Vandaag heb ik weer genoten van de Tour de France, iets wat de afgelopen dagen ook wel anders was. De zwoegende profs op de laatste stijle helling. Puur afzien. En plots realiseerde ik mij, dat het dit jaar tien jaar geleden was, dat ik afzag. Tijdens de Tour de France, en langer, zat ik op de fiets. Van Haarlem naar het Zwitserse Interlaken. Le Tour d'Idiot...
Twee jaar ervoor had ik een feest in Interlaken. In de dagen er na deed ik een beklimming (een categorie 1 in vergelijk met de Tour). Terug in het dal zei ik mijn vrienden, met mijn grote bek, dat ik over twee jaar naar hen toe zou fietsen. Iedereen was dat natuurlijk vergeten, behalve ik. Bovendien ben ik een man van een woord een woord.
In 2006 kocht ik een fiets, iets tussen een racefiets en een toerfiets in. Ik oefende wat, deed het Kopje van Bloemendaal regelmatig en zag af. Ja, op een gegeven moment deed ik zelfs mijn dagelijkse rondje Zandvoort. Het jaar daarop was ik alweer te lui voor de dagelijkse oefeningen, maar enthousiast genoeg de verdere voorbereidingen te treffen. Ik kocht een speciale aanhanger en de nodige attributen.
Voor zover ik mij herinner vertrok ik 2 juli, uitgezwaaid door enkele buren. Lichte regen, windkracht 5 en 12 graden Celsius. Bij Schiphol twijfelde ik al, bij Aalsmeer was de lol mij vergaan, maar eindige de dag ruim 80 kilometer verder op een vrijwel verlaten camping aan de Waal. Pijn in mijn kont en een "slapende" leuter (daar heb ik zo'n drie dagen mee gezeten...).
Veel beter werd het niet, maar desalniettemin ging ik door. Zigzaggend kwam ik aan in Gulpen, na diverse natte en koude dagen. Eindelijk zon en een dag rust, om daarna bij prachtig weer richting België te trappen. Een lekke band van het aanhangertje gooide roet in het eten. De lekke band niet, wel het feit dat ik niet de goede pomp bij mij had. Toch gelukt en voorbij Eupen had ik er de snelheid goed in. Een van de wielen van de aanhanger echter nog meer, en rolde mij met grote snelheid voorbij. Maar ook dat werd gefikst. Na veel klimwerk kwam in aan in Monschau. In de regen. En van Monschau tot de Rijn weer regen, kou en wind.
Bij mijn vriend in Koblenz kwam in aan met de legendarische woorden: ik ga niet meer verder. Ik bleef daar een week en vertrok vervolgens..., verder. Mainz, Speyer, en zo de Rijn af. Wel zo'n, maar tegenwind. En dagelijks twijfel aan mij zelf. Twijfel over het idiote doel wat ik mij gesteld had, vooral ook vanwege mijn niet operabele hernia. Dagelijks lag ik, na het fietsen, te creperen van de pijn in mijn rug, ondanks mijn dubbele dosering Morfine.
En eindelijk kwam ik aan in Zwitserland, Basel. Een leuke camping aan de oevers van de Rijn en eindelijk lekkere temperaturen. Zo werden de laatste etappes zowaar nog plezierig. En zelfs de stijlste klimmetje wist ik, zonder stop, de top te bereiken.
En dan, eindelijk reed ik Interlaken binnen. De wegen waren afgezet met dranghekken en overal stond het publiek te dringen. Tot ik gemaand werd af te stappen. Wist ik veel dat het nationale feestdag was... Maar, nog een paar kilometer en dan was ik er, bij mijn vrienden Veronika en Hans Peter.
Ongetraind, een hernia en zwaar rokend heb ik in 17 etappes 1450 km afgelegd... En mijn doel bereikt. De fiets kon terug met vrienden. Zelf zou ik de trein nemen. Maar eerst even een goede week bijkomen en feesten in Interlaken.
Natuurlijk ben ik trots op mijn prestatie. Vooral ook omdat in die tijd alle andere idioten dergelijke fietstochten lieten sponsoren voor goede doelen en de media opzochten (en vonden). Mijn toch verliep in stilte en eenzaamheid. Maar, ik had het uiteindelijk toch geflikt!
Niet veel later las ik dat vijftigers allerlei uitdagingen aan gaan, waarschijnlijk om te bewijzen dat ze nog tot alles in staat zijn. Dingen doen, die ze nooit gedaan hebben. Met name de wandeltocht van de pelgrimsroute naar Compostela schijnt in trek te zijn. Een dergelijke gedachte is bij mij nooit opgekomen. Ik had een grote bek en houd mij aan mijn eigen woorden en toevallig was ik dat moment vijftig jaar.
Het was afzien, iets om vooral nooit meer te herhalen, maar verdomd wat een gave ervaring was dat. En..., sindsdien ben ik een trouwe volger van de Tour. Ik begrijp die jongens wat beter. Ik begrijp het gevoel van de Tour..., of ik haal dat maar in mijn hoofd als excuus de Tour te mogen volgen.....
Posts tonen met het label Zandvoort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zandvoort. Alle posts tonen
donderdag 13 juli 2017
zaterdag 28 maart 2015
Van de vos Reinaert
Reinaert de Vos, wie kent hem niet. Wel, met trots mag ik zeggen dat ik een nazaat van Reinaert ben. Absoluut, Reinaert is een legende, maar mijn voorouder heeft ook echt bestaan. Bovendien geeft het verhaal over hem een goed beeld van ons vossen. Wij zijn immers sluwe dieren. Sluw, als het om eten gaat. Alhoewel, verder zijn we ook niet echt dom. De meeste vossen zijn zelfs zeer intelligent. Intelligenter dan honden en wolven. In de verte zijn we immers familie van de honden en wolven. Misschien is het grootste verschil wel dat zij roedeldieren zijn en de vos juist vrij solistisch. Honden en wolven kunnen dus ook een stuk dommer zijn, ze volgens immers hun leider. En leiders, dat hebben we inmiddels wel van de mensen geleerd, kunnen gewoon heel dom zijn. Als ze maar een grote bek hebben.
Ik woon in de duinen. De Waterleiding duinen, wel te verstaan. Ik leef tussen Vogelenzang en IJmuiden. Dat is een groot leefgebied, maar daarbij moet ik vermelden dat dit alles meer is dan mijn leefgebied. Namelijk, door het jaar heen leef ik in de verschillende gebieden. Ondanks dat een vos zijn eigen leefgebied er op na houdt, is een vos zo slim om een paar keer per jaar te verkassen. Zo hebben we verscheidene gebieden. We, want ondanks dat wij de meeste tijd in ons eentje zijn, delen we wel wat leefgebieden betreft. En wisselen we dus af.
Ik moet zeggen, dat ecoduct bij Zandvoort is een hele vooruitgang. Ik heb toch wel een paar vossen verloren, bij het oversteken van die weg. Nu hoeven we daar niet meer bang te zijn om over te steken. Op andere plekken moet je juist nog wel opletten. Zoals die dubbele weg, richting IJmuiden. Zelfs in de berm ben je daar soms niet veilig. Ik ben een oom verloren. Hij zat verscholen in de berm, een paar meter van de weg. Schuift er opeens een auto over hem heen. Een puinhoop, auto op zijn kant, oom dood. Gelukkig zijn dat de enige twee wegen waar we extra alert moeten zijn. Nu dus nog maar eentje.
Goed, ik verkas dus regelmatig. Eigenlijk per jaargetijde. In de winter zit ik wat meer in het noorden. Daar kan ik makkelijk het dorp in. O ja, ik kom ook gewoon in het dorp hoor. En heel soms lukt het mij om een kippetje te vinden, te vangen, op te peuzelen. Een echte lekkernij. Maar, vroeger (heb ik van horen vertellen) waren er veel meer kippen in de dorpen. Ach, vroeger, dat is voorbij. Nee, een kippetje is een traktatie, naast alle andere traktaties die je in de dorpen aan kan treffen. Wat het allemaal voor spul is weet ik ook niet. Veel is zoet. Ook soms zout en een enkele keer veel te zout. En vet. Ja, vet vind je ook overal. Dat is goed, zeker in de winter. En het meeste ligt voor het oprapen. Mensen zijn zo slordig. Ik kan daar hopeloos van genieten. Heerlijk.
In de duinen heb ik zo mijn contacten. Met andere vossen natuurlijk. We zijn dan geen roedeldieren, elkaar opzoeken is toch heel iets anders. Daarnaast wil ik de vrouwtjes ook wel eens een goede beurt geven. Met de kleintjes heb ik niet zo veel. Toch help ik de eerste tijd wel. Niet te lang en zeker niet teveel. Gelukkig zijn vossen niet echt monogaam. Nee, dat zeg ik verkeerd. Per jaar zijn we redelijk monogaam. Toch heb ik meestal ieder jaar wel een ander vrouwtje. Immers, verandering van spijs doet eten. En dat is waar wij, vossen, van houden. Verder heb ik niet echt contact met konijnen. Wanneer ik contact met een konijn heb, is dat om het dier te verschalken. Net als vogels. En, don't forget de eieren. Voor een goed ei mag je mij wakker maken. De pest is dat ik ze altijd zelf te pakken moet zien te krijgen. Lijkt een makkie, maar soms een reuze opgave.
Nee, mijn contacten zijn met de grotere dieren: reeën, herten, paarden en een soort koe. Die laatste zijn toch een stelletje domme grazers...
" Ha, Vossie, dat hoorde ik mooi effe. Helemaal gelijk rooie. Die koeien die ze hier laten grazen zijn volgens mij allemaal een beetje simpel."
" Ach, als we daar ons reeën madame niet hebben."
" Helemaal raak rooie. Ook lekker aan de wandel? En, net als altijd, hardop aan het mijmeren?"
" Ach Truus, soms heb ik lekker aanspraak aan mezelf. Ben jij alleen, of loopt jou groepje in de buurt?"
" Ik wilde effe alleen zijn. Ik was net van plan weer terug te gaan."
" Nou, doe ze de groeten. Ik zie je wel weer."
Kijk daar gaat mevrouw ree. Ze is absoluut aardig, maar van wat eenvoudige komaf. Haar roedel is trouwens een beetje uit z'n jasje gegroeid. Overal kom je tegenwoordig reeën tegen. Aardig volk, maar wat platvloers soms. De paarden, die zijn tof. Eigenlijk is het meer een soort pony en ze komen van heel ver weg. Ik zie ze vooral in de winter, want hun groep staat aan de noordkant van de Kennemerduinen. Ook de koeien staan in hun eigen gebieden. De rest is zo vrij als een vogeltje. Zoals de vos. Ik kan zelfs lekker over het Bloemendaalse strand lopen. Niet overdag, maar als het donker is. Nou ik het daar over heb. Een jaartje geleden was ik in de zomer op de camping de Lakens. Ook in Bloemendaal. Het was nog best vroeg en ik scharrelde tussen de tenten. Ja, daar is vaak iets te vinden. Komt er een kerel uit een tentje, gaat er voor zitten en maakt zijn ontbijtje. Ik zat een paar meter verder. Ik keek, maar hij sloeg nauwelijks acht op mij. Ik ben er van overtuigd dat het zo'n type was die niet zag dat ik een vos ben, maar dacht dat ik een hond was. Meestal raken mensen heel erg opgewonden als ze een vos zien. Dat vinden ze geweldig. Hoe vaak ik wel niet gefotografeerd ben... Je kan er een boek van maken. Ik heb niks aan een boek, maar misschien vinden de mensen het wat. Het leven van een vos is tegenwoordig niet slecht. Hier wordt er ook eigenlik niet op ons gejaagd. Lekker rustig.
Ik ga zo ergens een tukje doen. In de nacht ben ik veel op, maar overdag ben ik ook veel wakker. Ik slaap wanneer ik moe ben. En nu, nu ben ik nog lang niet moe...
Ik woon in de duinen. De Waterleiding duinen, wel te verstaan. Ik leef tussen Vogelenzang en IJmuiden. Dat is een groot leefgebied, maar daarbij moet ik vermelden dat dit alles meer is dan mijn leefgebied. Namelijk, door het jaar heen leef ik in de verschillende gebieden. Ondanks dat een vos zijn eigen leefgebied er op na houdt, is een vos zo slim om een paar keer per jaar te verkassen. Zo hebben we verscheidene gebieden. We, want ondanks dat wij de meeste tijd in ons eentje zijn, delen we wel wat leefgebieden betreft. En wisselen we dus af.
Ik moet zeggen, dat ecoduct bij Zandvoort is een hele vooruitgang. Ik heb toch wel een paar vossen verloren, bij het oversteken van die weg. Nu hoeven we daar niet meer bang te zijn om over te steken. Op andere plekken moet je juist nog wel opletten. Zoals die dubbele weg, richting IJmuiden. Zelfs in de berm ben je daar soms niet veilig. Ik ben een oom verloren. Hij zat verscholen in de berm, een paar meter van de weg. Schuift er opeens een auto over hem heen. Een puinhoop, auto op zijn kant, oom dood. Gelukkig zijn dat de enige twee wegen waar we extra alert moeten zijn. Nu dus nog maar eentje.
Goed, ik verkas dus regelmatig. Eigenlijk per jaargetijde. In de winter zit ik wat meer in het noorden. Daar kan ik makkelijk het dorp in. O ja, ik kom ook gewoon in het dorp hoor. En heel soms lukt het mij om een kippetje te vinden, te vangen, op te peuzelen. Een echte lekkernij. Maar, vroeger (heb ik van horen vertellen) waren er veel meer kippen in de dorpen. Ach, vroeger, dat is voorbij. Nee, een kippetje is een traktatie, naast alle andere traktaties die je in de dorpen aan kan treffen. Wat het allemaal voor spul is weet ik ook niet. Veel is zoet. Ook soms zout en een enkele keer veel te zout. En vet. Ja, vet vind je ook overal. Dat is goed, zeker in de winter. En het meeste ligt voor het oprapen. Mensen zijn zo slordig. Ik kan daar hopeloos van genieten. Heerlijk.
In de duinen heb ik zo mijn contacten. Met andere vossen natuurlijk. We zijn dan geen roedeldieren, elkaar opzoeken is toch heel iets anders. Daarnaast wil ik de vrouwtjes ook wel eens een goede beurt geven. Met de kleintjes heb ik niet zo veel. Toch help ik de eerste tijd wel. Niet te lang en zeker niet teveel. Gelukkig zijn vossen niet echt monogaam. Nee, dat zeg ik verkeerd. Per jaar zijn we redelijk monogaam. Toch heb ik meestal ieder jaar wel een ander vrouwtje. Immers, verandering van spijs doet eten. En dat is waar wij, vossen, van houden. Verder heb ik niet echt contact met konijnen. Wanneer ik contact met een konijn heb, is dat om het dier te verschalken. Net als vogels. En, don't forget de eieren. Voor een goed ei mag je mij wakker maken. De pest is dat ik ze altijd zelf te pakken moet zien te krijgen. Lijkt een makkie, maar soms een reuze opgave.
Nee, mijn contacten zijn met de grotere dieren: reeën, herten, paarden en een soort koe. Die laatste zijn toch een stelletje domme grazers...
" Ha, Vossie, dat hoorde ik mooi effe. Helemaal gelijk rooie. Die koeien die ze hier laten grazen zijn volgens mij allemaal een beetje simpel."
" Ach, als we daar ons reeën madame niet hebben."
" Helemaal raak rooie. Ook lekker aan de wandel? En, net als altijd, hardop aan het mijmeren?"
" Ach Truus, soms heb ik lekker aanspraak aan mezelf. Ben jij alleen, of loopt jou groepje in de buurt?"
" Ik wilde effe alleen zijn. Ik was net van plan weer terug te gaan."
" Nou, doe ze de groeten. Ik zie je wel weer."
Kijk daar gaat mevrouw ree. Ze is absoluut aardig, maar van wat eenvoudige komaf. Haar roedel is trouwens een beetje uit z'n jasje gegroeid. Overal kom je tegenwoordig reeën tegen. Aardig volk, maar wat platvloers soms. De paarden, die zijn tof. Eigenlijk is het meer een soort pony en ze komen van heel ver weg. Ik zie ze vooral in de winter, want hun groep staat aan de noordkant van de Kennemerduinen. Ook de koeien staan in hun eigen gebieden. De rest is zo vrij als een vogeltje. Zoals de vos. Ik kan zelfs lekker over het Bloemendaalse strand lopen. Niet overdag, maar als het donker is. Nou ik het daar over heb. Een jaartje geleden was ik in de zomer op de camping de Lakens. Ook in Bloemendaal. Het was nog best vroeg en ik scharrelde tussen de tenten. Ja, daar is vaak iets te vinden. Komt er een kerel uit een tentje, gaat er voor zitten en maakt zijn ontbijtje. Ik zat een paar meter verder. Ik keek, maar hij sloeg nauwelijks acht op mij. Ik ben er van overtuigd dat het zo'n type was die niet zag dat ik een vos ben, maar dacht dat ik een hond was. Meestal raken mensen heel erg opgewonden als ze een vos zien. Dat vinden ze geweldig. Hoe vaak ik wel niet gefotografeerd ben... Je kan er een boek van maken. Ik heb niks aan een boek, maar misschien vinden de mensen het wat. Het leven van een vos is tegenwoordig niet slecht. Hier wordt er ook eigenlik niet op ons gejaagd. Lekker rustig.
Ik ga zo ergens een tukje doen. In de nacht ben ik veel op, maar overdag ben ik ook veel wakker. Ik slaap wanneer ik moe ben. En nu, nu ben ik nog lang niet moe...
Labels:
Driehuis,
hert,
Kennemerduinen,
koe,
paard pony,
ree,
Reinaert,
Santpoort,
Sprookje,
Vogelenzang,
vos,
Zandvoort
woensdag 24 september 2014
In den vreemde; taal (10)
Op school heb ik
Frans, Duits en Engels geleerd. Voor Frans lag mijn gemiddelde al die jaren
rond een zes. Het gemiddelde van Duits en Engels hing tussen de drie en de vier
in. Sommige docenten mazzelden mij.
Om te beginnen heb ik niet echt een talenknobbel, wat niet wil zeggen dat
ik niet in staat ben een andere taal mij machtig te maken. Zeker op de
middelbare school was luiheid troef. Dat mijn Frans gemiddeld hoger scoorde lag
aan andere zaken. Als kind was ik vaker in Frankrijk en ik was al jong een
beetje een Francofiel. Op mijn 15e ging
ik voor het eerst alleen op vakantie. Naar Frankrijk dus.
Met Duits had ik niet zo veel en vond het maar een ingewikkelde taal met
alle naamvallen en grammatica. Ik kon mij ook nauwelijks voorstellen wat ik in
mijn leven met die taal zou moeten, daar in die naoorlogse jaren Duitsland nog
steeds iets van een vorm van besmetting kende.
Bovendien, voor Frans had ik boeiende leraren, maar voor Duits en Engels
waren ze onsympathiek, hypocriet, dogmatisch, streng, onaardig, vervelend en
wat al niet meer. Het belang van de Engelse taal besefte ik mij terdege. Op de
middelbare school had ik een Israëlische penvriendin (ene Yael Ben Zion, als
het mij goed herinner). Dat ging in het Engels. Veel brieven en lange brieven.
Grammaticaal wellicht niet denderend, maar ik kon mijn boodschappen kwijt en
wat zij schreef vatte ik uitstekend. Kortom, om de diverse talen via school
mijzelf eigen te maken zag ik weinig belang en bovendien besteedde ik mijn tijd
liever aan leuke, niet schoolse, zaken. Ook mijn pubertijd heb ik met volle
teugen ondergaan. En zo had ik een vriendinnetje, Marion van Stigt uit
Driehuis, waar ik echt helemaal weg van was. Het leek geruime tijd redelijk
wederzijds, maar hoe zij er precies in stond heb ik nooit geweten (wel is zij
later met haar buurjongen van uit die tijd getrouwd). Nee, haar ouders
waren de
bepalende factor. Op gegeven moment kreeg ik te horen dat mijn schoolprestaties
dermate benedenmaats waten dat zij niet wilden dat ik langer met hun dochter om
ging, of ik moest beter mijn best doen. In die periode zat ik in mijn
dieptepunt Duits met een gemiddelde van ergens tussen de één en twee. Maar
goed, ik wilde Marion niet kwijt en sloeg aan het leren. En jawel het eerste
proefwerk was; Duits. Ik had goed mijn best gedaan en met de teruggave van de
gecorrigeerde proefwerken bleef de docent honend naast mijn tafeltje staan: je hebt een 10... Je krijgt een 3. Vol
ongeloof staarde ik de docent aan. Nog voor ik de waaromvraag kon stellen het
vervolg: aangezien je nooit hoger scoort
dan een 2 kan het niet anders zijn dan dat je hebt gespiekt. Helaas heb ik je niet betrapt, maar het
verschil is zo overtuigend dat ik er met zekerheid vanuit kan gaan, dus krijg
je die 3. Klaar. In die tijd was je dan letterlijk uitgeluld en het was ook
de tijd dat je ouders altijd de kant van de docenten kozen. Er was maar een
oplossing. Die diende zich snel aan. Een tweede proefwerk Duits. Ik mij weer te
pletter leren en... Er stond een 10 op het nagekeken werk. Ook stond er een
driftig blauw kruis door het cijfer en nog nog driftiger geschreven 1 naast het
oorspronkelijk rode cijfer. Geen commentaar dit meer.
Dat betekende het einde van mijn relatie, maar ik een bijna definitieve
nekslag ooit nog te willen leren, dan wel echt mijn best te doen. Nadat ik op
een blauwe maandag begon met een cursus Zweeds (vraag mij bij God niet waarom
ik voor die taal koos) stopte ik er drie dinsdagen later alweer mee.
Wel heb ik gedurende twee seizoenen een keer per week Spaanse les gevolgd.
Dat was bij een oudere vrouw in Zandvoort en enkele suffige medeleerlingen.
Maar ik hield vol, want ik had het plan om, met vriend Joop, naar Venezuela te
gaan. Na bijna twee cursusjaren gingen wij. Ik kon het Spaans goed volgen, maar
durfde mijn bek niet open te trekken. Joop begreep geen snars van die
Venezolanen, maar lulde iedereen de oren van de kop. In het Spaans. Zo trokken
wij als een soort lamme en blinde elkaar aanvullend gedurende zeven weken door
het Venezolaanse land.
En nu zit ik in Turkije. Eigenlijk ben ik van mening een flink stuk basis
van de Turkse taal mij machtig te moeten maken. Tot vijf tellen gaat redelijk
soepel. Van zes tot tien moet ik al flink nadenken. Bedanken kan ik en merhaba kan ik al uitspreken sinds ik
ooit een reclame/naambord voor een shoarmazaak in de Haarlemse Koningsstraat
maakte. Verder blijf ik hangen. Beelden uit mijn jeugd komen weer boven
drijven, vooral wanneer anderen hun best doen mij te helpen of mij willen
stimuleren. 'S Nachts zit ik, wanneer ik de slaap niet kan vatten, stilletjes
op het marmer van de trap te tellen tot tien. Verder heb ik een schrift. Daar
zet ik de woorden in die ik wil leren. Ik vergeet vooral de woorden op te
schrijven, omdat ik de woorden zoek, wanneer het schrift ver buiten mijn bereik
is. Maar, ik blijf door zetten! Ik zal de Turkse taal op bescheiden schaal
machtig worden. Het zal wel een aantal jaartjes duren. Behalve dat ik de
beschuldigende vinger op mijzelf wijs doe ik dat ook richting de Turken. Ze
beginnen al in het Engels, en soms krijg je de kans niet eens iets in het Turks
te zeggen. Of je probeert het in het Turks en ze denken dat je het vloeiend
spreekt. Een tussenweg ben ik nog nauwelijks tegen gekomen. Ja, juist voor mij
wordt het een martelgang. Gestaag zal ik echter door zetten. Ik kan nu dan ook
zeggen; teşekklüler voor het lezen van
deze editie van mijn blog.
vrijdag 19 september 2014
in de vreemde; dromen (8)
Al
eerder gaf ik aan middels mijn dromen zaken uit het verleden te verwerken,
sinds wij onderweg zijn. Het lijkt of de herleidbare verwerkingsdromen nu wel
voorbij zijn, maar ik droom stevig en herinner mij met enige regelmaat de
dromen. Vannacht had ik een droom, die ik vorige week ook droomde...
De droom ging over het mausoleum waar
de as van mijn schoonmoeder lag, terwijl wij haar met vereende krachten in de
duinen van Zandvoort verstrooid hebben. Beide keren begon het met een lange
reis. Naast een gevangenis (waar je alle gedetineerden door een hek kon zien).
Het eerste deel was een langgerekt heuvelende begraafplaats. De eerste keer
waren Reina en ik samen. In de tweede droom waren we met Lina en Anna. De
eerste droom was de begraafplaats verlaten, maar bij de tweede keer was er bij
ieder graf grote drukte. Er waren alleen maar vrouwen, gehuld in glimmende
lichte stoffen. Een beetje de kledingstijl uit oost Europa (Roemenië,
Hongarije), maar in een feestelijke versie. Iedereen was druk bezig en het leek
meer op een picknick plek, dan een begraafplaats. Bijna met open mond wandelden
we er langs en keken toe. Anna niet, zij nam het lage pad en keek telkens licht
getergd naar boven, opdat wij wel genoeg door liepen. Na de lange begraafplaats
was er een soort plein. Met een pendelbusje werd het laatste stuk afgelegd. Tot
het loket. Daar stapte iedereen uit. In de eerste droom waren we vrijwel alleen
in het busje, in de tweede was het druk. Een wat oudere vrouw maakte een hoop
stennis om als eerste uit te mogen stappen. Daarna volgden wij. Beide keren
moesten wij ons paspoort tonen, alvorens verder te mogen. Lina (de tweede
versie) kon in eerste instantie haar document niet vinden. Vervolgens mochten
we door lopen. Een heel lang en breed pad. Het eerste gedeelte was een lange,
hoge en pompeuze muur van marmer. Na een paar honderd meter hield de muur op en
was er een brede trap. Zo breed als het gebouw (achter de muur). Lage treden.
De eerste keer wilde we daar heen, echter we werden tegen gehouden. Bloemen
mochten op de onderste treden gelegd worden, verder mocht je niet komen. De
eerste droom eindigde hier. In de tweede droom liepen Reina en ik door, langs
een cederbos met lichte naalden. De meisjes bij de trap achterlatend. Helemaal
aan het eind van het brede pad stond een hokje. Het blauwe gordijntje stond
open. Reina ging naar binnen. Ze werd jolig en de man, in witte kleding, was
afhoudend en uitdagend gelijktijdig. Het schouwspel aanstarend stopte te droom.
Voor deskundigen in dromen is hier
misschien wel iets uit te halen. Zelf kan ik de droom nauwelijks plaatsen. En
waarom ik dezelfde droom nu twee keer langs heb zien gaan is een raadsel. Wel
had ik vroeger dat dromen zich herhaalden. Jarenlang had ik tijdens vakanties
mijn vakantiedroom. Een soort enorme berg van Babel, waar van alles gebeurde.
Iedere keer verschillend, maar de basis omstandigheid was het zelfde. Die droom
heb ik nu al jaren niet meer gehad.
Een andere, deze week. Ergens in een dorpje, met veel groen
en hoge bomen word ik verliefd op een meisje. Ik heb wel wat contact, maar
dring niet echt tot haar door. Ik weet niet hoe ik het aan moet pakken en ga op
zoek naar mijn atelier. Ergens in een bos een verlaten fabrieksterrein. Her en
der verwaarloosde panden rond een groot stuk grond. Overal mensen. De wereld
hier heeft iets weg van een hippie stad, of commune (een beetje als Ruigoord).
Ik ga op Herbert af, die in een vale beige werkmansbroek staat (met bandjes
over de schouders en een borstvak). Hij legt mij de weg uit en gaat naar
binnen. Even later volg ik hem. Herbert is nergens meer te zien en ik ga dwalen
door het gebouw. Een wirwar van gangen en trappen. Over het algemeen vrij
donker, wat het tot een waar doolhof maakt. Ik voel steeds verder in de goede
richting te komen. In mijn ooghoeken zie in achter openstaande deuren overal
ateliers, waarvan de meeste een bedompte indruk maken. Aan het eind van een
gang treed ik een ruimte binnen. Het is hier een grote miniatuur treinbaan.
Behalve een enorme tafel zijn ook de wanden en het plafond bedekt met rails,
huisjes en attributen. Twee forse mannen staan opgewonden voor de tafel. Beiden
in een min of meer Duits uniform, maar ook een beetje zo'n uniform als wat je
ziet in die films die afspelen van na het vergaan van de wereld, waar de
laatste overlevenden verder proberen te overleven. Eentje staat aan de knoppen
te draaien en op de tafel blijkt de miniatuurwereld een oorlogstafereel te
zijn. Treintje worden opgeblazen en de poppetje worden neergeschoten. Misselijk
verlaat ik de ruimte en dwaal verder door het donkere gebouw. Eindelijk kom ik
buiten. Mijn atelier heb ik nooit gevonden. Buiten, tussen de rookpotten,
ontwaar ik Herbert. Het staat met het meisje waar ik verliefd op ben... Ze
zoenen en zijn innig omstrengeld.
In al mijn dromen komen mensen voor
uit mijn kennissenkring. Vroeger droomde ik in al mijn dromen over huizen.
Meestal spelen mijn dromen in verre en onbestemde oorden af.
Zo is het oud en nieuwe, maar de zon
gaat niet onder. Het blijft vaal licht. Wij (Reina en ik) wonen in een geschakelde
woning van drie huizen. Aan de overkant van de straat baant zich een brede
rivier rustig haar weg zeewaarts. Er kwamen allerlei mensen binnen, waarvan
iedereen een bekende was, in meer of mindere mate. Ook twee kinderen kwamen
langs (de kinderen, hij heeft er volgens mij maar een, van onze schuine
overbuurman uit Driehuis). Overal klinkt geluid, en sfeervol geroezemoes.
Iemand roept Paul, maar er vindt geen
enkele reactie plaats. Ook ik ga nu het huis binnen. Ondanks het licht buiten
is het in de woning donker. Niemand beschikt over een zaklamp en de schaduwen
tasten elkaar een beetje af. Dan gaat de bel, bij de achterdeur. Daar staat
Jan. In een zwarte houtjestouwtjesjas. De bovenkant van zijn capuchon is wit
van een laagje sneeuw. Hij reikt mij speculaasjes aan. Vervolgens meldde ik Jan
dan alle gasten in Punk outfit waren gekomen. We lopen naar binnen. We zoeken
iets, maar ik heb geen idee wat. Vervolgens gaan we naar buiten, via de
achterkant, die aan een groot park grenst. De bomen zijn getooid in
herfstkleuren of dragen nog groene bladeren. In het park kom ik allemaal mensen
van GroenLinks Haarlem tegen. We praten en lopen met elkaar op. Er liggen
bootjes. We stappen in een van de bootjes. Het bootje wordt voller er voller.
De partner van Cora-Yfke (nu wethouder in Haarlem) kwam er ook bij, want wij
hadden iedereen uitgenodigd. Uiteindelijk gaan we varen. Het is een roeiboot,
echter het scheepje beweegt toch op eigen kracht. Het vaart door de in het park
aangelegde wateren. Uiteindelijk varen wij op de enorme brede rivier. Ik kan
ons huis niet meer vinden. Het moet ergens tussen de twee bombastisch grote
bruggen zijn. Dan weer terug het park in. Reina en ik gaan zwemmen in het
donkere water tot er op de deur gebonkt wordt. Martin Gaus staat er voor, met
zijn eeuwige grijns, maar toen de deur open ging, was nergens meer water te
bekennen. We liepen de kamer in, die vol zat en er volgde een serie complexe
vergaderingen. Vervolgens wandel ik naar mijn auto.
Het heeft wel iets dromen te onthouden
en op te schrijven. Een wereld van bizarre combinaties, duistere beelden en een
belichting die in werkelijkheid nimmer te realiseren is. Fantasie met telkens
hele reële aspecten in onmogelijke contexten. Ik ben dol op dromen. Ondanks dat
in veel dromen een teleurstelling verwerkt zit lijkt het mij geweldig, wanneer
het hiernamaals de wereld van mijn dromen is...
Een grote stad, Bohémien. Desondanks
heerste er een nazi bewind. De meeste mensen werden sterk beperkt in hun
vrijheden en handelen. Het was er heel druk en ik bevond mij op een plein. Het
was er vol terrasjes en ondanks het regime heerste er een gezellige enigszins
ontspannen sfeer. Een zijde van het plein werd omsloten door een groot chique
gebouw, aan de buitenzijde uitbundig versierd met marmer en gebeeldhouwde
ornamenten. Ik ging het gebouw binnen. Een imposante hal van enkele etages
hoog. Met de lift toog ik naar de hoogste verdieping. Ook hier hoge plafonds en
lange gangen. Via een deur kwam ik op het dakterras, bijna groter dan het plein
beneden, aangekleed met bakken vol exotische planten. Voor de rijen stoelen
speelde een orkest klassieke muziek. Alle stoelen waren bezet, waarop ik weer
naar binnen ging. Daar kwam ik mijn tante Edith tegen. En meer familie, vooral
van de zuidelijke tak. Ook Lia Merhottein ( ik heb haar nooit ontmoet, en na
haar overlijden heb ik ooit een foto van haar gezien) was er. Samen vertrokken
wij naar het station . Grote pleinen en brede lanen. Maar overal lag afval.
Bergen afval. Er werd afval opgehaald en met het zelfde tempo gedumpt. In een
hoek stonden alleen maar versleten meubels. Dan kwamen Lia en ik bij het
station. Mensen klampten mij aan en vroegen; ben jij Ernst? En iedere
keer dat ik bevestigend antwoordde volgde hele lulverhalen. Het werd mij teveel
en ik vluchtte het station uit en reed weg in de auto.de parkeerplaats, waar ik
vanaf moest, was groot. De lucht betrok tot donkere wolken. Na een foto van de
regenboog genomen te hebben reed ik snel naar mijn vrienden. Ik moest hen
helpen, daar zij onder het juk van de militairen een lijdensweg ondergingen. Om
daar te komen moest ik langs talloze boosaardige mannen in dreigende uniformen.
Mijn vrienden zaten verscholen in een soort zweefvliegtuig van groot formaat.
Via een zelfgecreëerde trap kwam ik binnen, waar overal luchtmatrassen lagen.
Om hun vlucht voor te bereiden moest ik
nog een boodschap doen. Ik reed door het bos. Op een specifieke plaats stopte
ik, omdat er honderden touwtjes aan de boomtakken bengelden. Er verscheen een
zwaar militair voertuig, waarop ik mij tussen de takken op de grond verschool.
Daarna kroop, rende en struikelde ik verder tot ik bij een groot militair
gebouw aan kwam. Er stond een geslachtsloze blote man. Een kennis van mij.
Overal zag ik het zelfde; geslachtsloze blote mannen. En militairen. Ik viel
niet op en maakte van de gelegenheid gebruik mijn vrienden en kennissen te
bevrijden. Ik had mijn taak uitgevoerd...
Mijn nachten zijn intensief. Ik houd
daar wel van. Er zijn nog meer dromen die ik mij herinner. Ik schrijf hier
echter een blog en geen boek der waanzinnige verhalen. Misschien dat het er
ooit nog van komt. Dat wordt dan vast het eerste boek voor schizofrenen...,
daar ik zelf mijn dromen niet kan duiden en veelal ook niet kan volgen.
Abonneren op:
Posts (Atom)




