Biologisch gezien staat het buiten kijf. Wij zijn dieren. Om precies te zijn dragen wij alle kenmerken van het zoogdier. Ook in ons gedrag en onze fysieke kenmerken is het oer dier in ons aanwezig. Overeenkomsten met andere dieren zijn er ook. Er zijn meerdere soorten, die uitermate geraffineerd communiceren. Soorten, wie met gereedschappen werken, of slimme trucks gebruiken. Er bestaan zelfs soorten, die affiniteit tonen, liefde en meer eigenschappen, die wij mensen ons toedichten.
Het verschil is dat de mens het enige dier is, dat zich omhult met een losse huid, wat wij kleding noemen. Goed, het is wel de mens die ook soms andere diersoorten voorziet van kleding. Bij voorkeur de hond. En ja natuurlijk onderscheidt de mens zich op meerdere vlakken, zoals onze wetenschappen, instrumenten en technieken. Maar we blijven dier. Zeker vanuit diverse religies wordt dat stellig ontkent, evenals de evolutietheorie van Darwin lange tijd werd ontkent.
We kunnen er ook vanuit gaan dat het denken van de mens zich het meest ontwikkeld heeft van alle diersoorten. Desondanks heeft de mens zich op veel fronten nog steeds niet ontwikkeld en zijn het de dierlijke driften, die ons leiden. Natuurlijk is agressie een primitieve communicatievorm. Je zou verwachten, dat dit alleen nog bij andere diersoorten voor komt. Echter, de mens blijft in vele opzichten een agressief beest. Andere banale dierlijke instincten beschikken wij, mensen, ook nog steeds. Macht en leiderschap. Wij blijven immers kuddedieren. Dat is ook duidelijk te zien in de politiek. De politiek wat vergeleken kan worden als de roedel regelaar. De politiek bepaalt de regels, die in de roedel gelden. In de politiek draait het vooral om macht. Macht van de groep, maar vooral macht van de individu. Door onze verbale ontwikkeling vechten mensen niet alleen fysiek, maar ook met woorden. Snijdend kunnen deze zijn. De leider weet zich verbaal het slimste te handhaven. De roedel schaart zich naar de leider. De roedel is een niet nadenkend orgaan. Hoe dierlijk zijn wij....
De mens is een van de weinige diersoorten die de voortplantingsorganen niet alleen voor dit doel aanwenden. Nee, seks is ook voor genot. De ontwikkeling van onze geest maakt dat we bij seks niet direct hoeven voort te planten. Maar seks toont hoe dierlijk wij zijn. Hunkerend naar genot is seks een belangrijk item in ons leven. Zo belangrijk dat seks ook een taboe verworden is, onder het juk van religie. Voor de voortplanting zelf is de mens nog steeds op zoek naar de juiste paar kandidaat. Goed zaad, sterke eitjes; de beste kinderen. In het dierenrijk gaat het niet anders.
Natuurlijk authentiek aan de mens is religie. Door ons verstandelijke vermogens zijn wij in staat na te denken over diepere zaken. Zoals bijvoorbeeld de zin van het leven. Die zin is er natuurlijk niet. In ieder geval niet individueel gezien. Ook in de breedte kan je twijfelen over de zin van het leven. Doordat de mens in staat is tot rede krijgt men angst, wanneer men stilstaat bij het feit dat het leven een zinloze schakel is en een collectieve illusie. Om die angst in toom te houden heeft men een mechanisme ontwikkelt, zodat de roedel zin aan haar bestaan kan geven. De angst wordt hierdoor weggenomen en de roedelleiders kunnen de onderdanen in het gareel houden. Lang leve de religie! Marx zat goed raak met zijn; geloof is opium voor het volk. Het zei zo, en niet anders! Onze machthebbers, lees leiders, hebben de religie gebruikt om dood en verderf te zaaien, om zo hun eigen positie te versterken en de macht te vergroten.
En bij de leiders zie je dan ook hele dierlijke handelwijzen. Hoe dictaroraler de leider, des te barbaarser zijn gedrag. Politiek of religieus, het ontloopt elkaar niet. Kijkend naar onze menselijke ontwikkeling, technische vooruitgang en niveau, dan bedenk je toch niet dat er nog gestraft wordt middels het af hakken van ledematen, stenigen, uitdelen van zweepslagen, marteling en even zo de doodstraf. Kortom, wij mensen vallen telkens weer in onze dierlijke valkuil. De ontwikkeling is maar schijn, eigenlijk zijn wij op dierlijk niveau blijven steken. In ons gedrag zijn wij niet meer, dan een groep Chimpansees. Alleen in ontwikkeling zijn we op een paar gebieden verder. Stukken verder. Het lijkt ons alleen niet te lukken onze welvaart en ontwikkeling te koppelen aan het minder dierlijk zijn. In tegendeel, soms lijken wij ons juist dierlijker te gedragen, naarmate de ontwikkeling ons verder brengt. Mens is dus een heel paradoxaal dier. Een vat vol tegenstrijdigheden.
Ook in de organisatie van ons wereld. Grote mierenkolonies, georganiseerde samenlevingen. Prima op elkaar afgestemd. En dat zonder geld, zonder belastingen, zonder alles wat de mens verzonnen heeft om de mensenkolonie op elkaar af te stemmen en te regelen. Wanner de mieren zich over een miljoen jaar ontwikkeld hebben zal daar een paradijselijke samenleving uit naar voren kunnen komen. Een slag, welke de mensheid duidelijk gemist heeft. De vermeende ongelijkheid tussen mensen onderling is even dierlijk als ondierlijk. Dierlijk vanuit de roedel gedachte, maar volledig ondierlijk wanneer je kijkt hoe de hele dierenwereld onderling haar zaakjes regelt. We zijn sneller geëvolueerd dan onze geest kon dragen. De mens is dan ook goed in staat haar eigen ondergang te creëren. Daar is men ook al een heel eind mee opgeschoten!
Ja, ik ben een dier. Ik waak, ik slaap. Poep, pis, boer en kots. Meestal op zo'n menselijke vinding als de wc, maar even zo gemakkelijk buiten in de natuur. Bij een mooi vrouwtje krijg ik een erectie en mijn eigen wijfje bescherm ik tegen het kwaad van buiten. Als mens kan je niet ieder vrouwtje bespringen, die je wilt. De behoefte is bij het mannetje (op de achtergrond) echter nog steeds potentieel aanwezig. Een dierlijk gedrag wat wij ons voor de buitenwereld hebben afgeleerd.
Mijn leven is volledig zinloos. Ik ben geboren, leef en straks zal ik weer sterven. Ik zal in de vergetelheid raken. Mijn lijf zal tot as verworden, of als humus eindigen, onder de grond. Mijn geest zal doven. Nee, voor dieren is geen hiernamaals. Evenmin voor het dier mens. De mens kwelt zichzelf onder een juk van regels, verplichtingen, en... roedelgedrag. Wanneer er een blaft, gaan de anderen ook blaffen. We zijn net honden. We dienen bij voorkeur onze koningin, in welke hoedanigheid dan ook, en zijn niet anders dan een kolonie mieren. We moorden, om ons voedsel te beschermen, of we moorden om ons territorium te vergroten. We dragen de agressie van een roodborstje.
Wat een vreselijk arrogant dier zijn wij eigenlijk. Logisch ons dierlijke afkomst te ontkennen. Zeer bedreigend. Het zou ons gedrag verklaren en bovendien zal duidelijk worden dat onze geest onze vooruitgang niet heeft kunnen bij benen. De zinloosheid van het bestaan kan een te grote invloed hebben, en nog meer bandeloosheid creëren.
Ja, ik ben een dier. Mijn soort heet mens. Met regelmaat zou ik een ander dier willen zijn. Of een mens in wat wij de pre-historie noemen. Leven om te overleven, jagen en voedsel kweken. Terug naar het wezenlijke zijn. Bezig met overleven en niet stil hoeven te staan bij de zin, of onzin, van het leven. Leven, en na een goed leven sterven. Op jacht naar voedsel. Mijn sperma in het juiste vrouwtje doneren, om goed en sterk nageslacht te krijgen. Leven, en vooral niet te veel denken. Een mens is het dier wat ik wellicht het minst graag ben.....
Posts tonen met het label mier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mier. Alle posts tonen
dinsdag 10 februari 2015
zondag 25 januari 2015
Sterk
De kolonie is groot. Enorm groot en iedereen ziet er het zelfde uit. Geen spat verschil, althans, er zijn twee groepen; werkers en voedsters. Ik behoor tot de werkers. Wij zijn met een paar duizend. De voedsters zijn veel minder in aantal en verzorgen de eieren. Ook tussen de voedsters onderling is geen spat verschil. De enige met een eigen identiteit en uiterlijk is onze koningin. Zij is groter en ligt de hele dag eieren te leggen. Maar goed, ik ben dus een werker. Nou, eigenlijk bestaat er helemaal geen "ik". Dat geldt voor alle dieren in alle kolonies. Wel zitten er verschillen tussen de kolonies. Er zijn wel kolonies waar ze exact gelijk zijn als wij. Geen spat onderscheidt te zien, alleen is de geur anders. Dat is de geur van de kolonie. Andere kolonies zijn wel anders. Er zijn kolonies met dieren met andere afmetingen. Vooral kleiner, tot heel klein. Ook heb je volken die een andere kleur hebben. Rood of roodbruin. In ieder geval zijn we altijd met immens grote groepen.
En wie ben ik? Ik besta niet als "ik". Ik kan iedereen van mijn groep zijn. We hebben een opdracht. Welke, dat weet ik niet. We doen wat we moeten doen, het gaat vanzelf. We volgen ook allemaal hetzelfde spoor. Aan het eind van het spoor doen we ons werk en gaan weer terug. Soms komen we onderweg iets tegen. Dan lossen we dat met een kleine groep op. Laatst een dooie larf. Met een aantal van ons hebben we die naar de kolonie gebracht. Daarna gingen we we gewoon naar onze werkplek. Die werkplek is steeds langere tijd het zelfde. Kom je een nieuwe werkplek tegen, wat soms gebeurt, dan meld je dat, door werk mee terug te nemen. Voor je het weet is er alweer een grote groep aanwezig.
Bij ons is de belangrijkste bron van werk het snijden van sappige groene bladeren. Die knaag je af en breng je naar de kolonie, naar het depot. De voedsters gaan daar dan weer verder mee aan de slag. Of dit een saai leven is durf ik niet te zeggen. Het is gewoon leven. Niks mis mee, ook nauwelijks opwindend.
We zijn wel de sterksten van het hele dierenrijk. Dat weet ik dan weer wel. Ik kan wel tien keer mijn eigen gewicht tillen. Eens mens kan eigenlijk niet eens een keer zijn eigen gewicht tillen, om maar een voorbeeld te noemen. Andere dieren kunnen wel een paar keer hun gewicht tillen, maar niet zo veel als wij.
We zijn klein, maar met veel. Er moet dus hard gewerkt worden en daarom is het wel makkelijk zo sterk te zijn. Ook wanneer er een obstakel op onze weg zit. Met een groep kan je altijd de weg weer vrij maken. Een flinke (dooie) hommel tillen we met een mannetje of twintig wel weg. Soms sta je verkeerd en word je ook weg getild. Door bijvoorbeeld niet onder maar op de prooi te staat. Toch het meeste tillen we alleen. Een stuk blad, wat afgesneden is, weegt al snel zes tot zeven keer ons gewicht. Dat het zwaar is maakt niet eens zo veel uit. Nee, soms is het lastig dat we met zo onnoemelijk veel zijn. Dan loop je met je blad en loop je elkaar in de weg. Het gaat overwegend goed, alhoewel... Nou ja, kijk dit blad, dat is een lichte. Te zuinig gesneden. Niet erg, soms een wat lichtere lading...
Onze kolonie is onder de grond. We hebben meerdere ingangen. Die worden bewaakt door werkers, als wij. Zelf heb ik ook bewaakt. Dat doe je gewoon. Hoe het werkt weet ik ook niet. Door toeval denk ik ben je gewoon een week bewaker. Wel lekker, want dat is niet zo zwaar. Maar goed, onder de grond dus. Enorm veel gangen en een paar grote ruimtes. Die hebben we allemaal met elkaar uitgegraven. In de grote ruimtes bewaren we de bladeren, in een andere liggen de eieren, de volgende de larven. De koningin heeft een eigen ruimte. Daar mogen wij niet komen, maar alleen de voedsters. Weet je trouwens dat die voedster de eieren en larven in hun eentje moeten verplaatsen? Volgens mij is dat zwaarder dan een blad. Je begrijpt dat wij allemaal in de gangen slapen. Hutje mutje. We houden elkaar zo wel goed warm, dat is een voordeel. Je kan je alleen niet bewegen en moet wachten tot je voorgangers weer vertrekken, voordat je kan bewegen. Het liefst zijn we aan het werk. Dan zijn we buiten en hebben we iets te doen.
Soms wordt het leefpatroon doorbroken. Wanneer een mier van een andere kolonie in onze kolonie terecht komt, of omgekeerd. Meestal gebeurt dit per ongeluk, maar soms ook omdat we op zoek zijn naar een nieuw nest of meer voer. En kom je elkaar tegen.... Dan wordt het knokken! En flink. Verjagen we er een, dan komen er al snel hele groepen aan om te beschermen. Zo een knokpartij loopt meestal goed af en duurt niet zo lang. Is het een knokpartij met een andere soort, of voor ons territorium, dan kan het echt flink toe gaan. Grotere mieren dan wij zijn ook veel sterker. Dan zitten we al snel met een stuk of tien van ons, op een zo'n grote. Dan moeten we echt fors in de meerderheid zijn, anders is het dag kolonie... Gelukkig hebben we dat nog niet gehad. Meestal vechten we met dezelfde mieren als wij, of kleinere. Tot nu toe hebben we altijd gewonnen. Ja, omdat we sterk zijn. Sterk, omdat we als mier sterk zijn en sterk omdat we een hele grote kolonie hebben.
Toch leiden wij ook onze verliezen. Vrijwel altijd, wanneer wij vechten, gaat het tot op dat de dood er op volgt. Het maakt ook niet uit of er doden vallen. We hebben toch geen "ik". Dood is dus dood. En sterf je niet in een gevecht, zo oud wordt een mier toch niet. Allemaal wel goed zo. Omdat we allemaal hetzelfde zijn zien we ook geen verschil tussen de mieren onderling. Wie er dood zijn weet je niet, want er is ook geen "wie". Nee, dan zijn er een paar dood.
Ondanks dat we met zo veel zijn is er geen onderling contact, want dat kunnen we niet hebben. Waarover trouwens. Nee, alles gaat vanzelf, zal ik maar zeggen. Het hele leven van een mier gaat vanzelf. Heerlijk, want dan hoef je ook niet na te denken. Komt goed uit, want we kunnen ook helemaal niet nadenken. Het leven van een mier is eigenlijk wel een goed leven. We doen wat we doen en kennen geen problemen. We zijn ook altijd met veel. Je gaat van A naar B en weer terug, met een blad. Soms wordt je weg plots geblokkeerd. Soms staat er opeens een ander dier op je. Dan heb je het wel gehad. En wordt de weg alleen maar plots geblokkeerd, dan zoek je automatisch de weg weer naar A, of naar B. En dan ben je weer snel bij elkaar. Weer met veel. In lange rijen lopen we dagelijks. En graag laten we zien dat we sterk zijn. Ja, de sterkste dieren van de hele wereld, en met misschien wel de grootste harmonie. Een mens kan nog wel eens van ons leren, al is ie lang zo sterk niet.
En wie ben ik? Ik besta niet als "ik". Ik kan iedereen van mijn groep zijn. We hebben een opdracht. Welke, dat weet ik niet. We doen wat we moeten doen, het gaat vanzelf. We volgen ook allemaal hetzelfde spoor. Aan het eind van het spoor doen we ons werk en gaan weer terug. Soms komen we onderweg iets tegen. Dan lossen we dat met een kleine groep op. Laatst een dooie larf. Met een aantal van ons hebben we die naar de kolonie gebracht. Daarna gingen we we gewoon naar onze werkplek. Die werkplek is steeds langere tijd het zelfde. Kom je een nieuwe werkplek tegen, wat soms gebeurt, dan meld je dat, door werk mee terug te nemen. Voor je het weet is er alweer een grote groep aanwezig.
Bij ons is de belangrijkste bron van werk het snijden van sappige groene bladeren. Die knaag je af en breng je naar de kolonie, naar het depot. De voedsters gaan daar dan weer verder mee aan de slag. Of dit een saai leven is durf ik niet te zeggen. Het is gewoon leven. Niks mis mee, ook nauwelijks opwindend.
We zijn wel de sterksten van het hele dierenrijk. Dat weet ik dan weer wel. Ik kan wel tien keer mijn eigen gewicht tillen. Eens mens kan eigenlijk niet eens een keer zijn eigen gewicht tillen, om maar een voorbeeld te noemen. Andere dieren kunnen wel een paar keer hun gewicht tillen, maar niet zo veel als wij.
We zijn klein, maar met veel. Er moet dus hard gewerkt worden en daarom is het wel makkelijk zo sterk te zijn. Ook wanneer er een obstakel op onze weg zit. Met een groep kan je altijd de weg weer vrij maken. Een flinke (dooie) hommel tillen we met een mannetje of twintig wel weg. Soms sta je verkeerd en word je ook weg getild. Door bijvoorbeeld niet onder maar op de prooi te staat. Toch het meeste tillen we alleen. Een stuk blad, wat afgesneden is, weegt al snel zes tot zeven keer ons gewicht. Dat het zwaar is maakt niet eens zo veel uit. Nee, soms is het lastig dat we met zo onnoemelijk veel zijn. Dan loop je met je blad en loop je elkaar in de weg. Het gaat overwegend goed, alhoewel... Nou ja, kijk dit blad, dat is een lichte. Te zuinig gesneden. Niet erg, soms een wat lichtere lading...
Onze kolonie is onder de grond. We hebben meerdere ingangen. Die worden bewaakt door werkers, als wij. Zelf heb ik ook bewaakt. Dat doe je gewoon. Hoe het werkt weet ik ook niet. Door toeval denk ik ben je gewoon een week bewaker. Wel lekker, want dat is niet zo zwaar. Maar goed, onder de grond dus. Enorm veel gangen en een paar grote ruimtes. Die hebben we allemaal met elkaar uitgegraven. In de grote ruimtes bewaren we de bladeren, in een andere liggen de eieren, de volgende de larven. De koningin heeft een eigen ruimte. Daar mogen wij niet komen, maar alleen de voedsters. Weet je trouwens dat die voedster de eieren en larven in hun eentje moeten verplaatsen? Volgens mij is dat zwaarder dan een blad. Je begrijpt dat wij allemaal in de gangen slapen. Hutje mutje. We houden elkaar zo wel goed warm, dat is een voordeel. Je kan je alleen niet bewegen en moet wachten tot je voorgangers weer vertrekken, voordat je kan bewegen. Het liefst zijn we aan het werk. Dan zijn we buiten en hebben we iets te doen.
Soms wordt het leefpatroon doorbroken. Wanneer een mier van een andere kolonie in onze kolonie terecht komt, of omgekeerd. Meestal gebeurt dit per ongeluk, maar soms ook omdat we op zoek zijn naar een nieuw nest of meer voer. En kom je elkaar tegen.... Dan wordt het knokken! En flink. Verjagen we er een, dan komen er al snel hele groepen aan om te beschermen. Zo een knokpartij loopt meestal goed af en duurt niet zo lang. Is het een knokpartij met een andere soort, of voor ons territorium, dan kan het echt flink toe gaan. Grotere mieren dan wij zijn ook veel sterker. Dan zitten we al snel met een stuk of tien van ons, op een zo'n grote. Dan moeten we echt fors in de meerderheid zijn, anders is het dag kolonie... Gelukkig hebben we dat nog niet gehad. Meestal vechten we met dezelfde mieren als wij, of kleinere. Tot nu toe hebben we altijd gewonnen. Ja, omdat we sterk zijn. Sterk, omdat we als mier sterk zijn en sterk omdat we een hele grote kolonie hebben.
Toch leiden wij ook onze verliezen. Vrijwel altijd, wanneer wij vechten, gaat het tot op dat de dood er op volgt. Het maakt ook niet uit of er doden vallen. We hebben toch geen "ik". Dood is dus dood. En sterf je niet in een gevecht, zo oud wordt een mier toch niet. Allemaal wel goed zo. Omdat we allemaal hetzelfde zijn zien we ook geen verschil tussen de mieren onderling. Wie er dood zijn weet je niet, want er is ook geen "wie". Nee, dan zijn er een paar dood.
Ondanks dat we met zo veel zijn is er geen onderling contact, want dat kunnen we niet hebben. Waarover trouwens. Nee, alles gaat vanzelf, zal ik maar zeggen. Het hele leven van een mier gaat vanzelf. Heerlijk, want dan hoef je ook niet na te denken. Komt goed uit, want we kunnen ook helemaal niet nadenken. Het leven van een mier is eigenlijk wel een goed leven. We doen wat we doen en kennen geen problemen. We zijn ook altijd met veel. Je gaat van A naar B en weer terug, met een blad. Soms wordt je weg plots geblokkeerd. Soms staat er opeens een ander dier op je. Dan heb je het wel gehad. En wordt de weg alleen maar plots geblokkeerd, dan zoek je automatisch de weg weer naar A, of naar B. En dan ben je weer snel bij elkaar. Weer met veel. In lange rijen lopen we dagelijks. En graag laten we zien dat we sterk zijn. Ja, de sterkste dieren van de hele wereld, en met misschien wel de grootste harmonie. Een mens kan nog wel eens van ons leren, al is ie lang zo sterk niet.
Labels:
doden,
ik,
knokken,
kolonie,
koningin,
leefpatroon,
mens,
mier,
mierenhoop,
snijmier,
vechten,
verzorgen,
werk
Abonneren op:
Posts (Atom)