Ooit ben ik geboren in een Randstedelijk dorp, Santpoort Noord. Opgegroeid en vertrokken, maar een lange tijd van mijn leven in de buurt gewoond. In zekere zinnen ik een honkvast type..., aan de andere kant totaal niet.
Lange tijd heb ik een relatie gehad met iemand van Urk. Ik kwam dus veel op Urk. Een Nederlands dorp, maar ook altijd een soort "buitenland". Overigens, voor de Urkers was ik een "vreemde".
Ondanks dat ik qua wonen erg honkvast was reisde ik al vroeg in mijn leven. Eerst op vakantie, met de auto, klem tussen mijn oudere broers. Later alleen. Liften, op de brommer, met de auto en dan zelfs vliegen.
Eerst trok ik door Europa. In West Europa heb ik alle landen wel gehad, behalve een drietal Scandinavische landen. De continenten Afrika, Azië, Noord en Zuid Amerika inmiddels ook, evenals Midden Amerika en het Caribisch gebied, waaronder Curacao en Cuba. Het waren vakanties, reizen en bezoeken. En op veel van die plaatsen kreeg ik de gedachte daar wel te kunnen wonen.
Inmiddels zit ik bijna drie jaar in Turkije (waarvan vier maanden ongeveer in Nederland) en ja, ik kan hier wonen.
Door mijn reizen, vele bezoeken aan Curacao en langdurig verblijf in Turkije realiseer ik mij plots iets, wat eigenlijk nooit zo tot mij doordrong. Of dit komt door de politieke klimaten in de diverse landen, de globalisering, of gewoon het feit dat ik ouder word. Op zich boeit dat mij niet. Dat wat ik mij realiseer boeit mij des te meer.
Ik ben Nederlander. Ik spreek de Nederlandse taal. Ik spreek meer talen. Nee, Turks lukt mij overigens niet. Maar ben ik Nederlander? Wat doet Nederland mij eigenlijk? Nederland is niets meer, dan een gegeven, het feit dat ik die nationaliteit heb en de cultuur ken. Maar welke cultuur? Nederland is niet overal hetzelfde. Zoals ik aangaf is, bijvoorbeeld, Urk een hele andere gemeenschap. In Zuid Limburg heb ik al het gevoel in een totaal vreemd gebied te zijn en in Groningen..., ja sorry, maar daar heb ik geen gevoel bij. Dat is gewoon een niet nader te noemen regio, ergens op de wereld. Ja, want wat is nationaliteit eigenlijk? En een nationale identiteit, dat is puur een verzinsel. Vele burgeroorlogen hebben dat in feite al bewezen. Nee, ik ben er achter dat de wereld weliswaar opgedeeld is in landen en continenten, maar dat de wereld in feite de wereld is. Ja, ik ben een wereldburger. In iedere streek, regio, of gebied is het anders. Nationale grenzen spelen daarbij feitelijk helemaal geen rol. Overal is het hetzelfde, maar nergens gelijk. Groot, noch klein. Zelfs verschillen tussen arm en rijk zijn niet primair gebonden aan landen, maar wel aan regio's. Bloemendaal is een "rijk" dorp, maar in Hillegom woont armlastig boerenvolk. Wel, ook in Bloemendaal is armoede en wonen er rijken in Hillegom. Maar kijk eens naar andere landen. In feite is het overal hetzelfde! Armen wijken, rijke steden, ontwikkelde gebieden versus achter gebleven regio's. Zelfs mensen, die zich tot een bepaald volk voelen behoren zijn verschillend. Mensen, die dezelfde Religie aanhangen kunnen tegenpolen zijn.
De Nederlander bestaat eigenlijk helemaal niet. Net zo min, de Turk, de Belg, de Indonesiër, of de Australiër, om maar een paar zijstraten te noemen. Als mens, als individu zijn we wereldburger!
Puur door een stelletje idioten zijn er landen en naties ontstaan. Idioten, eerst landheren, landeigenaren, later koningen, keizers en weer later regeringen. En soms liepen die periodes ook nog eens door elkaar.
Ik roep al langer dat ieder mens gelijkwaardig is aan elkaar, maar niemand is gelijk. We zijn allemaal wereldburgers en dat sterkt onze gelijkwaardigheid. De ongelijkwaardigheid, de discriminatie is een politiek verzinsel. Bestuurders die de mensen keer op keer hebben verteld dat "wij" beter zijn, meer zijn zelfs, en "zij" niet deugen, dieven, parasieten en gevaarlijk zijn. De bestuurders hebben ons leren generaliseren. Ze hebben ons maar wat op de mouw gespeld. In ieder land zijn mensen aardig, maar ook zijn er hufters. Machtswellustelingen heb je overal. Echt overal.
Doordat al eeuwen de onderlinge verschillen en schisma's benadrukt worden lijkt het inderdaad dat grote groepen dezelfde kenmerken hebben. Zo zijn hier veel van die patserige, dikke, passieve Engelsen, vol tattoos. Klopt, maar hoe veel andere Engelsen zijn er ook? Door onze vooringenomenheid denken we te kunnen generaliseren. We zijn er zelfs van overtuigd soms. Toch is dat natuurlijk absolute bullshit, wat wij ons zelf hebben laten aanpraten, of we ons zelf aanpraten.
Destijds in Joegoslavië... Buren die lange tijd uitstekend met elkaar om gingen tot opeens de een een Serviër was en de ander een Bosniër. En, ze sloegen elkaar de hersens in. Zie de Fries, die zijn Brabantse buur neer schiet, omdat ie na vele haren vriendschap ontdekt dat het een Brabander is..., of dat die bestuurders je er opeens op wijzen dat het een Brabander is.
Klein en groot, een strijd die je overal ziet. Niet aan landsgrenzen gebonden is, in feite niet eens aan de mensen zelf.
Het is een heerlijk gevoel te ontdekken, te beleven dat ik gewoon een wereldburger ben. Dat alle mensen gelijkwaardig zijn en ondanks alle verschillen in feite alleen de taal een probleem kan zijn. En ook dat probleem wordt minder, want meer mensen spreken Engels en ook steeds beter. En zo leren we weer met elkaar communiceren, omgaan en wellicht soms begrip tonen. Immers ondanks ieders gelijkwaardigheid is niemand gelijk. Ik kan ook heel goed de schurft aan iemand hebben en verafschuwen. Men kan mij ook verafschuwen en niet mogen. Prima, houden zo; accepteren. Omdat we gelijkwaardig zijn dien je dat van elkaar te accepteren en te respecteren. Onzin om iemand die mij niet mag op z'n bek te slaan. Dan laat je die persoon gewoon links liggen en mocht je er wel mee om moeten gaan houd je het gewoon zakelijk en afstandelijk.
In principe heb ik met mijn gevoel, dat ik wereldburger ben, dat iedereen wereldburger is theoretisch bij deze alle geweld de wereld uit geholpen. Oorlogen, moorden, misdaad en terreur..., het hoeft niet meer. We zijn wereldburgers en dienen ons als zodanig te gedragen. Hoe simpel kan het zijn...
Jammer, dat veel mensen het niet simpel willen. Dat sommigen zullen denken: die klootzak van een Merhottein moeten we een lesje leren, hij verkondigt zulk een onzin... op het schavot met hem!
Laat mij mijn onzin verkondigen, dan mag jij jou onzin verkondigen, maar als we op die basis elkaar al te lijf gaan, nou blaas dan die hele aardkloot maar in een keer op. Ga daar maar eens lekker een plan voor smeden, dan geniet ik voorlopig volop van mijn gevoel wereldburger te zijn...
Posts tonen met het label Bloemendaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bloemendaal. Alle posts tonen
zaterdag 22 april 2017
maandag 30 maart 2015
De stoeterij
De stoeterij in Santpoort is achter het oude politiebureau en onderdeel van de Uileboom. Even verderop is nog een stoeterij. Iedereen is er wel een keer aan voorbij gegaan, want het ligt vrij dicht tegen de N208 aan. Een oud stenen gebouw, in de lengterichting naast de weg, in de bocht voor de stoplichten naar Haarlem. Je komt er langs en denkt misschien hooguit; dat is een oud pand. Het pand staat op het terrein van de familie Kat, de familie van de Kijkgrijp en later Dekamarkt (de Kat markt...). Op dat terrein staat een bungalow, waar de familie woonde. Eind jaren zestig is het gebouwd. Een eind achter het hek, bijna onzichtbaar voor de buitenwereld. Voor ons dorpelingen een mystische plaats, want wat leefde daar en hoe? Destijds leefde de familie teruggetrokken, of in ieder geval uit het zicht van het dagelijkse leven van de dorpelingen. De stoeterij is er waarlijk destijds bij gekocht. Het leek eerder een last dan een lust, daar het jaren in een zekere staat van verval heeft verkeerd. Inmiddels is het alweer jaren geleden opgeknapt en bewoonbaar gemaakt.
Als kind kwam ik er wel langs. Een van mijn klasgenootjes woonde in het laatste huis van het dorp. Na de stoeterij zijn nog twee (of drie) huizen. Wie de jongen was, waar ik vroeger kwam, kan ik mij niet meer heugen. Blijkbaar heeft hij weinig indruk op mij gemaakt, des te meer de locatie van het huis en de tuin. Groen en fruitbomen.
Meer kwam ik op de Slaperdijk, aan de andere kant van de N208. Onder andere bij de familie Kleist. De Slaperdijk is een rij huizen tegenover een laag dijkje. Een beetje rommelig ogend. Rijtjes huizen en wat boerderij achtige panden. In onze ogen een beetje een "achterbuurt" van Santpoort. Zelf woonde ik in het wat chiquere deel en ook vroeger had men ook zo z'n vooroordelen. Als kind had ik daar echter al lak aan. Ik speelde met wie ik speelde en kwam vaak bij anderen thuis. Zelden nam ik zelf iemand mee naar huis. Niet uit schaamte, maar omdat ik nooit wist wat ik bij ons moest. Jan Wiebe van Veen, Bart Verkruysen en later Herman Samson kwamen wel eens bij ons thuis, maar zij woonden allen heel dichtbij. Mijn broers kwamen meer met anderen thuis, waar ik overigens op de middelbare school ook mee begon. Maar op de lagere school nauwelijks. Dan ging ik juist zo veel mogelijk de hort op, of speelde heerlijk in mijn eentje thuis. Iets wat ik graag deed.
De Slaperdijk was landelijk. Het behoorde nog tot Santpoort, alhoewel toen kwade geesten het liever Haarlem toedichtten. Maar, ik kwam er graag. Je kon net over het dijkje kijken, waar je uitgestrekte weilanden had, tot aan de Hofgeest. Daar stond wat bieren bedrijven, wat eigenlijk te ver was om goed te zien. Dus waren het weilanden tot zo ver het oog reikte. Op de weilanden stonden veel koeien en ook schapen. Iets wat nu niet meer voor te stellen is, want tegenwoordig ligt hier de woonkern Velserbroek. Tussen Velserbroek en de Slaperdijk is gelukkig nog steeds een strook weiland. Hopelijk blijft dat gehandhaaft. Als Santpoorter is Velserbroek nog steeds een vloek voor mij. Zonde van het groene gras. Aan de andere kant was het destijds natuurlijk een locatie bij uitstek om het toenemende aantal inwoners te huisvesten.
Marjo Kleist was een vriendinnetje, maar ik had geen "relatie" met haar. Ik kwam bij haar thuis, omdat ze in mijn klas zat, maar ook omdat ik met een broertje van haar speelde. En er woonde nog een klasgenoot op de Slaperdijk. Naar later bleek heeft Marjo ook nog bij mijn vrouw in de klas gezeten, in Bloemendaal. De wereld is klein.
Klein was ik in mijn jeugd en voor de kleintjes was de wereld groot. Santpoort was groot. De Slaperdijk was dan ook ver. Verder dan de andere plaatsen waar ik kwam. Dat klopte echter niet. Het feit dat de onder de snelweg door moest en alles kaal was daar gaf het gevoel van afstand. Menig vriendje woonde verder weg, maar doordat je tussen de huizen en het groen ging leek de afstand kleiner. Vanaf de Stoeterij leek Haarlem ook altijd nog heel ver weg. Meestal kwam ik er met de auto, met mijn moeder, langs. Later op mijn brommertje. Op de fiets nam ik bij voorkeur een andere route. Toch moest je altijd een buffer van groen en weiland door om naar Haarlem te gaan. Behalve via de Kleverlaan in Bloemendaal (en zuidelijker). Ook daardoor leek de afstand naar Haarlem altijd groter, dan de werkelijkheid was.
Toen ik op de middelbare school (het Lorentz Lyceum aan het Santpoorterplein) zat nam ik met de fiets altijd het Zwarte Pad. Het verlengde van de Jan Gijzenvaart richting Santpoort-Zuid. Zelden nam ik de route langs de Stoeterij. Ook niet toen ik een vriendinnetje had, in een van de (inmiddels ook gesloopte) noordelijkste flats van Haarlem.
Wel heb ik vlak na de Stoeterij mijn eerste ervaringen op het ijs opgedaan. Het begin van de Delft (of het eind, mij om het even). Daar nam mijn moeder mij mee om de kwelling te ondergaan inzake mijn eerste schaatservaring.
Santpoort is een vreemd dorp. Te beginnen het onderscheid tussen Santpoort-Noord en Santpoort-Zuid. Dan aan de ene kant bos en duinen, terwijl de andere kant vlak agrarische gebied was. Santpoort-Zuid werd gezien als een heel ander dorp, waar alleen de naam mee overeen kwam. Verder werd vooral de toevoeging sterk benadrukt, terwijl Noord het meestal beperkte tot alleen Santpoort. De zijde van de duinen was ook al minder Santpoort. Wat dat betreft was de spoorlijn de grens. Provinciaal (psychiatrisch) Ziekenhuis Santpoort (PZ) lag geheel binnen de gemeentegrenzen van Bloemendaal en een goede Santpoorter meldde dat op ieder partijtje en iedere verjaardag. De N208 werd gezien als oostgrens van het dorp. Om die reden paste de Slaperdijk niet echt bij het dorp. De stoeterij daarom een onbeduidend pand. Bosbeek was de buffer tussen noord en zuid en het spoorwegviaduct de grens tussen Driehuis en ons dorp. Kortom, de begrenzing maakte Santpoort eigenlijk een heel overzichtelijk dorp. Ook de scholen zaten allen bij elkaar in de buurt. De katholieke bij de Naaldkerk, de gereformeerden en protestanten in de Frans Netscherlaan en de openbare school achter de molen. Aangezien wij überhaupt niet kerkelijk waren zat ik op de openbare lagere school.
De Stoeterij, je rijdt er voorbij. Een oude muur met ramen. Een stukje mystiek en tevens weer een opening naar vele herinneringen.
Als kind kwam ik er wel langs. Een van mijn klasgenootjes woonde in het laatste huis van het dorp. Na de stoeterij zijn nog twee (of drie) huizen. Wie de jongen was, waar ik vroeger kwam, kan ik mij niet meer heugen. Blijkbaar heeft hij weinig indruk op mij gemaakt, des te meer de locatie van het huis en de tuin. Groen en fruitbomen.
Meer kwam ik op de Slaperdijk, aan de andere kant van de N208. Onder andere bij de familie Kleist. De Slaperdijk is een rij huizen tegenover een laag dijkje. Een beetje rommelig ogend. Rijtjes huizen en wat boerderij achtige panden. In onze ogen een beetje een "achterbuurt" van Santpoort. Zelf woonde ik in het wat chiquere deel en ook vroeger had men ook zo z'n vooroordelen. Als kind had ik daar echter al lak aan. Ik speelde met wie ik speelde en kwam vaak bij anderen thuis. Zelden nam ik zelf iemand mee naar huis. Niet uit schaamte, maar omdat ik nooit wist wat ik bij ons moest. Jan Wiebe van Veen, Bart Verkruysen en later Herman Samson kwamen wel eens bij ons thuis, maar zij woonden allen heel dichtbij. Mijn broers kwamen meer met anderen thuis, waar ik overigens op de middelbare school ook mee begon. Maar op de lagere school nauwelijks. Dan ging ik juist zo veel mogelijk de hort op, of speelde heerlijk in mijn eentje thuis. Iets wat ik graag deed.
De Slaperdijk was landelijk. Het behoorde nog tot Santpoort, alhoewel toen kwade geesten het liever Haarlem toedichtten. Maar, ik kwam er graag. Je kon net over het dijkje kijken, waar je uitgestrekte weilanden had, tot aan de Hofgeest. Daar stond wat bieren bedrijven, wat eigenlijk te ver was om goed te zien. Dus waren het weilanden tot zo ver het oog reikte. Op de weilanden stonden veel koeien en ook schapen. Iets wat nu niet meer voor te stellen is, want tegenwoordig ligt hier de woonkern Velserbroek. Tussen Velserbroek en de Slaperdijk is gelukkig nog steeds een strook weiland. Hopelijk blijft dat gehandhaaft. Als Santpoorter is Velserbroek nog steeds een vloek voor mij. Zonde van het groene gras. Aan de andere kant was het destijds natuurlijk een locatie bij uitstek om het toenemende aantal inwoners te huisvesten.
Marjo Kleist was een vriendinnetje, maar ik had geen "relatie" met haar. Ik kwam bij haar thuis, omdat ze in mijn klas zat, maar ook omdat ik met een broertje van haar speelde. En er woonde nog een klasgenoot op de Slaperdijk. Naar later bleek heeft Marjo ook nog bij mijn vrouw in de klas gezeten, in Bloemendaal. De wereld is klein.
Klein was ik in mijn jeugd en voor de kleintjes was de wereld groot. Santpoort was groot. De Slaperdijk was dan ook ver. Verder dan de andere plaatsen waar ik kwam. Dat klopte echter niet. Het feit dat de onder de snelweg door moest en alles kaal was daar gaf het gevoel van afstand. Menig vriendje woonde verder weg, maar doordat je tussen de huizen en het groen ging leek de afstand kleiner. Vanaf de Stoeterij leek Haarlem ook altijd nog heel ver weg. Meestal kwam ik er met de auto, met mijn moeder, langs. Later op mijn brommertje. Op de fiets nam ik bij voorkeur een andere route. Toch moest je altijd een buffer van groen en weiland door om naar Haarlem te gaan. Behalve via de Kleverlaan in Bloemendaal (en zuidelijker). Ook daardoor leek de afstand naar Haarlem altijd groter, dan de werkelijkheid was.
Toen ik op de middelbare school (het Lorentz Lyceum aan het Santpoorterplein) zat nam ik met de fiets altijd het Zwarte Pad. Het verlengde van de Jan Gijzenvaart richting Santpoort-Zuid. Zelden nam ik de route langs de Stoeterij. Ook niet toen ik een vriendinnetje had, in een van de (inmiddels ook gesloopte) noordelijkste flats van Haarlem.
Wel heb ik vlak na de Stoeterij mijn eerste ervaringen op het ijs opgedaan. Het begin van de Delft (of het eind, mij om het even). Daar nam mijn moeder mij mee om de kwelling te ondergaan inzake mijn eerste schaatservaring.
Santpoort is een vreemd dorp. Te beginnen het onderscheid tussen Santpoort-Noord en Santpoort-Zuid. Dan aan de ene kant bos en duinen, terwijl de andere kant vlak agrarische gebied was. Santpoort-Zuid werd gezien als een heel ander dorp, waar alleen de naam mee overeen kwam. Verder werd vooral de toevoeging sterk benadrukt, terwijl Noord het meestal beperkte tot alleen Santpoort. De zijde van de duinen was ook al minder Santpoort. Wat dat betreft was de spoorlijn de grens. Provinciaal (psychiatrisch) Ziekenhuis Santpoort (PZ) lag geheel binnen de gemeentegrenzen van Bloemendaal en een goede Santpoorter meldde dat op ieder partijtje en iedere verjaardag. De N208 werd gezien als oostgrens van het dorp. Om die reden paste de Slaperdijk niet echt bij het dorp. De stoeterij daarom een onbeduidend pand. Bosbeek was de buffer tussen noord en zuid en het spoorwegviaduct de grens tussen Driehuis en ons dorp. Kortom, de begrenzing maakte Santpoort eigenlijk een heel overzichtelijk dorp. Ook de scholen zaten allen bij elkaar in de buurt. De katholieke bij de Naaldkerk, de gereformeerden en protestanten in de Frans Netscherlaan en de openbare school achter de molen. Aangezien wij überhaupt niet kerkelijk waren zat ik op de openbare lagere school.
De Stoeterij, je rijdt er voorbij. Een oude muur met ramen. Een stukje mystiek en tevens weer een opening naar vele herinneringen.
Labels:
Bart Verkruysen,
Bloemendaal,
de Kat,
De Stoeteij,
Dekamarkt,
Haarlem,
Hajo,
Herman Samson,
Jan Wiebe van Veen,
Kijkgrijp,
Kleist,
Kleverlan,
Naaldkerk,
Santpoort,
Slaperdijk
zaterdag 28 maart 2015
Vlugthovenstraat
Het zal niet veel schelen en ik kan mij goed voorstellen wanneer de Vlugthovenstraat het oudste straatje van Santpoort-Noord is. Iets breder dan een steeg, met een kromming. Aan een zijde kleine witte huisjes, met na de kromming een kleine verbreding. Tegenover de verbreding was vroeger de smederij. Het was zelfs een hoefsmid. Schuin er tegenover was de schoenmaker, Cardol, waarvan zoon Ruud bij mij op school zat. De witte huisjes waren klein, in mijn jeugd een aantal redelijk vervallen, maar bewoond. Tegenwoordig zien ze er netjes uit en zijn ze vergroot, door huisjes samen te voegen. De andere kant was duidelijk minder oud. Iets meer huizen met een statige uitstraling. Ik neem aan begin twintigste eeuw. Twee etages. Vanaf de Hoofdstraat tot en met de hoefsmid waren. Oude panden. Na de "nieuwbouw" stonden er ook aan die kant nog een of twee van die kleine witte huisjes. Vaak nam ik de Vlugthovenstraat om naar het dorp te gaan. Meestal via de Terrasweg, en bij poelier Stuit sloeg ik af naar de Vlugthovenstraat. Meestal stond ik dan even te kijken bij de smid. Ik vond dat geweldig, vooral wanneer er paarden beslagen werden. De geur van de hete kolen en half gesmolten staal, o daar genoot ik van. Bovendien was ik nieuwsgierig en wilde zien hoe het smeden ging.
Na de smidse was een horecagelegenheid. Best chique voor die tijd; de Uileboom. Hoe die eigenaar heette weet ik niet meer. Wel dat ie in een groot huis woonde, vlak na de dorpskerk aan de Burgemeester Enschedelaan. Zijn zoontje was iets jonger dan ik, voor zover ik mij nog herinner. Een verwende kwast vond ik het maar.
Het verlengde van de Vlugthovenstraat was de Middenduinerweg. Vanaf de "afslag" Stuit. Hier stonden kapitale huizen, waaronder het huis van de tandarts, Smeenk. Ook het zoontje van Smeenk (Ben) was een vriendje. Smeenk zelf was geloof ik weer een vriend van mijn moeder. Achter het huis hielden zij paarden en was er zo een bak, met zand, waarin ze konden lopen. Ik speelde wel eens bij Ben. Er was een nadeel. Soms werd ik naar binnen gehaald en op de stoel van vader gezet. De tandartsstoel dus. Een ieder zal begrijpen dat nadat dit een paar keer voor was gekomen, ik niet graag meer bij Ben thuis speelde. Mijn panische angst voor de tandarts is dan ook daar ontstaan. De "ontvoering" naar de stoel was al traumatisch. Vader Smeenk was ook niet erg pedagogisch aangelegd. "Mond open!", was een kort commando, waarvan hij zich er van velen bediende. Het was geen spreker, althans niet naar mij. Bovendien was hij vrij ruw. Boren, of wat dan ook zonder verdoving. Reageerde je panisch, zei hij dat ik mij niet aan moest stellen. Blijkbaar heb ik mij destijds veel aangesteld. Na Smeenk ben ik bijna twintig jaar niet meer naar de tabdarts geweest. En dan ging in het dorp het verhaal dat de tandarts verderop in de straat (op het hoekje tegenover de naaldkerk) pas echt bekend stond als beul. Inderdaad heb ik bij ons in de tuin wel eens iemand horen gillen, die zich daar liet behandelen.
In het rijtje van Smeenk waren ook een paar leuke huizen. Minder groot, maar wel met een lieflijke uitstraling. De andere kant van de straat was een weiland. Dat hoorde bij het witte huis (eigendom van de Hoogovens, voor de hoger geplaatste werknemers). Ooit heeft er, tijdens mijn leven, een keer de kermis op dat weiland plaats gevonden. Ik was nog jong, maar het is mij bij gebleven als de leukste Santpoortse kermis ooit. In het witte huis woonde Machteld. Machteld zat bij mij in de klas. Een enorme wijsneus, en ik denk dat zij het ver geschopt heeft, maar ze was het lelijkste meisje van de klas. Ze had grote voortanden, vlechten en kleding uit het jaar nul. Vooral haar kousen (of maillot) staan mij nog bij. Ik ging overigens wel met Machteld om. Ik ging veel met de zwakkeren uit de klas om. Of ik er zelf bij hoorde, of dat ik toen al begaan was met mijn medemens weet ik niet meer. Ook geheel niet interessant. Toen Machteld verhuisde kwam Anneke daar te wonen. Anneke was al vanaf de kleuterschool mijn vriendinnetje. Sinds een aantal jaren hebben we elkaar weer gevonden en zijn we goede vrienden geworden.
De laatste witte huisjes lagen aan het weiland. Een veld met bomen, waar vroeger ook schapen graasden. Zonde van die Smeenk, want verder was dat stuk het leukste straatje (beide straatjes zie ik even als één straat) van het dorp. Een goed decor voor films die zich begin vorige eeuw afspelen. Alleen, de smidse is niet meer. Dit is nu een onderdeel van de Uileboom. Het café gedeelte. Toch jammer. De Uileboom bestaat overigens ook al sinds ik mij kan heugen. Op het hoekje van de Vluchthovenstraat en de Hoofdstraat. Met mijn familie hebben we daar wel gegeten. Vast weer op een verjaardag van een van mijn grootouders. Eigenlijk alleen dan kwamen wij in een restaurant. Misschien daarbuiten nog een enkele keer, maar gewoongoed was het zeker niet. We zaten dan met de hele familie. Mijn oom en tante, soms mijn andere oom (toen hij nog leefde) en tante, mijn enige neef (van moeders kant) en de nichtjes. Mijn jongste nichtje was even oud als mijn jongste broer, dus zes jaar ouder. De rest zat daar allemaal boven, dus ik was behoorlijk de Benjamin van het geheel. Met mijn ouders en grootouders erbij was het altijd een lange volle tafel.
Een doodgewoon straatje, wat achteraf, vrij kort en je loopt er zo voorbij. Ja, heel menselijk. We rennen onze eigen geschiedenis voorbij en kijken nauwelijks om ons heen. Bij de naam Vlugthovenstraat zal het gros je aankijken of je een vreemde taal spreekt, nog een gros begint er over dat je je auto nauwelijks kan parkeren in de Vluchthovenstraat en een wat chaotisch schizofreen achtige leep uit mijn ogen kijkende idioot zal positief reageren: hé, dat leuke straatje in Santpoort.
Mij is toch de smidse het meest bij gebleven. Dat was nieuw en daar wilde ik meer van weten, en als klein jongetje was ik altijd erg nieuwsgierig. Was de elektricien bij ons bezig (Ninaber), zat ik er met mijn neus bovenop. Bij de aanleg van de cv, idem. Dus, iets als een smederij was wel heel erg spannend. Donkere ruimte, vuur en gloeiend staal. Maar zeker ook de geur. Ja, een smederij heeft een geur. Kolen, staal, rook en weet ik wat al niet meer, maar het heeft een heerlijke geur.
Van de schoenmaker weet ik mij minder te herinneren. Ik kwam er wel eens, omdat Ruud bij mij in de klas zat. Klant waren we er niet. Mijn moeder had Freijser in Bloemendaal als schoenmaker voor het gezin. Zij kende die familie uit haar jeugd. Dus bij Cardol kwam ik ook nauwelijks in de winkel. Ik kwam voor de zoon. Erg veel ben ik daar overigens ook niet geweest en volgens mij alleen de eerste jaren van de lagere school.
De witte huisjes waren een beetje vervallen. De straatstenen lager er niet zo mooi bij. Het was echt een achteraf straatje, een steegje haast. Daardoor hing daar wel de sfeer die mij zo aan trok.
Laatst zocht ik de Vlugthovenstraat op, op internet. Er was weinig over te vinden. Een enkele foto, waarvan de helft uit een recente periode. Tot mijn spijt heb ik geen foto van de smederij kunnen vinden. Wanneer ik die ooit in handen krijg, zit daar wellicht een sfeervolle inkttekening in. Ik zal de sfeer die ik voelde in inkt pogen uit te drukken. De sfeer heb ik op de een of andere manier voor ogen, maar het juiste beeld ontbreekt. Net als het beslaan van de paarden. Naar ik meen gebeurde dat voor een deel, in ieder geval, op straat. Ach, de weemoed doet mij in herhaling vallen. Mis ik het? Nee, dat niet, maar met mijn gedachten terug naar plaatsen uit mijn (vroege) jeugd roepen toch weer iets. Iets wat er al heel lang niet meer was. Wat dat betreft verwaarlozen wij onze herinneringen soms teveel.maar goed, ik leef nu en kijk naar de toekomst. Toch heeft achterom kijken zo zijn charmes. Met name bij de Vlugthovenstraat ontpopt dat gevoel zich. Een, op het oog, onbeduidend straatje. En straatje wat in de moderne digitale wereld nauwelijks lijkt te bestaan. In gedachten was ik even terug. Lekker.
Na de smidse was een horecagelegenheid. Best chique voor die tijd; de Uileboom. Hoe die eigenaar heette weet ik niet meer. Wel dat ie in een groot huis woonde, vlak na de dorpskerk aan de Burgemeester Enschedelaan. Zijn zoontje was iets jonger dan ik, voor zover ik mij nog herinner. Een verwende kwast vond ik het maar.
Het verlengde van de Vlugthovenstraat was de Middenduinerweg. Vanaf de "afslag" Stuit. Hier stonden kapitale huizen, waaronder het huis van de tandarts, Smeenk. Ook het zoontje van Smeenk (Ben) was een vriendje. Smeenk zelf was geloof ik weer een vriend van mijn moeder. Achter het huis hielden zij paarden en was er zo een bak, met zand, waarin ze konden lopen. Ik speelde wel eens bij Ben. Er was een nadeel. Soms werd ik naar binnen gehaald en op de stoel van vader gezet. De tandartsstoel dus. Een ieder zal begrijpen dat nadat dit een paar keer voor was gekomen, ik niet graag meer bij Ben thuis speelde. Mijn panische angst voor de tandarts is dan ook daar ontstaan. De "ontvoering" naar de stoel was al traumatisch. Vader Smeenk was ook niet erg pedagogisch aangelegd. "Mond open!", was een kort commando, waarvan hij zich er van velen bediende. Het was geen spreker, althans niet naar mij. Bovendien was hij vrij ruw. Boren, of wat dan ook zonder verdoving. Reageerde je panisch, zei hij dat ik mij niet aan moest stellen. Blijkbaar heb ik mij destijds veel aangesteld. Na Smeenk ben ik bijna twintig jaar niet meer naar de tabdarts geweest. En dan ging in het dorp het verhaal dat de tandarts verderop in de straat (op het hoekje tegenover de naaldkerk) pas echt bekend stond als beul. Inderdaad heb ik bij ons in de tuin wel eens iemand horen gillen, die zich daar liet behandelen.
In het rijtje van Smeenk waren ook een paar leuke huizen. Minder groot, maar wel met een lieflijke uitstraling. De andere kant van de straat was een weiland. Dat hoorde bij het witte huis (eigendom van de Hoogovens, voor de hoger geplaatste werknemers). Ooit heeft er, tijdens mijn leven, een keer de kermis op dat weiland plaats gevonden. Ik was nog jong, maar het is mij bij gebleven als de leukste Santpoortse kermis ooit. In het witte huis woonde Machteld. Machteld zat bij mij in de klas. Een enorme wijsneus, en ik denk dat zij het ver geschopt heeft, maar ze was het lelijkste meisje van de klas. Ze had grote voortanden, vlechten en kleding uit het jaar nul. Vooral haar kousen (of maillot) staan mij nog bij. Ik ging overigens wel met Machteld om. Ik ging veel met de zwakkeren uit de klas om. Of ik er zelf bij hoorde, of dat ik toen al begaan was met mijn medemens weet ik niet meer. Ook geheel niet interessant. Toen Machteld verhuisde kwam Anneke daar te wonen. Anneke was al vanaf de kleuterschool mijn vriendinnetje. Sinds een aantal jaren hebben we elkaar weer gevonden en zijn we goede vrienden geworden.
De laatste witte huisjes lagen aan het weiland. Een veld met bomen, waar vroeger ook schapen graasden. Zonde van die Smeenk, want verder was dat stuk het leukste straatje (beide straatjes zie ik even als één straat) van het dorp. Een goed decor voor films die zich begin vorige eeuw afspelen. Alleen, de smidse is niet meer. Dit is nu een onderdeel van de Uileboom. Het café gedeelte. Toch jammer. De Uileboom bestaat overigens ook al sinds ik mij kan heugen. Op het hoekje van de Vluchthovenstraat en de Hoofdstraat. Met mijn familie hebben we daar wel gegeten. Vast weer op een verjaardag van een van mijn grootouders. Eigenlijk alleen dan kwamen wij in een restaurant. Misschien daarbuiten nog een enkele keer, maar gewoongoed was het zeker niet. We zaten dan met de hele familie. Mijn oom en tante, soms mijn andere oom (toen hij nog leefde) en tante, mijn enige neef (van moeders kant) en de nichtjes. Mijn jongste nichtje was even oud als mijn jongste broer, dus zes jaar ouder. De rest zat daar allemaal boven, dus ik was behoorlijk de Benjamin van het geheel. Met mijn ouders en grootouders erbij was het altijd een lange volle tafel.
Een doodgewoon straatje, wat achteraf, vrij kort en je loopt er zo voorbij. Ja, heel menselijk. We rennen onze eigen geschiedenis voorbij en kijken nauwelijks om ons heen. Bij de naam Vlugthovenstraat zal het gros je aankijken of je een vreemde taal spreekt, nog een gros begint er over dat je je auto nauwelijks kan parkeren in de Vluchthovenstraat en een wat chaotisch schizofreen achtige leep uit mijn ogen kijkende idioot zal positief reageren: hé, dat leuke straatje in Santpoort.
Mij is toch de smidse het meest bij gebleven. Dat was nieuw en daar wilde ik meer van weten, en als klein jongetje was ik altijd erg nieuwsgierig. Was de elektricien bij ons bezig (Ninaber), zat ik er met mijn neus bovenop. Bij de aanleg van de cv, idem. Dus, iets als een smederij was wel heel erg spannend. Donkere ruimte, vuur en gloeiend staal. Maar zeker ook de geur. Ja, een smederij heeft een geur. Kolen, staal, rook en weet ik wat al niet meer, maar het heeft een heerlijke geur.
Van de schoenmaker weet ik mij minder te herinneren. Ik kwam er wel eens, omdat Ruud bij mij in de klas zat. Klant waren we er niet. Mijn moeder had Freijser in Bloemendaal als schoenmaker voor het gezin. Zij kende die familie uit haar jeugd. Dus bij Cardol kwam ik ook nauwelijks in de winkel. Ik kwam voor de zoon. Erg veel ben ik daar overigens ook niet geweest en volgens mij alleen de eerste jaren van de lagere school.
De witte huisjes waren een beetje vervallen. De straatstenen lager er niet zo mooi bij. Het was echt een achteraf straatje, een steegje haast. Daardoor hing daar wel de sfeer die mij zo aan trok.
Laatst zocht ik de Vlugthovenstraat op, op internet. Er was weinig over te vinden. Een enkele foto, waarvan de helft uit een recente periode. Tot mijn spijt heb ik geen foto van de smederij kunnen vinden. Wanneer ik die ooit in handen krijg, zit daar wellicht een sfeervolle inkttekening in. Ik zal de sfeer die ik voelde in inkt pogen uit te drukken. De sfeer heb ik op de een of andere manier voor ogen, maar het juiste beeld ontbreekt. Net als het beslaan van de paarden. Naar ik meen gebeurde dat voor een deel, in ieder geval, op straat. Ach, de weemoed doet mij in herhaling vallen. Mis ik het? Nee, dat niet, maar met mijn gedachten terug naar plaatsen uit mijn (vroege) jeugd roepen toch weer iets. Iets wat er al heel lang niet meer was. Wat dat betreft verwaarlozen wij onze herinneringen soms teveel.maar goed, ik leef nu en kijk naar de toekomst. Toch heeft achterom kijken zo zijn charmes. Met name bij de Vlugthovenstraat ontpopt dat gevoel zich. Een, op het oog, onbeduidend straatje. En straatje wat in de moderne digitale wereld nauwelijks lijkt te bestaan. In gedachten was ik even terug. Lekker.
dinsdag 12 maart 2013
Reerug of hertenbiefstuk
![]() |
| damhert |
De regio is vol over de
overlast van herten. In hoeverre het woord overlast van toepassing is, is de
vraag. Tegenwoordig heeft de westerse, Nederlandse, mens al snel last van de
natuur. Rond de hertenproblematiek maakt men zich momenteel heel erg druk.
![]() |
| Edelhert |
In
de winter en het vroege voorjaar laaien de discussies het meeste op. In de
duinen zijn te veel hertachtigen en die trekken, om voedsel te zoeken, buiten
hun territoria… de bewoonde wereld in. Ze staan op de rijbaan en lopen zelfs
door onze tuinen. Dat mag niet, want de automobilist dient ongestoord de 50
kilometer per uur vast te houden om zich van A naar B te verplaatsen. Zelf rijd
ik graag wat langzamer en menig nacht heb ik al een poosje stil gestaan, een
kleine roedel gadeslaande. Mij maakt het blij, want de natuur wordt weer
langzaam onderdeel van ons leven. Vanaf de jaren zestig en zeventig zijn we
door tal van oorzaken (allen gelegen bij de mens) vervreemd van de natuur om
ons heen. Typisch een Hollands verschijnsel overigens.
Nu
bestaan er ook een aantal misverstanden. In de media, en op straat spreekt men
van hertenoverlast. In principe heeft men gelijk, maar een nuance is zeker op
zijn plaats. We kennen hier namelijk een drietal ondersoorten: de ree, damhert
en edelhert. Alle drie de soorten hebben redelijk specifieke eigenschappen.
Zeker vanuit het perspectief van de overlast zeer belangrijk.
![]() |
| Ree |
In
de Amsterdamse Waterleidingduinen en het duingebied bij Zandvoort zitten vooral
de edelherten. Ten noorden van de Zeeweg, in Bloemendaal neemt dit aantal af en
in Duin en Kruidberg vindt een vermenging plaats. Dat betekent dat in de
gemeente Velsen vooral sprake is van reeën.
Al
langere tijd zijn de edelherten aanwezig in de Waterleidingduinen. Doordat er geen
natuurlijk vijanden zijn en de omstandigheden goed waren hebben zij zich goed
kunnen vermenigvuldigen. Dat maakte dat de ruimte te beperkt werd en de dieren
gingen op zoek naar nieuw terrein. De ree kwam al wat minder frequent voor en
wordt deels door de edelherten verdreven. Daardoor gaan de reeën richting het
noorden.
Nieuw
is het probleem niet. In de jaren tachtig heb ik al ontmoetingen gehad met
edelherten bij de woningen aan de Hoogenduinendaalseweg in Bloemendaal. Ik geef
toe, dat was zeker even schrikken. Joekelse dieren, en vreselijk snel.
![]() |
| tegenover de ruine van Brederode |
Door
onze bevolkingsdichtheid zijn de wegen in de regio druk. Daarbij hebben wij
nogal wat wegen langs de duinen en door de bossen langs de duinen. Juist de
plaatsen waar je hertachtigen tegen kan komen. Ook de wegen waar een
confrontatie tussen auto en dier nogal eens voor komt. En natuurlijk is verkeersveiligheid een groot
belang. Echter… dat kan op meerdere manieren; het aanpassen van de rijstijl, of
het aanpassen van het dierenbestand. Dat laatste kan door het plaatsen van
goede hekken, of afschieten. Aangezien ons sentiment nog een belangrijke rol
speelt zijn wij tegen het natuurlijke verloop, zoals enkele jaren geleden flink
in het nieuws was bij de Oostvaardersplassen. Dieren stierven in de winter door
gebrek aan voedsel en overbevolking. Dat vonden wij mensen zielig. Het zelfde
geldt in feite in het duingebied. We laten de natuur zijn gang niet gaan, maar
willen deze regelen.
Nu
eens even het verschil. Ik begin daarmee met het damhert. De middelste van de
drie, maar ook het bekendste. De u wel bekende Bambi behoort namelijk tot de
soort van damherten, dezelfde soort die je veel in kinderboerderijen ziet. Dan
is er de ree. De ree heeft een schofthoogte tot ongeveer 67 centimeter. De ree
leeft in kleinen roedels of solitair. Een klein en behendig dier. Een ree kan
heel snel zijn, maar is niet heel erg schrikachtig. Het edelhert daarentegen is
de grootste met een schofthoogte tot wel 140 centimeter. En niet alleen groot,
maar ook zeer snel en behendig. Edelherten heb ik gezien in de strook van
Vogelenzang tot Bloemendaal. Ten noorden daarvan heb ik nog nooit, zelf, een
edelhert waargenomen. Wel zie ik met regelmaat reeën, ten noorden van (globaal)
het oude Velserend en de ruïne van Brederode.
![]() |
| Bambi; Walt Disney |
Beide
diersoorten lijken veel op elkaar. Toch zijn er belangrijke verschillen en zijn
het juist de verschillen die effect hebben op de overlast. Het edelhert kan
hoger springen, is sneller en vele malen schrikachtiger. Het is vooral dan ook
het edelhert wat in aanvaring met gemotoriseerd verkeer komt. Bij reeën komt
dit veel minder voor. Een mooi voorbeeld was een filmpje op Facebook. Een
aantal reeën loopt door Driehuis, over de straat. Ze rennen wel, maar voor de
auto uit. Een edelhert had allang gemaakt weg te zijn en gaat zeker niet voor
een auto uit lopen.
Wat
mij opvalt is dat veel observaties erg subjectief zijn. Dat komt door
onwetendheid en geen verstand van de natuur te hebben. Dat maakt wel dat de
zogenaamde overlast van herten groter gemaakt wordt dan de realiteit. Bovendien
spreek ik niet van overlast, maar van het samen delen van een stukje aarde. En
wij mensen zijn van mening dat alles en iedereen met ons rekening moet houden.
Je weet, dat wanneer je in de avond of nacht in de regio rijdt er een risico is
een hert te signaleren, dus ook op je auto te krijgen. Rijdt dus eens iets
rustiger! Laat de dieren leven en hun habitat zoeken, verdedigen en vormen. Ga
ook eens stil staan en kijk eens hoe deze dieren in het donker op, of naast, de
weg staan. Geniet er eens van, in plaats van er constant over te zeiken.
Ach,
en als wij echt weer meer natuur willen, dan moeten we de wolf naar de duinen
halen; de natuurlijke vijand van het hert. Maar goed, bij dat idee stuitert
half de Randstad… Dus laten we onze ranke viervoeters maar eens wat meer
koesteren, in plaats van het geweeklaag
over hun aanwezigheid.
Kleine rectificatie: het betreft hier damherten in de regio. Edelherten komen hier niet voor. Wel zijn deze op en rond de Veluwe aanwezig. Ondanks dat ik zelf geen damherten heb waargenomen in ons dorp, zijn er wel waarnemingen. De waarnemingen van mijzelf, en die ik via social media heb gezien in Driehuis betreffen wel alleen reeen, in plaats van damherten. De IJmuider Courant roept beeldmateriaal op over reeen en herten in de regio. Ik hoop dat hier ook beeldmateriaal van het damhert tussen zal zitten.
Abonneren op:
Posts (Atom)





