijen zag
het er altijd feestelijk uit. Ook waren er vele leeftijdsgenootjes, die er
gedurende de week in en uit liepen.
De
geheimzinnigheid signaleerde ik, maar verder had ik er dus niet zo veel mee. Ik
was niet kerkelijk en in ons dorp was een sterke machtstrijd tussen de
katholieken en gereformeerden. Zij gingen onderling nauwelijks met elkaar om,
laat staan de kinderen. Als buitenkerkelijke had ik wel de ruimte om met beide
groepen om te gaan, maar je bleef er ook altijd enigszins buiten. Wel een
voordeel was dat ik met de vele vechtpartijen tussen de religieuze stromingen
toeschouwer mocht zijn, want voor wie moest ik immers vechten? Wellicht dat die
periode de grondslag heeft gelegd voor mijn stellige pacifisme.
Op
27 oktober 1932 werd de Naaldkerk officieel geopend en pastor Goossens was de
eerste pastor. In mijn prille jeugd was de kerk dus niet meer echt nieuw. Wel
het middelpunt, al lag de Naaldkerk net buiten het echte dorpse centrum. Mijn
hele jeugd speelde het geloof en de religie nog een belangrijke rol in het
dorpse leven.
Vreemd,
wanneer je na bijna 40 jaar terug bent. De resterende nonnen zitten ver in het
zuiden van het land, weggestopt in een klooster in de natuur. De gereformeerde
kerk is gesloopt en daar staan nu een paar woningen. Het klooster is een Bijna
Thuis Huis en vanuit een raampje zag ik dat de pastorie inmiddels een tandartsenpraktijk
huisvest. De Naaldkerk is nog in gebruik als kerk. Of de pinken er nog staan
weet ik niet. Wel zegent de kerk jaarlijks allerlei rijdend goed in; auto’s,
motoren, brommers, scooters en natuurlijk ook uw rollator. De kerk gaat met z’n
tijd mee.
Toch
ook niet. Overal zie je de afkalving en de Naaldkerk maakt een toch wat
verloren indruk in de huidige tijd. Het werkbezoek in de Heideberg was een
vreemde gewaarwording en misschien zelfs wel een kleine emotionele schok. Niet
vanwege de nieuwe bestemming, maar wel door het verlies van de geschiedenis.
Wat dat betreft heeft het klooster een goede passende bestemming gekregen, al
dient wel vermeld te worden dat het hiervoor jaren lang een woonhuis is
geweest. Met serene waardigheid mag men hier sterven. Mijn verleden is laatst
ook een beetje gestorven. Word ik nu oud, of veranderd de wereld om ons heen zo
snel? Ik ben er nog niet uit, maar voor mij is de ziel wel uit het oude dorp.
Op het hoekje van de Frans Netscherlaan en Wulverderlaan zag ik een naambordje:
J. Molenkamp. Vroeger speelde ik met Jantje Molenkamp. Zou hij er nog wonen?
Het toeval was dat de deur open ging, ik een man zag… nee, ik herkende daar “mijn”
Jantje niet in. Er op af stappen, dat durfde ik echter niet. Soms moet je
dingen een beetje laten rusten. Misschien ontmoet ik Jantje nog wel eens, nu
Jan. Dan hoor ik het wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)


