Naar aanleiding van een reeks tekeningen heb ik verhalen geschreven, die aansluiten bij de tekeningen. Inmiddels heb ik bij alle tekeningen een verhaal geschreven. Een verhaal over de tekeningen, maar vooral over de herinneringen aan mijn jeugd in Santpoort. Al schrijvende komt er meer boven drijven aan oude herinneringen en de dingen die voorbij gaan, of gegaan zijn. Omdat ik nog vol zit heb ik besloten door te gaan en meer verhalen te vertellen over het dorp waar ik geboren ben.
Tante Eef, een begrip. De speeltuin, een begrip. Ver weg, vlak naast het winderige station van Santpoort, tegenover het veldje van Nijssen. Daar was de speeltuin, onder de enige hoge flat van het dorp. Tante Eef is voor de jeugd, een generatie later. In mijn jeugd had je ook een "tante" van de speeltuin. Destijds was er ook een man bij, hoe we hem noemden is mij ontschoten. De speeltuin was "best" groot, verscholen achter een bossage en een hoog hek. Vooral het geel, aangevuld met rood staat mij nog bij. Van de speeltoestellen eigenlijk alleen de hoge glijbaan. Het glijgedeelte was van hout. Je kon naar beneden op je broek, maar er waren ook kleedjes om te glijden. Ik durfde echter amper omhoog.
Ik kwam wel in de speeltuin, maar ben er nooit erg veel geweest. Het hele dorp was immers een speeltuin. Naast de officiële speeltuin was een wat groter bosje. Daar waren tal van paadjes, alwaar we speelden en op onze fietsjes rond crosten. Bij de Roos en Beeklaan (verderop) waren bosjes, voordat de MTS er gebouwd werd. Voor de drive-in woningen was een heel veld, waar je kon spelen, en natuurlijk in de tuin bij van Veen. Bij het spoor, in het bos, het schoolplein en de straat. Overal konden we spelen, dus eigenlijk hadden wij helemaal geen speeltuin nodig.
Spelen op straat was geen probleem, de enkele passerende auto lette wel op, alhoewel wij dat ook wel deden. "Stoeprandje" was een spel wat vrij ongemoeid kon plaatsvinden. Nu zal dat niet meer lukken; te veel auto's die geparkeerd staan, of te druk verkeer. Wij speelden het regelmatig. In de winter was er sneeuw. Ik herinner mij nog een winterse dag. Kinderen van de Juliana van Stolbergschool en kinderen uit de buurt rolden samen enkele reusachtige sneeuwballen. Daarmee werd de weg geblokkeerd. Gewoon, voor de lol. Zelfs de bus (nog een grijze bus van de NZH) kon er niet meer langs. Alle kinderen verstopten zich tijdig. Uiteindelijk is de bus in zijn achteruit gegaan, keerde bij het perk en reed een straatje om. Met sleetjes achter een auto was ook de gewoonste zaak van de wereld. Nee, de speeltuin was eigenlijk niet nodig. Daar spelen betekende vooral snoep of ijs, want dat kon je daar van je schamele zakgeld eigen maken. Maar zo veel keus als bij kruidenier van Dam, dat was er niet.
Vlak bij de speeltuin ligt het station van Santpoort Noord. Ik neem aan dat dit ergen eind haren vijftig is aangelegd. Voor zover ik weet was het er namelijk altijd al. Een vreselijk station. Zeker voor die tijd super modern. Het was echter vooral een kil en afstandelijk tochtgat. Bij het tunneltje speelden wij weer wel. Het station meden we.
Mijn vader werkte in Amsterdam. Regelmatig nam hij de trein. In de vroege ochtend bracht mijn moeder hem naar het station. In nachtkleding (nachtpon), sloffen en een overjas. Omdat het nog voor schooltijd was reed ik vaak even mee. Wanneer hij op tijd was haalde mijn moeder hem weer op. Nu aangekleed. Ik ging weer mee en wachtte dan op het perron. Wanneer de trein halt hield gokte ik welke deur hij uit zou komen. Wat zat ik er vaak naast....
In de nachtelijke uren werden wij ook binnenshuis aan de trein herinnerd. Lange treinen reden langs, vol basaltblokken, die ons zelfs in bed deden schudden. Een hele tijd, iedere nacht. Met de beton blokken zijn de lange pieren in IJmuiden aangelegd. Aardbevingen kende ik destijds nog niet. Inmiddels weet ik dat iedere passerende basalttrein minstens een kleine aardbeving veroorzaakte. We woonden toch minstens vierhonderd meter van het spoor verwijderd...
Ik had ook twee vriendjes in Santpoort Zuid. Met hen speelde ik behalve in het bos, ook bij het spoor. Een minder leuke herinnering. Mijn eerste ervaring met de dood; iemand was voor de trein gesprongen... Wij zagen het lichaam (de stukken) vlak na het ongeval. Later ook hetzelfde bij station Santpoort Zuid. Het vreemde is dat ik, hoe jong ik ook was, of juist net omdat ik zo jong was, er niet eens zo van streek van was.
De trein, Santpoort, het station. De speeltuin. Daar tegenover ook een veldje van Nijssen. Langs de weg om Santpoort hadden ze een grote hooiberg staan. Jaar na jaar. Maar natuurlijk was er een jaar de fik in gekomen. Veel rook. Prachtig, vond je dat als kind, de brandweer heeft lang staan spuiten. Dat soort sensatie momenten, daar smulden wij van. Ook wanneer er iemand in de speeltuin ergens af lazerde trok dat ieders aandacht en prikkelde het individuele sensatiegevoel. In de nieuwe drive-in woningen woonden ook twee vriendjes, Roelof en Wouter. Beiden uit de klas. Roelof was klein en een enorme geinponem. Wouter daarentegen wat langer, beetje bleekjes en (zoals we nu zouden zeggen) een nerd. Hij is vast later iets met biologie gaan doen. Wanneer ik met hem was ging het over dieren. Hij verzamelde insecten, waaronder wandelende takken. Wij hadden ze ook, bij ons thuis in de klimop. Ik vond het wel boeiend met Wouter. Met hem ben ik ook naar de speeltuin geweest. Maar meestal zaten we in het bosje er naast. Niet op de fiets, maar met een doosje en een loep. We verzamelden van alles en Wouter hield alles wat wij gevangen hadden. Daarna bracht hij de nieuwe exemplaren naar zijn slaapkamer. Zijn kamer was een waar biologie lokaal. Ik mocht Wouter wel, ondanks dat het een wat vreemde knaap was. En hij stak mij ook deels aan. Niet dat ik allerlei insecten ging houden, maar de wandelende takken stonden ook bij mij thuis in een potje. Die vond ik immers wel erg apart.
De uithoek, waar de speeltuin in feite lag, was voor ons bereikbaar. Zo bereikbaar dat ik daar en in de directe omgeving (er was ook een vijver tegenover de speeltuin) vrij vaak kwam. Überhaupt konden we ons, als kinderen, vrij bewegen door het dorp. Je ging overal zelf naar toe, je wist waar je uit moest kijken en waar je op moest letten. Ouders gingen zeer zelden mee. In tegenstelling tot de tegenwoordige tijd, dat bijna alle ouders de kinderen naar school brengen en er tal van restricties zijn waar zij wel en niet heen mogen. Wanneer de school uit ging, waren er vrijwel alleen kinderen op straat.
Het gevaar van spelen buiten was aanwezig. Je werd er voor gewaarschuwd en het ging ook wel eens mis. "Daar leer je van", was de alom reactie van ouders. Van alle wondjes en kneuzinkjes heb ik inderdaad geleerd. Alhoewel, jaren achtereen had ik wel iets met mijn vingers. Niet voor niets dat mijn vingertop er ooit afgeknipt is. Kneuzingen, zweren, open wondjes... Alles heb ik wel gehad. Doordat je door speelde in het zand en de bosjes bleven de wondjes vaak lang aanwezig. Dat maakte eigenlijk niet uit. Het genas toch wel.
In onze jeugd waren wij vrij. Naast het buiten spelen, speelde ik ook frequent bij vriendjes (en vriendinnetjes) thuis. Natuurlijk met autootjes, maar ook speelden we boerderijtje en natuurlijk doktertje. Op de Gedempte Oude Gracht (in Haarlem) was een speelgoedwinkel waar je een gigantische keuze had aan (plastic) dieren. Exotische dieren, maar ook boerderij dieren. Het was de tijd van de Dinky Toys en Gorgi. Lego was in opkomst, maar nog zeer beperkt in de variatie van stukjes. Maar alles bij elkaar hadden we genoeg om fantasierijk ons spel te spelen. Een nadeel. Met de Dinky's speelde we ook "ongelukje". Door ze met een hamer te bewerken maakte je de ongevallen realistischer... Achteraf is dat wel een zware jeugdzonde geweest......
Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen
woensdag 8 april 2015
De Speeltuin
Labels:
Adolf van Nassau school,
buiten spelen,
fietsen,
glijbaan,
grijze bus,
MTS,
Nijssen,
NZH,
Santpoort,
sneewballen,
speeltuin spoor,
station,
stoepen,
tante Eef,
verkeer
maandag 6 april 2015
De ruïne van Santpoort
Natuurlijk had ik ook de ruïne van Brederode getekend. Er is dus nog wel een herinnering op te halen aan een tekening. Soms ontbreekt even aan het overzicht. Geruime tijd geleden heb ik overigens al een uitgebreide blog geschreven over Velserend. Uit reacties blijkt deze blog nog steeds gelezen te worden, dus bij mijn herinneringen aan de ruïne van Brederode zal ik niet verder over dit zwembad uitweiden.
Als eerste de ruïne. In mijn jeugd een gesloten bolwerk, wat je alleen vanaf afstand kon aanschouwen. Toen (en nu nog steeds natuurlijk) prijkte de onwrikbare stenen pontificaal tussen de bomen, aan de achterzijde van een groene weide. Grazende koeien. Ook dat beeld is nog steeds niet volledig geschiedenis. Tegenwoordig is de ruïne opengesteld voor publiek en in en om het oude kasteel vinden diverse activiteiten plaats.
Als kind alleen dus de blik op afstand. Je zag die hopen steen en fantaseerde hoe het er uit moet hebben gezien. Doordat ik als kind al in het buitenland kwam had ik al enkele oude kastelen bezocht waardoor enig idee bestond over de leefwijze en inrichting. Ook het Muiderslot had ik, als toonbeeld van de Middeleeuwen, al een keer bezocht. Na het zwemmen gingen we dan thuis riddertje spelen. In mijn jeugd was koninginnedag nog een spektakel met een echte kinderoptocht. Een keer hebben we (ik heb mee geholpen!) een ridder gemaakt. Van kippengaas een geraamte. Dit werd overspannen met jute en er werd een hoofd op gemaakt. Aan de zijkant hingen twee met stro gevulde benen. Zelf droeg ik een cape van jute en een zwarte hoed. In het paard zat een gat. Daar ging ik doorheen en droeg het paard met banden, als men een rugzak torst. Diverse mensen vroegen aan Alfred (mijn jongste broer die met mij mee liep) hoe dat nou in elkaar zat. Mijn voeten zag je namelijk niet. En hij maar uitleggen. Ondertussen ging de optocht maar door. Het paard werd zwaarder en zwaarder en de banden sneden in mij schouders. Sommige mensen reageerden verontwaardigd dat ik niet de eerste prijs had gewonnen, met deze creatie. Voor zover ik herinner had ik de zevende prijs (en een eervolle vermelding). Bij het kolenhok, achter in de tuin, heeft mijn vader foto's gemaakt. Naast mij Jan Wiebe van Veen, die als ridder te voet de optocht mee liep. Ja, in die tijd maakte men nog veel werk van de verkleed optocht van de kinderen. Een paar weken werk was geen uitzondering. Tegenwoordig wordt er nauwelijks meer echt iets van gemaakt. Makkelijk en snel met hoog resultaat is wat de klok luidt. Ook worden de optochten minder en minder, soms heeft het muziekkorps (dat voorop paradeert) meer mensen. Gelukkig lopen tegenwoordig de ouders mee (vroeger overigens niet), waardoor de optocht tenminste nog op iets lijkt.
Dus een keer was ik de ridder van Brederode...
De ruïne prikkelde de fantasie. Bleef boeien, wellicht door de grote afstand die letterlijk geschapen was. Overigens was de ruïne een enkele keer wel geopend. Ik ben er als kind dan ook een keer binnen geweest. Nou, mijn fantasie kreeg de vrije loop en sloeg volledig op hol.
Een heel andere herinnering, voortkomend uit het plaatje van de ruïne is de gang naar het strand. Op de fiets door Duin en Kruidberg. In die tijd waren er nog veel konijnen in de duinen. Bij de boerderij ging je naar binnen. Eerst fietste je door een mooi bos, dan werd de begroeiing dunner. Struikgewas afgewisseld met dennenbomen luidde het duinlandschap in. Zeven duinen moest je over op de fiets. Soms een helse tocht. Aks kind waren sommige duinen stijl, maar de grootste vijand was het fietspad, geplaveid met schelpen. Krakend fietste je er over heen, maar bij een klim schoten de schelpen onder je banden weg. De uitdaging was alle duinen in een keer te "halen". Natuurlijk iets wat op een gegeven moment ook daadwerkelijk lukte. Bij de laatste duin werd de fiets geparkeerd en te voet door het mulle zand de laatste, stijle, duin over. Dan was je op het Santpoortse strand. Een zonnebader ben ik eigenlijk nooit geweest. Ik was aan het graven, bouwde kastelen, en hoopte dat ze bij de opkomende vloed zouden weerstaan. Iets wat nooit lukte. Bij iedere golf brokkelde er weer een stukje van mijn kasteelmuren af. Ieder strandbezoek weer werd een poging gedaan. Telkens de teleurstelling. Met handen gegraven, heel soms hadden we een schep mee, maar de zee won altijd.
Een enkele keer gingen we met mijn moeder. Dat mijn vader mee ging was een uitzondering. Het meeste ging ik met de familie van Veen mee, en later ook met mijn broers. De familie van Veen was een actief gezin. Regelmatig trokken zij er in het weekend op uit. Alfred (mijn broer) en ik gingen met regelmaat mee. In de zwarte Mercedes, met een snelheidsmeter die als een balk opzij schoof en van kleur veranderde. Een wonder in mijn ogen. Pa van Veen was ook actief lid van de PvdA (mijn nest was overigens erg liberaal; VVD). Een keer ben ik mee geweest met campagne. Landelijk of lokaal, dat was een te grote nuance voor die leeftijd. Bovendien was dat oninteressant. Nee, dat de auto volgeplakt was met posters en op het dak luidsprekers muziek in de rondte schalde, dát was pas interessant.
Jan Wiebe en ik deden veel samen. Door hem ben ik zelfs een blauwe maandag gaan voetballen bij de Terrasvogels. De bal raakte ik nooit, wel andermans benen. Verder vond ik het altijd veel te koud. Lang heb ik die sport niet uitgeoefend. Wel ben ik de enige keer van mijn leven naar een echte voetbalwedstrijd geweest. Met van Veen natuurlijk. Een wedstrijd van Telstar, met keeper Heinz Stuy. Ook vanaf de tribune had ik weinig op met die sport. Daarna ben ik gaan hockeyen. Eerst bij Strawberries en later bij HBS (Houdt Braaf Stand). De korstte weg naar HBS was over de Brederodelaan. Toch nam ik zeer regelmatig de omweg lang de ruïne. Meer op de terugweg, dan op de heenweg. De reden was voornamelijk dat ik mij normaliter haastte om op tijd te komen.
Vrij letterlijk is het rondje kompleet en ben ik weer bij de ruïne uitgekomen. De verleiding toch iets over Velserend te zeggen kan ik niet weerstaan. In de bocht, bij het weiland voor de ruïne was de fietsenstalling. Op mooie dagen barstens vol. Dan, waar ongeveer nu de entré van de sauna is, was de ingang. Rechts de kassa. De doorgang was open, maar overdekt. Rechts was dan de snoeptent. Naast het zwemmen was de snoep erg belangrijk. De voorkant zag er aantrekkelijk uit, waarschijnlijk ook vanwege de levendigheid die er regelmatig was. De hele omgeving paste. De ruïne, Velserend met haar entree en het hotel restaurant, naast het zwembad. Een mooi plaatje. Tegenwoordig is dat beeld helemaal weg. Soms is het jammer, de dingen die voorbij gaan. Het hotel restaurant heeft lang stilgestaan en uiteindelijk door brand verwoest. Een teloorgang, welke mij nog steeds aan het hart gaat.
Het is de verste uithoek van de gemeente en evenzo van Santpoort. Wellicht ook de belangrijkste. In ieder geval speelde het in mijn jeugd een prominente rol. Een baken van mijn jeugd. In gedachte roep ik de beelden van weleer op. Met de ogen gesloten tekent zich een flauwe glimlach op mijn gezicht. Santpoort was een goede plaats geboren en opgegroeid te zijn. Als Santpoorter mag ik trots, of blij, zijn in dat dorp op te mogen groeien. Dat ben ik ook, al wil ik van mijn levensdagen niet meer in Santpoort wonen. Mogelijk omdat het dorp te veel aan herinneringen oproept. Zo geslaagd was mijn jeugd niet. Dat zal ongetwijfeld een rol spelen.
Behalve getekend heb ik de ruïne ook geschilderd. In beide materiaal technieken heb ik mij door Santpoort laten inspireren. De ruïne is een relatief alom vertegenwoordigd onderwerp in mijn schilderijen. Ik raak er niet over uitgepraat en uitgedacht.
Nu wordt de ruïne weer bedreigd. Er is sprake van een mogelijke sluiting. Dan is het weer dat gesloten, levenloze, bolwerk achter het weiland, tussen de bonen. Vorige zomer heb ik er nog een poosje gestaan. Vanaf het hek is het zicht op het massieve gebouw. Net als toen ik klein was stond ik hier. En toch is er veel veranderd,
Als eerste de ruïne. In mijn jeugd een gesloten bolwerk, wat je alleen vanaf afstand kon aanschouwen. Toen (en nu nog steeds natuurlijk) prijkte de onwrikbare stenen pontificaal tussen de bomen, aan de achterzijde van een groene weide. Grazende koeien. Ook dat beeld is nog steeds niet volledig geschiedenis. Tegenwoordig is de ruïne opengesteld voor publiek en in en om het oude kasteel vinden diverse activiteiten plaats.
Als kind alleen dus de blik op afstand. Je zag die hopen steen en fantaseerde hoe het er uit moet hebben gezien. Doordat ik als kind al in het buitenland kwam had ik al enkele oude kastelen bezocht waardoor enig idee bestond over de leefwijze en inrichting. Ook het Muiderslot had ik, als toonbeeld van de Middeleeuwen, al een keer bezocht. Na het zwemmen gingen we dan thuis riddertje spelen. In mijn jeugd was koninginnedag nog een spektakel met een echte kinderoptocht. Een keer hebben we (ik heb mee geholpen!) een ridder gemaakt. Van kippengaas een geraamte. Dit werd overspannen met jute en er werd een hoofd op gemaakt. Aan de zijkant hingen twee met stro gevulde benen. Zelf droeg ik een cape van jute en een zwarte hoed. In het paard zat een gat. Daar ging ik doorheen en droeg het paard met banden, als men een rugzak torst. Diverse mensen vroegen aan Alfred (mijn jongste broer die met mij mee liep) hoe dat nou in elkaar zat. Mijn voeten zag je namelijk niet. En hij maar uitleggen. Ondertussen ging de optocht maar door. Het paard werd zwaarder en zwaarder en de banden sneden in mij schouders. Sommige mensen reageerden verontwaardigd dat ik niet de eerste prijs had gewonnen, met deze creatie. Voor zover ik herinner had ik de zevende prijs (en een eervolle vermelding). Bij het kolenhok, achter in de tuin, heeft mijn vader foto's gemaakt. Naast mij Jan Wiebe van Veen, die als ridder te voet de optocht mee liep. Ja, in die tijd maakte men nog veel werk van de verkleed optocht van de kinderen. Een paar weken werk was geen uitzondering. Tegenwoordig wordt er nauwelijks meer echt iets van gemaakt. Makkelijk en snel met hoog resultaat is wat de klok luidt. Ook worden de optochten minder en minder, soms heeft het muziekkorps (dat voorop paradeert) meer mensen. Gelukkig lopen tegenwoordig de ouders mee (vroeger overigens niet), waardoor de optocht tenminste nog op iets lijkt.
Dus een keer was ik de ridder van Brederode...
De ruïne prikkelde de fantasie. Bleef boeien, wellicht door de grote afstand die letterlijk geschapen was. Overigens was de ruïne een enkele keer wel geopend. Ik ben er als kind dan ook een keer binnen geweest. Nou, mijn fantasie kreeg de vrije loop en sloeg volledig op hol.
Een heel andere herinnering, voortkomend uit het plaatje van de ruïne is de gang naar het strand. Op de fiets door Duin en Kruidberg. In die tijd waren er nog veel konijnen in de duinen. Bij de boerderij ging je naar binnen. Eerst fietste je door een mooi bos, dan werd de begroeiing dunner. Struikgewas afgewisseld met dennenbomen luidde het duinlandschap in. Zeven duinen moest je over op de fiets. Soms een helse tocht. Aks kind waren sommige duinen stijl, maar de grootste vijand was het fietspad, geplaveid met schelpen. Krakend fietste je er over heen, maar bij een klim schoten de schelpen onder je banden weg. De uitdaging was alle duinen in een keer te "halen". Natuurlijk iets wat op een gegeven moment ook daadwerkelijk lukte. Bij de laatste duin werd de fiets geparkeerd en te voet door het mulle zand de laatste, stijle, duin over. Dan was je op het Santpoortse strand. Een zonnebader ben ik eigenlijk nooit geweest. Ik was aan het graven, bouwde kastelen, en hoopte dat ze bij de opkomende vloed zouden weerstaan. Iets wat nooit lukte. Bij iedere golf brokkelde er weer een stukje van mijn kasteelmuren af. Ieder strandbezoek weer werd een poging gedaan. Telkens de teleurstelling. Met handen gegraven, heel soms hadden we een schep mee, maar de zee won altijd.
Een enkele keer gingen we met mijn moeder. Dat mijn vader mee ging was een uitzondering. Het meeste ging ik met de familie van Veen mee, en later ook met mijn broers. De familie van Veen was een actief gezin. Regelmatig trokken zij er in het weekend op uit. Alfred (mijn broer) en ik gingen met regelmaat mee. In de zwarte Mercedes, met een snelheidsmeter die als een balk opzij schoof en van kleur veranderde. Een wonder in mijn ogen. Pa van Veen was ook actief lid van de PvdA (mijn nest was overigens erg liberaal; VVD). Een keer ben ik mee geweest met campagne. Landelijk of lokaal, dat was een te grote nuance voor die leeftijd. Bovendien was dat oninteressant. Nee, dat de auto volgeplakt was met posters en op het dak luidsprekers muziek in de rondte schalde, dát was pas interessant.
Jan Wiebe en ik deden veel samen. Door hem ben ik zelfs een blauwe maandag gaan voetballen bij de Terrasvogels. De bal raakte ik nooit, wel andermans benen. Verder vond ik het altijd veel te koud. Lang heb ik die sport niet uitgeoefend. Wel ben ik de enige keer van mijn leven naar een echte voetbalwedstrijd geweest. Met van Veen natuurlijk. Een wedstrijd van Telstar, met keeper Heinz Stuy. Ook vanaf de tribune had ik weinig op met die sport. Daarna ben ik gaan hockeyen. Eerst bij Strawberries en later bij HBS (Houdt Braaf Stand). De korstte weg naar HBS was over de Brederodelaan. Toch nam ik zeer regelmatig de omweg lang de ruïne. Meer op de terugweg, dan op de heenweg. De reden was voornamelijk dat ik mij normaliter haastte om op tijd te komen.
Vrij letterlijk is het rondje kompleet en ben ik weer bij de ruïne uitgekomen. De verleiding toch iets over Velserend te zeggen kan ik niet weerstaan. In de bocht, bij het weiland voor de ruïne was de fietsenstalling. Op mooie dagen barstens vol. Dan, waar ongeveer nu de entré van de sauna is, was de ingang. Rechts de kassa. De doorgang was open, maar overdekt. Rechts was dan de snoeptent. Naast het zwemmen was de snoep erg belangrijk. De voorkant zag er aantrekkelijk uit, waarschijnlijk ook vanwege de levendigheid die er regelmatig was. De hele omgeving paste. De ruïne, Velserend met haar entree en het hotel restaurant, naast het zwembad. Een mooi plaatje. Tegenwoordig is dat beeld helemaal weg. Soms is het jammer, de dingen die voorbij gaan. Het hotel restaurant heeft lang stilgestaan en uiteindelijk door brand verwoest. Een teloorgang, welke mij nog steeds aan het hart gaat.
Het is de verste uithoek van de gemeente en evenzo van Santpoort. Wellicht ook de belangrijkste. In ieder geval speelde het in mijn jeugd een prominente rol. Een baken van mijn jeugd. In gedachte roep ik de beelden van weleer op. Met de ogen gesloten tekent zich een flauwe glimlach op mijn gezicht. Santpoort was een goede plaats geboren en opgegroeid te zijn. Als Santpoorter mag ik trots, of blij, zijn in dat dorp op te mogen groeien. Dat ben ik ook, al wil ik van mijn levensdagen niet meer in Santpoort wonen. Mogelijk omdat het dorp te veel aan herinneringen oproept. Zo geslaagd was mijn jeugd niet. Dat zal ongetwijfeld een rol spelen.
Behalve getekend heb ik de ruïne ook geschilderd. In beide materiaal technieken heb ik mij door Santpoort laten inspireren. De ruïne is een relatief alom vertegenwoordigd onderwerp in mijn schilderijen. Ik raak er niet over uitgepraat en uitgedacht.
Nu wordt de ruïne weer bedreigd. Er is sprake van een mogelijke sluiting. Dan is het weer dat gesloten, levenloze, bolwerk achter het weiland, tussen de bonen. Vorige zomer heb ik er nog een poosje gestaan. Vanaf het hek is het zicht op het massieve gebouw. Net als toen ik klein was stond ik hier. En toch is er veel veranderd,
Labels:
Duin en Kruidberg,
fietsen,
HBS,
Heinz Stuy,
hockey,
Jan Wiebe van Veen,
konijnen,
mixamortose,
Ruïne van Brederode,
Santpoort,
strand,
Strawberries,
Telstar,
Velserend
vrijdag 1 februari 2013
De Beer van Koblenz
Deel 2
In de wind bij
Dachenhausen. Kou en kilheid. Een naar wit gebouw, tussen de bomen. Gras en
ergens een tafeltje. Daarop een urn. Met een hele sobere bijeenkomst werd de
urn de grond in gelaten. Vier meter naast de urn van Anne. De grote man in een
kleine doos, een meter onder de grond. Het definitieve afscheid.
Gedurende
de tijd dat we elkaar hebben gekend is hij zeker elf keer verhuisd. Eerst in de
buurt van Bonn, via Aegienburg naar Mülheim Kärlich. Daar woonde hij in het
familiehuis van de familie van Anne. Eerst in het voorhuis, daarna achter en
later in het huis van de (overleden) buurvrouw. Ik kan mij nog herinneren dat
wij samen naar Koblenz gingen. We hadden flink gezopen en namen een taxi terug.
Die gast reed zeer snel, wat ons (met alle drank) niet goed viel. Thuis was
Gerard het eerste bij de wc. Daarna mocht ik. Ondanks mijn kennelijke staat
merkte ik dat er iets niet goed was. De volgende dag werd duidelijk dat Gerard
in zijn dronken bui de wc-pot van zijn plaats had getrokken en ik had er,
midden in de badkamer, in gepist… Dat waren wij samen… een stel belhamels, op
zijn tijd. Na Mülheim Kärlich verhuisde hij naar de stad zelf: Koblenz.
In
al die jaren hebben wij grote wandelingen gemaakt. Het gebied verkend per trein
en vele kilometers met de auto gemaakt. Overal zijn we geweest van Bonn tot
Frankfurt en van Trier tot Sauerland. De Eiffel en Hünzrück waren populair,
maar ons bezoek aan Drachenfelse zijn we nooit vergeten. Onder, bij het
treintje, is een reptielenhuis. Wij daar naar toe en die slangen sarren. In een
van die bakken sloegen opeens vijf zwarte slangen toe. Ondanks de ruit ertussen
sloeg ons hart flink op hol. Het dierenpark bij Bonn en de dierentuin bij
Neuwied, de vlindertuin, vele kastelen, Sloss Ehrenburg was een van de
populaire burchten.
Later
werd het wandelen minder. Gerard kreeg erg veel last van zijn knieën. Wat zijn
lijf was het een eigenwijze man. Op alle fronten. Het wandelen en autorijden
werd meer een meer de trein. Kleine boemeltjes en grote ritten. Even naar
Spreyer, de dom bekijken, met de ICE naar Frankfurt, of de trein naar Trier. Maar
vaker zaten we thuis, of gingen we de stad in. Vorig jaar bezochten wij nog de
Bunga, afsluitend met een bezoek aan de
Biergarten, aan de oevers van de Mosel. Ook daar hebben we veel tijd
doorgebracht. Gerard was een stevige man, en kon drinken als geen ander. Liters
bier, wat ik nooit bij heb kunnen houden.
Een
tijdje heeft Gerard een wel heel andere hobby gehad. Muziek was altijd wel een
beetje zijn passie, maar na het ontdekken van de Drehlier was hij verkocht. Na
eerst eentje gekocht te hebben (daar hebben we ruim 700 kilometer voor gereden
om hem op te halen) heeft hij er ook eentje zelf gemaakt. En natuurlijk zijn
wij naar een Drehlierfestival geweest, ergens bij een burcht in de buurt van de
oude DDR. Wanneer Gerard bij mij logeerde werd ik gewekt door dat vreselijk
irritante geluid, maar mijn buurvrouw vond het geweldig. Dus Gerard bleef
spelen. Tot de Drehlier niet meer van de muur kwam. Want zo was Gerard.
Een
leven is niet in woorden te vangen. Onze vriendschap is niet in woorden te
vatten. Samen met Herbert was hij mijn beste vriend. Ik was van hem zijn beste
vriend. In al die jaren heb ik vrienden zien komen… en weer gaan. Ik bleef,
want Gerard was een geweldige gozer. En ik ben tot het einde gebleven. Hij gaf
zelf wel aan hoeveel ik voor hem betekende. En anders deed Anne dat wel en nu
zijn kinderen. Ik was onderdeel geworden van de familie met Don Gerardo aan het
hoofd. Een hele eer. En heel bijzonder zo’n vriend te moeten missen.
In
2007 ben ik op de fiets naar Zwitserland gegaan. Halverwege ben ik gestrand in
Koblenz. Maar Gerard heeft mij zover gekregen verder te gaan. Hij is zelfs nog
een stuk meegefietst, om mij op weg te helpen. Dat was Gerard. Zonder hem was
ik nooit in Interlaken aan gekomen.
En
dan kwam de ziekte van Anne. Alweer een aantal jaren geleden. Anne had kanker
en het was duidelijk dat zij het niet zou overleven. Het kon twee jaar duren,
maar ook tien jaar. Volgens mij heeft het nog een jaar of zeven geduurd.
Eigenlijk kon Gerard niet zonder Anne. Ze waren een twee-eenheid. Hij zorgde
voor haar en verzorgde haar. Hoe zwaar het hem ook viel. Maar, hij was er voor
Anne. Samen hebben ze nog het huwelijk van Gert Jan en Steffi mee mogen maken.
Daarna ging het slecht met Anne, tot zij in oktober stierf. Voor Gerard was dat
zwaar, maar hij wilde toch door. Hij maakte plannen en probeerde de draad weer
op te pakken. Maar hij bleef stronteigenwijs. Een griepje, nekte de 55 jarige
grote man. Ja, dat klotegriepje heeft de beer van Koblenz omgestoten. Het is
niet eerlijk, zo’n lullig griepje. En dan is het voorbij. Gerard is niet meer.
Ik hoop mijn vriendschap met Anneke, Gert Jan en Steffi een vervolg te kunnen
geven. Een klein beetje die leegte niet te voelen. Die twee kinderen zijn voor
mij ook zo belangrijk geworden.
Een
boek kan ik over onze dertig jaren schrijven, maar voor niemand anders zou dat
verhaal de impact hebben, die het verdiend. Velen hebben hem ervaren als een
moeilijke man. Dat was hij, maar zijn andere kant was zo puur, oprecht en deskundig. Eigenlijk
is het niet te bevatten. Die grote man was stoer? Nu is hij niet meer.
Ik
ben blij het verdriet en verlies met zijn kinderen te mogen bijwonen. Klinkt
wat dubbel, maar het is een waardige manier afscheid van hem te nemen. Ja, hier
rond ik het af. Afscheid van Gerard... Koblenz is Koblenz niet meer, en die
beer.... Die zit niet meer aan de tafel (buiten) te roken... Rust zacht...
De Beer van Koblenz
Deel 1
De beer van Koblenz.
Dinsdagmiddag hebben wij afscheid genomen. Een van mijn beide beste vrienden is
niet meer. Hij paste niet eens in zijn kist. Een elleboog stak uit en zijn
benen waren half opgetrokken. Ja, zelfs dood laat Gerard zich nog gelden.
Begin
jaren tachtig... Er was een feest in van Ouds het Raadhuis in Overveen, waar ik
destijds op kamers woonde. Drie mensen met witte maskers stonden voor de deur.
Vrienden van Marja, ze kwamen voor het feest. Jürgen, Gerard en Anne waren het.
Met Gerard (en Anne) kon ik direct vinden. Ze woonden ver weg, in Duitsland,
bij Bonn. Niet lang na het feest ging ik, voor het eerst, bij ze langs, in
Witterschlick, even buiten Bonn.
Het
bleef niet bij die ene keer, bleef bij ze langs komen. Omgekeerd kwamen Gerard
en Anne bij ons, al was dat wel wat
minder. Voor mij was ook makkelijker richting Duitsland te gaan.
Die
grote man; de Duitse Nederlander, maar zoal hij zichzelf typeerde: een
Europeaan.
Een
wandelaar, een fietser, milieu fanatiekeling, idealist, pacifist.... Gerard was
alles, maar bovenal de psychiatrisch verpleegkundige die overal de boel rustig
kreeg. Een over het algemeen een hel rustige man, maar wel een met gezag. Zijn
formaat had hij mee, maar ook een bepaalde rust die hij uitstraalde. Rust, maar
ook maakte zijn houding dat veel mensen ontzag voor hem hadden.
Voor
de buitenwereld was hij regelmatig een moeilijk figuur. Velen namen nimmer de
moeite hem echt te leren kennen. Dat kwam omdat hij soms moeilijk te
doorgronden was. Geen man met veel vrienden en hij was iemand die de meeste contacten
nooit erg lang kon vasthouden. Maar Gerard was een bijzondere man, die klaar
voor je stond en eigenlijk heel teder was. Een gouden gozer, met flinke gebruiksaanwijzing.
Ruim dertig jaar heb ik het met die gebruiksaanwijzing kunnen doen, en daar ben
ik verdomd blij om.
Thuis
commandeerde hij: Anne, Kaffee! En
later: Anneke (zijn dochter), Koffie!
Anne liep, Anneke haalde. Hij kon "commanderen", omdat hij er zoveel
liefde tegenover stelde. Hij deed het dwingend, en toch wisten zij die hem
kenden dat er geen kwaad in stak.
Hij
kreeg kinderen. Eerst Gert Jan en bijna drie jaar later Anneke. Van kleins af
aan heb ik ze op zien groeien. Gerard was trots als vader en deed veel met zijn
kinderen. Bezorgd, maar ook iemand die de kinderen de ruimte liet zich te
ontwikkelen. We namen ze vaak mee met wandelingen, naar het zwembad en met
autoritjes, zoals na de val van de muur naar Eisenach. De problemen met de
groei van Gert Jan deden hem pijn en Gerard zag het somber in. Maar hij bleef
in zijn zoon investeren. Niemand had destijds ooit kunnen vermoeden dat Gert
Jan uiteindelijk een top militair werd. Niet qua conditie, en zeker niet omdat
Gerard de grootste pacifist was, die ik ooit heb gekend. Desondanks was Gerard reëel
en respecteerde de keuze van zijn zoon, en accepteerde het.
Anneke,
die haar studie opgaf en fietscourier werd. Dagelijks kwam zij bij haar vader
langs. Soms een paar keer. Even buurten. Gerard vond dat geweldig, maar liet
haar ook alle vrijheid op eigen benen te staan.
Heel
bijzonder was zijn liefde voor Anne. Zelden heb ik zo’n trouw bij iemand
gevoeld. Hij was er voor haar en zorgde voor haar. Toen Anne voor het eerst
ziek werd (psychische klachten) sprong hij voor haar in de bres. Met eindeloos
geduld. Omgekeerd, mocht niemand zich om hem bekommeren. De eerste keer dat hij
zwaar depressief werd en opgenomen was, mocht Anne mij niet informeren. Dat zou
maar tot last zijn. Nadat ik hoorde van zijn opname ben ik boos geworden, en
bij de tweede opname werd ik direct gebeld. Ja, Gerard nam zelf moeizaam
contact op, maar was altijd blij wanneer je hem benaderde. Door de jaren heen
veranderde dat langzaam en ik heb zelfs een enkele keer een kaartje van hem
ontvangen.
Gerard was een sobere man. Het hoefde voor hem
allemaal niet uitbundig, noch groots. Eenvoud was troef voor hem. Echt
consequent was hij hier ook weer niet mee. Zo was hij een echte Apple freak,
kocht de duurste fietsen en rond auto’s hebben we ook wel eens een stevige
discussie gevoerd. Maar verder, was hij inderdaad sober en eenvoudig. Een man
met duidelijke meningen en politieke opvattingen. Een tijd was hij fanatiek bij
de Grünen. Maar Gerard was erg kritisch en het ging weer voorbij. Een tijd
heeft hij folders rondgereden, tot ook dat weer genoeg was. Uiteindelijk vond
hij zich bij de wereldwinkel in Koblenz. Eigenlijk via Anne, maar hij nam dat
over. De laatste jaren heeft hij zich daar fanatiek op gestort en de
wereldwinkel ook tot iets moois opgebouwd. Eind 2012 was de opening van het
nieuwe pand. En na het overlijden van Anne was hij weer vol energie zijn
activiteiten daar weer op te pakken.
Een man met ideeën en wensen. Een man met
plannen. Helaas zijn de laatste plannen blijven hangen. Het had juist een
nieuwe fiets gekocht. Hij wilde door Duitsland en Nederland gaan fietsen.
Afgelopen week zag ik de foto’s uit het Nijmeegs Dagblad; Anne en Gerard op de
ligfiets. Een artikel met foto, omdat zij samen vanuit Koblenz waren komen
fietsen. Ja, daar was hij dan wel weer trots op. Maar de laatste fiets mag ongebruikt
terug naar de dealer. Hij zal niet meer fietsen…
Abonneren op:
Posts (Atom)






