Hoor, het gekrijs van de brulapen. Een diepe roffel met een snelle herhaling. Nee, het is geen gekrijs, meer diep geloei. Krijsen dien die andere jongens. Die met die kleuren en door de lucht vliegen. Vaak scheren ze met z'n tweeën hoog over me heen. Soms zijn ze met een hele groep. Ja, die apen die vogels zijn de lawaaimakers, hier in het oerwoud. Niet dat er geen andere geluiden zijn... O nee, wanneer je goed luistert hoor je heel veel dieren. Ach, ook ik kan brommen. Mijn geluid is laag, de aarde trilt er een beetje van. Over het algemeen laat ik mij niet horen. U begrijpt wel, ik houd van afzondering. Ondanks mijn gitzwarte vacht weet ik mij goed schuil te houden. Soms zijn er dieren in het woud, die ik niet begrijp. Hoe moet ik ze omschrijven? Laat ik een poging doen. Als eerste lijken ze wat op een van mijn prooien; het doodskopaapje. Alleen wel tien keer groter. Ook lopen ze rechtop. Dat is niet bijzonder, want er zijn meer apen die rechtop lopen. Alleen deze hebben vreemde vachten. Glad, maar wel soepel. En van onderen hebben ze rare dikke poten. Allemaal hebben ze een andere vacht en andere poten. Ze bewegen duidelijk anders, maar ze dragen ook van alles bij zich. Geen idee wat, want ik herken het niet. Het lijken wel losse vachten. En op hun kop hebben ze onder hun vacht haar. Een enkeling heeft geen vacht, maar alleen haar. Die dieren komen altijd in kleine kuddes, maken hele vreemde geluiden en wanneer zij stoppen dien ze dingen die ik niet begrijp. Uit de vacht bouwen ze een hol, of is het een nest? Ze kunnen vuur maken en boven dat vuur doen ze glimmende dingen, die na een tijdje gaan roken.
Ja, ik heb deze dieren een paar keer gezien. Een keer ben ik ze een tijd gevolgd en heb ik gekeken hoe zij doen. Andere dieren hebben mij gewaarschuwd voor deze dieren. Ondanks dat ik niet de indruk kreeg schijnen ze behoorlijk gevaarlijk te zijn. Ze jagen ook niet zoals wij dat kennen... Ze hebben iets in hun poten, waarmee ze jagen. Soms geeft het een knal. U begrijpt, ik heb mij iedere keer goed schuil gehouden. Die vreemde dieren hebben mij niet gezien.
Mijn leven in het woud is niet slecht. Een rustig leven. Ik heb eigenlijk geen vijanden. Ik moet alleen wel eten, ik eet vlees, dus moet ik soms een dier vangen. Daar zit wel eens een soortgenoot van een vriend tussen. Zoals de doodskopaapjes en de canibara's. Daar heb ik wel contact mee, maar ze zijn ook mijn voedsel. Om te eten probeer ik dan dieren te vangen, die ik niet ken. Lukt alleen niet altijd.
Goed, ik ben dus zwart, maar dat had ik al gezegd, toch? Ik heb een stevige kop, en mijn ogen zijn geen, met een zwarte streep. Dat zie ik, wanneer ik uit de rivier drink. Een soortgenoot van mij is niet zwart, maar bruin, wat gevlekt. We ontmoeten elkaar soms. De ene keer gaat dat goed, de andere keer verjagen we elkaar. Nogmaals, ik ben erg op mijzelf, maar dat is mijn soort ook. Zowel de zwarten, als de bruin gevlekten. Per dag kan ik uren slapen. Dat vind ik heerlijk. Lekker liggen en ontspannen. Ik luister dan naar de geluiden van het woud en kijk naar de dieren, groot en klein, die mij (op gepaste afstand) passeren. Ook heerlijk is het in de rivier te springen. Een beetje afkoeling, want het is natuurlijk altijd warm. Waar ik leef komt de zon gelukkig nauwelijks. Ik moet mij immers een beetje schuil houden, en dat doe ik in het woud, onder de bomen. Daar dringt de zon nauwelijks door. Soms krijg ik wel de volle zon, pff dat voel ik direct. Het lijkt wel of mijn vacht dan staat te koken. Wacht even, ik moet mij even uitrekken. De dag is alweer een tijdje bezig. Vanmorgen heb ik gegeten, later gezwommen en zojuist heb ik een poosje heerlijk geslapen. Bij voorkeur lig ik dan in een boom. Ja, niet hoog hoor, gewoon op een lage tak. Op de grond lig ik ook graag, op een stapel bladeren. Lekker zacht. Alleen dan heb je weer kast van al die hele kleine beestjes. Daar kan ik geen bal mee.
Wacht! Stil! Ik hoor takken bewegen. Met mijn buik bijna op de grond sluip ik nu een stukje richting dat geluid, wat ik hoor. Stop! Nog wat lager. Ha, daar, ik zie het. Tussen de bladeren door. Een, twee, drie vier,... Acht. Acht van die apen met gladde vacht. Hé, wacht even. Twee hebben helemaal geen gladde vacht. Die hebben een dunne vacht. Ze zijn ook donkerder. Hun vacht is net zo zwart als mijn vacht. Raar, die twee dragen stokken in hun poten. Ze lopen voorop. Voorzichtig loop, nee kruip, ik iets naar achteren. Wat een rare apen. Hmm, ze komen een beetje deze kant op. Even wat verder naar achteren, oh, en hier achter die stam. Zo, nu heb ik mij wat beter verstopt. Ik zie die apen nu alleen wel wat moeilijker... Ah, daar. Zo'n donkere. Hij staat nu eigenlijk vlak bij mij. Ik kan hem aanvallen en weg jagen. Nee, dat doe ik niet. Ik weet niet wat die anderen uit die kudde dan doen. Ik houd mij wel stil. Nu gaat hij weer iets verder weg, gelukkig. Die hele groep staat nu bij elkaar. Ze maken vreemde geluiden. Hé, wat gaan die raar zitten... Op hun billen. Rare beesten. En wat doen ze nu? Wat is dat? Ze pakken iets, doen daar wat mee, en dan pakken ze hun voer eruit. Met hun voorpoten stoppen ze het in hun bek.. Ja, dit is toch echt een apensoort. Ze zitten nu al even... Hoe kom ik hier nu weg? Ik ben veel te dichtbij. Ik doe mijn best. Heel voorzichtig draaien nu en langzaam voor uit. Zo laag mogelijk bij de grond. Ja, volgens mij ben ik nu wel ver genoeg. Ik doe nog even wat passen. Zo, nu kan ik mijn gang weer gaan. Laat ik de rivier oversteken en nog een eindje lopen. Verderop is nog een plek, waar ik heerlijk kan slapen. Al met al alweer een hele actieve dag. Nee, ik ben geen luiaard... Dan ben ik echt stukken actiever en dertig keer leniger. Raar, ik weet eigenlijk niet eens precies wat ik ben. Het soort niet en ook heb ik geen naam. Ach, wat maakt het ook uit. Ik mag niet klagen. Mijn leven is vrij ontspannen, dat is voor mij voldoende. Kijk, daar is die plek, waar ik het zo juist over had. Vol bladeren, lekker zacht. Ik ga liggen en luister. De geluiden komen van alle kanten. Mijn neus zit vol geuren. Wanneer ik geniet maak ik een zacht knorrend geluid. Ik geniet nu. Mijn dag was weer goed, net als deze plek. U begrijpt, ik ben wel moe nu. Welterusten...
Posts tonen met het label vogels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vogels. Alle posts tonen
donderdag 5 februari 2015
dinsdag 3 februari 2015
In den vreemde: wanneer de bergen branden (29)
Wanneer de bergen branden zit ik loom, iets onderuit gezakt, op het terras. De regen heeft haar laatste druppels op het pad uiteen laten spatten. Bladeren fonkelen van de dikke druppels in het vaal schijnende zonlicht. Ik tuur voor mij uit. Ik zit droog, onder de overkapping van het terras. Steeds feller branden de zonnestralen door het dunne wolkendek. Voor mij begint de berg te branden. Pluimen stijgen traag op. Hier en daar, dik en dun. Het lijkt of overal de bomen schroeien van vuur. Vlammen zijn er niet. Vuur ontbreekt. Brand zonder vuur. Hoe feller de zon, des te dikker dansen de wolken het bos ontstijgend. Ik draai mijn hoofd naar links, de bergen daar. Dikke pluimen dwalen boven de kronen. De wolken stijgen op uit het niets. Sommige houden op te stijgen en verdwijnen traag in het niets. Andere zoeken elkaar op om samen te smelten tot een ondoorzichtig dikke brei van waterdeeltjes. Langzaam stijgend en uiteindelijk op te gaan in de wolken die eerder hun druppels op de aarde hebben laten vallen. Ik buig naar voren en steek een sigaret op. Een kringetje dwarrelt omhoog en lost snel op. Sneller dan waar ik naar kijk. Ik sluit mijn ogen, koesterend in de zon. Mijn oren horen. Het gekwetter van vogeltjes. Overal zijn kleine vogeltjes met diverse uiterlijken. Al weken pogen wij te achterhalen tot welke soorten en families de kleine fladderaars gehoren. Wij komen er niet uit. De soorten komen niet overeen met de soorten op de iPad. De geluiden klinken anders. Het prachtige gezang echter streelt mijn oren, keer op keer. Zuivere noten, levendige melodieën. Vrolijk gekwetter. Ondertussen is de zon weer schuil gegaan achter een grijze massa. De eerste druppels spatten alweer op het stenen pad naar de weg. Grijs zijn nu de bergen, verscholen achter een gestage regenval. Ondertussen zingen de vogels of de zon de aarde nog steeds verwarmt. In rijen valt de regen gestaag, vrijwel loodrecht, naar beneden. Het geluid van opspattend water onder de wielen van de passerende auto's.
Een lichte koude trekt van de stenen vloer door mijn sokken omhoog. Het is niet onaangenaam buiten, evenmin uitnodigend. Het weer zit er tussen in. De temperatuur danst op en neer, afhankelijk van de dikte van het wolkendek. Mijn bovenlichaam voelt behaaglijk en blijf het gezang van de vogels aan horen. Het intrigeert, het streelt het gehoor. Soms wil ik wel zo een gevleugelde vriend zijn. Onbezorgd. Vrij. Is dat een vink, een mees, mus of ander soort?
Wederom breekt de zon door het wolkendek. Desondanks is het nog niet geheel gestopt met regenen, maar de bergen beginnen weer voorzichtig te branden. Op de zachte wind verschuift de rook zich zonder haast opzij. Bij de bergen, links van mij, ontbreekt de wind en klimmen de pluimen langzaam hemelwaarts. Een nauwelijks waarneembare schaduw. Do zon twijfelt haar stralen in volle glorie op de aarde te laten stralen. Dan worden de schaduwen scherp en contrasten groot. De bergen links zijn uit beeld. Een dikke massa pakt zich samen om het bos te verlaten. Hoger en hoger, tot zij zich weer samenvloeien met de wolken van de regen. De vogels worden stiller onder de snel brandende zon. Niet voor lang. De schaduwen worden milt, contouren vervagen. Het gekwetter neemt direct weer toe. Overal schieten de kleine diertjes van tak naar tak. Snel, of ze haast hebben. De schaduwranden zijn verdwenen, maar regendruppels blijven zich in het wolkendek nestelen. Steeds meer kleine vogels. Het lijkt of de mussen in de vijg wachten tot wij hen weer voer brengen, zoals de afgelopen dagen. De zon schijnt nu weer krachtig. In de bergen wordt het helder. Hier en daar stijgt nog een klein plukje op om snel te verdampen en te verdwijnen in het niets. Geamuseerd kijk ik toe hoe twee duiven elkaar verleiden. Een auto passeert met hoge snelheid. Water spat al niet meer op. Snel was het water verdwenen. Van het wegdek, uit de bergen. Of de tekenaar met zijn potlood de lijnen opnieuw trekt. De randen van de bergen, de contouren van de bomen. De schilder brengt kleur terug en maakt de bomen weer groen, schildert de lucht blauw. Te weinig verf, het blauw verdwijnt. Het nieuw water verbleekt het groen. Nauwelijks merkbaar daalt het water in haast nevel zo fijn. Het hele spel herhaalt zich. Opnieuw en opnieuw. Telkens branden de bergen, kwetteren de vogels en doen auto's het water weer opspatten. Snel achtereenvolgend van droog naar nat, van nat naar droog. Ik rek mij uit. Als geplakt aan het terras blijf ik zitten. Mijn voeten versteend, mijn torso warm. Wanneer de bergen branden zit ik graag op het terras en geniet van de natuur om mij heen. Genot....
Een lichte koude trekt van de stenen vloer door mijn sokken omhoog. Het is niet onaangenaam buiten, evenmin uitnodigend. Het weer zit er tussen in. De temperatuur danst op en neer, afhankelijk van de dikte van het wolkendek. Mijn bovenlichaam voelt behaaglijk en blijf het gezang van de vogels aan horen. Het intrigeert, het streelt het gehoor. Soms wil ik wel zo een gevleugelde vriend zijn. Onbezorgd. Vrij. Is dat een vink, een mees, mus of ander soort?
Wederom breekt de zon door het wolkendek. Desondanks is het nog niet geheel gestopt met regenen, maar de bergen beginnen weer voorzichtig te branden. Op de zachte wind verschuift de rook zich zonder haast opzij. Bij de bergen, links van mij, ontbreekt de wind en klimmen de pluimen langzaam hemelwaarts. Een nauwelijks waarneembare schaduw. Do zon twijfelt haar stralen in volle glorie op de aarde te laten stralen. Dan worden de schaduwen scherp en contrasten groot. De bergen links zijn uit beeld. Een dikke massa pakt zich samen om het bos te verlaten. Hoger en hoger, tot zij zich weer samenvloeien met de wolken van de regen. De vogels worden stiller onder de snel brandende zon. Niet voor lang. De schaduwen worden milt, contouren vervagen. Het gekwetter neemt direct weer toe. Overal schieten de kleine diertjes van tak naar tak. Snel, of ze haast hebben. De schaduwranden zijn verdwenen, maar regendruppels blijven zich in het wolkendek nestelen. Steeds meer kleine vogels. Het lijkt of de mussen in de vijg wachten tot wij hen weer voer brengen, zoals de afgelopen dagen. De zon schijnt nu weer krachtig. In de bergen wordt het helder. Hier en daar stijgt nog een klein plukje op om snel te verdampen en te verdwijnen in het niets. Geamuseerd kijk ik toe hoe twee duiven elkaar verleiden. Een auto passeert met hoge snelheid. Water spat al niet meer op. Snel was het water verdwenen. Van het wegdek, uit de bergen. Of de tekenaar met zijn potlood de lijnen opnieuw trekt. De randen van de bergen, de contouren van de bomen. De schilder brengt kleur terug en maakt de bomen weer groen, schildert de lucht blauw. Te weinig verf, het blauw verdwijnt. Het nieuw water verbleekt het groen. Nauwelijks merkbaar daalt het water in haast nevel zo fijn. Het hele spel herhaalt zich. Opnieuw en opnieuw. Telkens branden de bergen, kwetteren de vogels en doen auto's het water weer opspatten. Snel achtereenvolgend van droog naar nat, van nat naar droog. Ik rek mij uit. Als geplakt aan het terras blijf ik zitten. Mijn voeten versteend, mijn torso warm. Wanneer de bergen branden zit ik graag op het terras en geniet van de natuur om mij heen. Genot....
dinsdag 6 november 2012
Het kwetterend genot
Afgelopen week
telde ik er zo'n 21 op het zelfde moment. Zeker zes soorten. En dan heb ik het
alleen over de kleintjes. Eksters, kraaien, duiven en de Vlaamse gaai niet mee
geteld.
Met
een gevoel van intens genot sta ik van achter de schuifpui het vogelleven te
aanschouwen. Mussen, koolmeesjes, roodborstjes en nog drie soorten, waar ik de
naam even niet van weet. Telkens neem ik mij voor het in mijn vogelboek na te
kijken. Tegen de tijd dat ik er aan toe kom is het beeld al te veel vervaagd om
nog goed te determineren. Ook vergeet ik vaak mijn verrekijker. Wanneer ik daar
wel aan denk wordt het genieten naar een hoger niveau getild. Geweldig te zien
hoe kwetterend en druk die kleine vogeltjes zijn.
Afgelopen
seizoen hebben we een nieuwe voederbak opgehangen. Eentje waar de grote jongens
niet bij kunnen. Voorheen kaapten kraaien en eksters al het voer weg. Nu kunnen
ze het niet meer. Als eerste kwamen de mussen er op af. Sinds jaren hebben ze
de hele zomer gehad. Meestal zie je veel vogels in het voorjaar, nauwelijks in
de zomer en dan weer in het najaar. De merel zien we vooral in het voorjaar.
Extra
genieten dus. Opvallend is dat het niet de hele dag druk is. Soms is het een
hele tijd stil inde tuin. Dan weer zijn er echte spitstijden. Ik heb een keer
wel met dan dertig vogeltjes op het zelfde moment geteld.
De
merel zie je een stuk minder. In het voorjaar is er wel een merel, soms
meerdere. Tegen de zomer verdwijnen zij uit het zicht en in het najaar zie je
een enkeling. Jammer, want de merel is een leuke vogel. In het verleden had ik
met meerdere merels een leuk contact.
Bij
mijn vorige huis had ik ook redelijk wat vogels. Ook heel veel soorten. Ik had
in het najaar altijd een vriendje; een gezellige dikke roodborst. Die zat
altijd een metertje van mij vandaan en volgde mij zo de hele tuin door.
Een
vogel heb ik na de zomer nog steeds niet gezien; de reiger. Omdat ik altijd
vijvers heb, heb ik ook altijd last van reigers. Afgelopen zomer heb ik een
groot vast net over de vijver gespannen. Half oktober zijn ook de zijkanten
afgezet. Of de reigers het weten, want ze blijven uit de buurt. Vorig jaar was
het net slordiger opgehangen en zat er zo'n grote jongen onder het net. Best
link hem te bevrijden.
Al
ben ik geen Vogelaar, ik geniet heel erg van die beestjes. Ze zijn levendig,
wanneer je goed kijkt ook heel mooi. Sommigen meer dan anderen. Het lijkt ook
dat ze zo leuk met elkaar spelen. Ja, dieren maken een warm gevoel in mij los!
Labels:
boomklever,
groenling,
houtduif,
koolmees,
kraai,
merel,
mus,
pimpelmees,
reiger,
roodborstje,
vink,
voederen,
vogels
Abonneren op:
Posts (Atom)










